KUNST Prix de Rome

Leve Lodewijk

Het overzicht van tweehonderd jaar Prix de Rome in Rotterdam is fraai, en verwarrend. Zelden hingen er kunstwerken bij elkaar in één zaal die minder met elkaar te maken hadden dan hier. De laureaten van 1807 hebben niets gemeen met die van 1907 of 2007, behalve dan dat ze allemaal jong waren, de kunst op de academie leerden, en mee wilden doen in een wedkamp om de eer en de prijs. De competitie werd door Lodewijk Napoleon in 1807 in Nederland geïntroduceerd en bestaat nog altijd, al is de Prix al lang niet meer een harde test van technisch vakmanschap. Eeuwenlang bekroonde de Prix de belofte, die zichtbaar werd in een formele vorming, en dan ook nog gevat in het perspectief van de ontwikkeling van een nationale cultuur – Nederlandse jongens in een wedloop met de rest van de wereld.
De tentoonstelling geeft allerlei interessante inzichten. Eén: dat er nog erg veel kunstenaars in de Nederlandse kunstgeschiedenis te ontdekken zijn. Voor mij, bijvoorbeeld: de rare graficus E. Thorn Leeson, een ware Fuseli, winnaar in 1952. De merkwaardige etser P.H. Schoenmakers (1941). De beeldhouwer Tonny Timmer-van de Vorst, die een prachtig ingetogen en zacht-beweeglijke Twee meiden van Breitner maakte, bekroond in 1975. De schilder J. Hul, die in 1934 een Rust van de Heilige Familie op weg naar Egypte maakte, met een blonde baby die het schrikbeeld van Han van Meegerens cryptofascistische katholieke visioenen voor ogen roept.
Twee: dat het aardig is om kunstenaars te zien in hun rupsfase. Er hangen schoolse naaktstudies van Jan Sluijters en Ad Dekkers, en een romantische draak (Mijmering) van Jozef Israels. Nooit gedacht dat zij zo begonnen waren. Drie: dat er sinds de prijs werd hervormd in 1984-85 echt iets bijzonders is ontstaan. Werk van Raedecker, Van de Pavert, Sassen, Zandvliet, Birza et cetera bewijst dat. Vier: dat het flauw is om uit een 21ste-eeuws perspectief op de jurybeslissingen terug te zien. Mondriaan haalde de eindronde niet, logisch, omdat hij een botte tekenonderwijzer uit Winterswijk was, die een logge figuurstudie afleverde; het sarcasme op het bijschrift (‘dat Mondriaans talent op een geheel ander vlak lag kon de jury ook niet weten’) is ongepast. Vijf: dat het niettemin best aardig zou zijn om naast de tentoonstelling een ‘Salon des Refusés’ in te richten.
Zes: dat koning Lodewijk Napoleon een veel betere pers verdient dan hij doorgaans in Nederland krijgt. Bij de opening van de tentoonstelling vond minister Plasterk het nodig om voor de tienduizendste keer dat ‘Konijn van Olland’-verhaaltje te vertellen, terwijl, verdorie, zijn functie het directe resultaat is van Lodewijks ambitie om in het kikkerland, waar de cultuur al een goeie eeuw stilstond, een nationaal kunstleven tot stand te brengen. Konijn? Lodewijk sprak tenminste degelijk Nederlands. Mogen wij de minister herinneren aan mevrouw Smit-Kroes, die zich op bezoek in Parijs ‘ministre de milieu’ liet noemen, minister van de onderwereld? Dat Lodewijks inspanningen hard nodig waren blijkt uit de uiterst matige kwaliteit van de eerste winnaars, zoals J.E.C. Alberti, wiens naaktstudies nauwelijks de amateurklas ontstijgen. Een mooie uitzondering was Pieter Rudolph Kleijn, die wel een grote belofte had, maar die jong stierf. Ironisch genoeg: aan de gevolgen van verwondingen opgelopen in de Slag bij Waterloo, strijdend tegen de Bonapartes.

Tweehonderd jaar Prix de Rome. Kunsthal, Rotterdam, t/m 1 juni. www.kunsthal.nl