Een halve eeuw geleden maakte president Nixon een einde aan de gouden standaard – of wat daar nog van over was. Tot 15 augustus 1971 garandeerde de Federal Reserve een kilo goud te geven aan eenieder die haar 1250 Amerikaanse dollars aanbood. Daarna niet meer.

Onvermijdelijk duikt bij zo’n lustrum melancholie op, en heimwee naar de goede oude tijd toen we nog echt goudgeld hadden. Dat is grotendeels misplaatst. In augustus 1971 was die inwisselbaarheid al lang een belofte geworden die vooral niet letterlijk genomen moest worden. Daarvoor had Amerika, en de wereld, veel te weinig goud. De overvloedige uitgaven aan de oorlog in Vietnam en de ‘Great Society’-welvaartsstaat hadden de verhouding tussen goud en dollars volledig uit het lood getrokken. Nixon trok de onvermijdelijke conclusie.

Wat wél onze heimwee verdient, is het internationalisme en de progressieve inslag van het monetaire systeem dat in de zomer van 1944 in een hotel in Bretton Woods, New Hampshire, gestalte kreeg. Dollars en goud waren een deel maar niet het doel van ‘Bretton Woods’. Het ging om economische ontwikkeling en volledige werkgelegenheid in de hele (westerse) wereld. De onderhandelaars in New Hampshire zaten midden in de gevolgen van de monetaire instabiliteit en ongelijkheid van de goudstandaard, het monetaire system vóór Bretton Woods. Ze wilden niet terug naar de handelsconflicten, wisselkoerscrises en recessies die de jaren dertig hadden doen uitmonden in de Tweede Wereldoorlog. Hun opzet lukte. Wat volgde was de ‘gouden tijd van het kapitalisme’ waarin stijgende welvaart ongekend breed verdeeld werd.

Paradoxaal: na het loslaten van die officiële dollar-goudstandaard in 1971 kregen we een nóg sterker dollargerichte wereld. Nu niet langer internationalistisch bestuurd, maar privaat, met als spil niet regeringen maar banken. Een systeem met aanvankelijk gierende inflatie en daarna voortdurende wisselkoers- en schuldencrises. Maar ook met voortgaande welvaartsgroei en welvaartsdeling, nu ook buiten het Westen. Vanaf de jaren negentig explodeerde de ongelijkheid en namen de crises snel in ernst toe: Savings & Loans in 1986, Azië in 1996, dotcom in 1999, de Grote Financiële in 2008.

Zo goed was die goede oude tijd van goudgeld niet

Die instabiliteit roept regelmatig de vraag naar een alternatief op. Maar de dollarstandaard is robuust, ook na crises. Na de klap van 2008 steeg de dollar juist in waarde. Enorme kapitaalstromen koersten vanuit Azië en Europa naar de veilige thuishaven van Amerika. Een ander teken van vertrouwen zijn de reserves van centrale banken wereldwijd: nog steeds voor ruim de helft in dollars. De euro volgt met een aandeel van slechts een vijfde, China staat met nauwelijks twee procent op de vijfde plek. De dollar wordt door zowel private investeerders als centrale bankiers met afstand de veiligste munt geacht.

De financiële noodzaak voor verandering is er dus niet, echte alternatieven ontbreken. China kan voorlopig bij lange na niet een mondiaal monetair systeem leveren. Private ‘munten’ als bitcoin zijn in werkelijkheid louter speculatieve vehikels. Misschien komt er over enkele decennia een stelsel van regionaal dominante munten: de euro rond Europa, renminbi in Azië, de Turkse lira in het Midden-Oosten. Het is zeer onzeker. Voorlopig zijn er eigenlijk maar twee andere smaken. Voor een Bretton Woods 2.0 is de geest van internationalisme te zwak, en de benodigde coördinatie vanuit één centrumland is ondenkbaar. Terug naar de goudstandaard dan? Het is de droom van ‘goldbugs’, voor wie alleen goud echt geld is, en de rest nep – vooral geld waar ‘alleen maar’ een overheid achter staat.

Maar de internationale goudstandaard, van ongeveer 1870 tot aan de Eerste Wereldoorlog, kon er alleen zijn omdat het Britse Rijk er was. Na herintroductie (in verwaterde vorm) werd ze in de jaren twintig en dertig bovendien steeds zwakker, vanwege voortschrijdende democratisering. De onwrikbare wisselkoersen van een gouden standaard vereisen draconische loon- en werkgelegenheidsoffers in tijden van crisis. Die verdragen zich slecht met een democratie.

Zo goed was die goede oude tijd van goudgeld dus niet. In ieder geval komt ze niet terug. Blijft over ons huidige geldsysteem van fiatgeld met overheidsdekking, zonder een internationaal goud- of dollaranker. Bepaald geen nepgeld. Het geeft ons op dit moment het vermogen een recessie te voorkomen die slechts anderhalf jaar geleden onvermijdelijk leek.