Essay: De kooplieden van Amsterdam

Leve Spinoza, leve Gümüs, leve de mercator sapiens!

Afgelopen week ontving Geert Mak de IJ-prijs, een prijs van ondernemers voor iemand die zich verdienstelijk heeft gemaakt voor Amsterdam. De journalist schonk het gewonnen geld aan ‹De Groene Amsterdammer›. In onderstaande lezing bij de aanvaarding van de prijs verklaart hij waarom.

U kent wellicht dat verhaal van Belcampo, van die man die in een rotskloof valt en op de bodem een wonderbaarlijke gemeenschap aantreft, los van de rest van de wereld, wonend in een paradijselijke tuin. Vorige week droomde ik net zoiets. Alleen ging het nu om een stuk stad, en om een val van twintig jaar in de tijd. Ik ontdekte tussen twee Amsterdamse spoorviaducten een buurtje uit 1970 dat als door een wonder in volstrekt ongerepte staat was gebleven. Je kon er nog voor 150 gulden een etage huren, je kon er zonder veel problemen een winkeltje beginnen en overal lagen oude onderstukken om een eigen bedrijfje te starten. Wat ik me vooral uit die droom herinnerde was de sfeer: er was weinig geld, er was weinig nieuw, maar er hing een grappig soort optimisme — dat repareren we wel even, dat pakken we wel even aan, dat vraag ik wel even aan de buurman. Het was, op een prettige manier, heel gewoon.

Toen ik wakker werd besefte ik dat mijn droombeeld niet eens zover bezijden de werkelijkheid was. Zo wás het inderdaad op veel plekken in de Jordaan, de Nieuwmarktbuurt en de Pijp in de jaren zeventig. De binnenstad wás op een onvoorstelbare manier verkrot en uitgewoond, maar er hing een sfeer van veiligheid in de breedste zin van het woord: in de vriendschappen, in de talloze buurtwinkels, in het zelfrespect dat het eigenhandig onderhouden en repareren van huis en spullen gaf, in de vrijheid van een bestaan zonder krankzinnige hypotheken, in het simpele loperslot waarmee onze etage en onze kleine rijkdommen afdoende waren beveiligd. Zo was onze stad inderdaad, voor de grote volksverhuizingen en voordat de drugs kwamen en de ijle onwerkelijkheid van het grote geld. We waren, op onze eigen manier, gelukkige burgers.

Het is u allen duidelijk: die droom was gewoon een pittige nostalgische koortsaanval, iets waar je verder niets mee aankunt in het Amsterdam van 2002. Toch is zo’n nostalgische aanval interessant. Nostalgie is immers absoluut taboe in deze tijd van vooruitgang, maar tegelijk zie je de symptomen overal: in de wel erg verpopte Hollandse binnensteden, in de traditionele festiviteiten die overal opnieuw worden uitgevonden, in de taal van journalisten en politici.

Nostalgie, het rouwen over de voorbije tijd en het verloren burgerschap, is de grote, ongeneeslijke conditie van de moderne tijd, zegt Harvard-hoogleraar Svetlana Boym in haar schitterende boek over dit verschijnsel. Volgens haar is nostalgie in toenemende mate een epidemie aan het worden, een merkwaardige en belangrijke tegenhanger van de modernisering en de globalisering. «De twintigste eeuw begon vol utopische dromen en eindigde met nostalgie», schrijft ze. Nostalgie hoeft niet altijd iets verwerpelijks te zijn, integendeel. In wezen is het een vorm van rebellie tegen een moderne tijd die vervuld is van al te blind geloof in alles wat nieuw is. Het is een terechte rouw over al die dingen van waarde die in het proces van modernisering verloren zijn gegaan. Het heeft ook een politieke, utopische dimensie — al is die vooral gericht op het verleden.

Maar nostalgie kan ook monsters baren. Het kan mensen gek maken van verlangen naar een verleden dat er in werkelijkheid nooit is geweest, naar een vaderland dat niemand ooit heeft gekend. Het kan zelfs leiden tot iets wat we de afgelopen maanden in Nederland ettelijke malen de kop hebben zien opsteken: een morele paniek.

