Leve het verleden

HET VERRE EN of niet meer zo recente verleden opnieuw een stem geven in romans en verhalen stelt zo zijn eigen eisen. Je kunt wel lukraak wat historische feiten en gebeurtenissen bij elkaar schrapen en er een aardige plot omheen verzinnen, maar daarmee ben je er niet. Wil je het als schrijver goed doen, dan moet de lezer de opgeroepen tijd op zijn huid kunnen voelen. Vlooien en ander ongedierte horen hem te bespringen wanneer op een tocht een nachtelijk onderkomen in een logement wordt aangedaan. Hij moet de temende dwingelandij ondergaan van de lichtekooien die er kind aan huis zijn, de strootjes van het hoofdkussen in zijn oor voelen kriebelen, het ongemak ervaren van de zoemende vliegen die zich boven zijn eetbord verzamelen en de geur van tabak opsnuiven die de roef van een trekschuit overheerst of de bedorven lucht die in de straten hangt.

Daarnaast zijn er de problemen met de taal waarin het vertelde gestalte moet krijgen. Die zal iets onnadrukkelijk historisch moeten hebben, van vandaag zijn maar tegelijkertijd gisteren suggereren. De beste oplossing lijkt dan teksten en uitdrukkingen van weleer op een eigentijdse wijze, al dan niet geciteerd, met de eigen taal te vervlechten. En ten slotte is er, nog belangrijker eigenlijk, de vraag naar de bedoeling van zo'n historisering. De kracht daarvan kan alleen maar liggen in het ontdekken en blootleggen van samenhangen, in de betekenis van voorbije levens, karakters en gebeurtenissen voor een verloren gewaande maar hervonden tijd, zoals Hella Haasse ooit schreef. Voor haar is de ‘sense of the past’ een soort tegenhanger van de ruimtevaart, het verkennen van de ruimte en wel zo 'modern’ als je je maar kunt wensen. Aan Jacques Kruithof kun je zo'n karwei rustig overlaten. Al eerder bewees hij met zijn veelgeprezen roman Het lied van de houtduif (1989) zijn affiniteit met het erfgoed en de zeggingskracht daarvan, in zijn zojuist verschenen verhalenbundel Voorbije levens is dat niet anders. Prachtige straatbeelden, interieurkiekjes en personages roept hij erin op. De tijdsruimte die hij bestrijkt in deze ketting van vertellingen omvat zo'n halve eeuw vaderlandse geschiedenis. Wat zich daarin heeft afgespeeld bekijkt hij niet met de blik van de machthebbers die ooit hoog te paard gezeten dachten dat ze de geschiedenis maakten en alleen al om die reden nauwelijks oog hadden voor wat zich in de marge van het bestaan afspeelde. Zijn aandacht gaat juist uit naar mensen in die marge, naar de kleine luyden die de ideeën en temptaties van de tijdgeest ondergingen maar probeerden er niet het slachtoffer van te worden. KRUITHOF HEEFT, zo blijkt uit deze bundel, waarin elke eeuw sinds de zestiende een portret krijgt in een verhaal, een voorliefde voor figuren die in de zijlijn van het grote gebeuren een eigen heenkomen zoeken. Het liefst in muziek, literatuur of schilderkunst, want voor die activiteiten is machteloosheid een bestaansvoorwaarde. Bij voorkeur zet hij zijn protagonisten neer op de grens van twee werelden, in momenten van veranderingen in het tijdsgewricht, een keuze die hem de mogelijkheid geeft om de progressie in de geschiedenis gestalte te geven om zo in het verloop van de verhalen de vergankelijkheid van alles te laten zien. Daarmee suggereer ik dat er ondanks de ferme sprongen in die tijd die Kruithof maakt, een zeker verband tussen zijn vertellingen bestaat. Dat is er inderdaad. Worstelt de zestiende-eeuwse Brugse schilder Adriaen van Strijen in 'Het laatste oordeel’, waarmee de bundel opent, nog vreesachtig met de vraag hoe hij zich als goed christen verhoudt tegenover het opkomend protestantisme, wanneer zijn schilderij - waarnaar het hoofdstuk is genoemd - opnieuw opduikt in een Kunst of kitsch-achtig televisieprogramma om daar getaxeerd te worden, is de democratisering inmiddels de universiteiten en hogescholen binnengerukt en zijn de angsten voor veroordeling en verdoemenis al bijna vergeten. Maar niet helemaal. In het slotverhaal beklaagt de kenner van Van Strijens werk, de literatuurdocent Steven die op zijn instituut is wegbezuinigd, mede omdat hij volgens zijn studenten als reactionair de tijd niet meer begrijpt, zich erover dat hij de buik vol heeft van 'dat bigotte gedoe met een nieuw goed en kwaad en nieuwe schapen en bokken’. Als het om tolerantie gaat, lijkt Kruithof te waarschuwen, blijft er nog wel wat te wensen over. Overigens vind ik deze uitlui het minste van de vijf. De turbulentie aan de universiteiten die daarin bijvoorbeeld aan de orde komt, had meer om het lijf dan geloof in contestatie, Lenin, Marcuse en Brecht, de roep om aansluiting bij de voorhoede van het proletariaat en 'maatschappelijke relevantie’ van de literatuur. Dat zijn niet meer dan slagwoorden en sjablonen, daar roep je geen tijdsbeeld mee op. Wanneer Kruithof dicht bij huis komt, krijgt hij last van kortademigheid waardoor de nuance verdwijnt. DE HOOFDROLSPELERS in de verhalen dragen voorts ieder op hun eigen manier zelf een vorig leven met zich mee, een persoonlijke geschiedenis die verband houdt met een bijna vergeten of geheim voorval, een onbewust beeld dat door een onverwachte gebeurtenis plots weer actueel wordt en hun bestaan op scherp zet. Zo is er de dichter en tekenaar Pierre die in het Parijs van rond de eeuwwisseling verdwaald en vervolgens verdwaasd raakt wanneer hij zich een kortstondig moment heeft mogen laven aan de decadentie van een vrouw die het evenbeeld lijkt van een van jongsaf aan gekoesterd ideaal van schoonheid. En in het mooie verhaal 'De rookvang’ wordt Arjen Kruithof, op weg naar de begrafenis van Frederik Hendrik in Den Haag beland, geconfronteerd met een van zijn pekelzonden. Bij een eerder bezoek aan de hofstad, jaren geleden, had hij zich in bronstige drift laten vangen door een 'vuile vrouw’. Het voorval is vergeten, maar het staat hem weer helder voor de geest wanneer de herbergier hem een inkijkje gunt in de ruimte achter de schoorsteen waar zes kinderlijkjes, 'hoerenjongen’ meldt hij, in zittende houding tegen de zijwanden leunen. De gedachte dat daar een door hem verwekt kind tussen kan zitten, roept behalve verwarring vooral gevoelens van schuld en berouw op, al weet hij die een dag later weer te temperen. Want hoe Hollands er ook wordt geworsteld met Gods woord, rechtschapenheid en de moraal, daarvan afstand nemen door te relativeren en ten slotte de eigen weg te bewandelen, zit Kruithofs personages nog het meest in het bloed.