Het hoogtepunt van het lied van nostalgie dat deze zomer overal weerklonk, was het voorstel van de demissionaire minister van Economische Zaken om de bejaarde bewoners van verpleeghuizen op de kleuters van werkende ouders te laten passen. Het realiteitsgehalte was nul, maar de utopie was begrijpelijk: het terughalen van de wereld van Ot en Sien. Maar ook rond bepaalde onderdelen van de huidige immigratiediscussie wordt steeds meer datzelfde nostalgische lied gezongen — ik zeg met nadruk «bepaalde onderdelen», want natuurlijk moet je nadenken over de opvallende achterstanden van bepaalde groepen en over het asielbeleid, de mensensmokkel, de veiligheid en de rol van het islamitisch fundamentalisme in deze stad. Het probleem is alleen dat de huidige discussie steeds meer lijkt te gaan over het fenomeen immigratie op zich. Het gaat steeds minder om de achterstandswijken, om de naschoolse opvang, om de vrouwen en om de taalcursussen. Het gaat vooral om het «afdammen van de stroom» — alsof het om een kudde gemzen gaat —, om de «eigen» normen en waarden, om het herstel van die oude, eigen, Amsterdamse straat, om het, zo mogelijk, terugdraaien van de film.

Alleen, in die gedroomde straat van mij woonde ook een zekere mijnheer Gümüs, een eenvoudige kleermaker. Mijnheer Gümüs hoorde in dat Amsterdamse straatleven van top tot teen thuis, hij had er zelfs een bijzondere rol omdat hij bepaalde vaardigheden beheerste die, ook toen al, in snel tempo aan het verdwijnen waren. En dat is precies wat me in het huidige immigrantendebat absoluut niet bevalt: de neiging om alle immigranten over een kam te scheren en om uiteindelijk de immigratie als zodanig te problematiseren. De film kunnen we dan terugdraaien. Maar tegelijk zetten we onze stad onder een kaasstolp. En we scheppen dan inderdaad een droomverleden, een vaderland dat in werkelijkheid nooit heeft bestaan.

Hoe zag dat vaderland er dan in werkelijkheid uit? Daarover is geen twijfel mogelijk: Amsterdam was vanaf de zestiende eeuw een vrije, verlichte handelsstad, en daarmee een klassieke immigrantenstad. De ongelooflijke explosie van handel, cultuur en welvaart in de zeventiende eeuw was grotendeels het resultaat van de chemie tussen de oorspronkelijke Amsterdammers en de vele tienduizenden immigranten uit Portugal, Vlaanderen, Duitsland en met name ook de Scandinavische landen. Ze verbonden Amsterdam met nieuwe handelsnetwerken, ze konden dingen die de Amsterdammers niet konden, ze introduceerden nieuwe vormen en technieken, ze braken de wereld telkens weer voor ons open. Al die eeuwen daarna is het karakter van Amsterdam in belangrijke mate bepaald geweest door immigranten — denkt u maar aan de Hugenoten, de asjkenazische joden, de Franse dissidenten in de achttiende eeuw, de Duitse dissidenten in de jaren dertig van de twintigste eeuw. Zelfs in de meest suffe periode van de stadsgeschiedenis, het begin van de negentiende eeuw — ik kwam het cijfer laatst tegen in een belastingplan uit 1813 — bestond zo’n twintig procent van de rijkste Amsterdammers uit mensen die in het buitenland waren geboren. Over zo’n stad praten we. Ik kan me een plaats als Urk voor de geest halen, een plaats zonder vreemdelingen. Maar zelfs in mijn meest nostalgische aanvallen loopt er altijd een Spinoza langs de Amsterdamse grachten, en een Joseph Roth, en een mijnheer Gümüs.

Op dit moment wordt de discussie vooral bepaald door de problemen van de laatste grote groep immigranten, die uit Turkije en Marokko. Of beter gezegd, die uit de straatarme dorpen van Anatolië en het Rifgebergte, boerenfamilies die door de kortzichtigheid van de toenmalige beleidsmakers in de loop der jaren naar Nederland zijn gehaald en die hier zijn blijven hangen als immigranten-tegen-wil-en-dank. Hun problemen — en, opnieuw, die wil ik niet bagatelliseren — zijn echter vooral de problemen van boeren, van bange boeren die naar de stad zijn geëmigreerd, die losraken van hun tradities, die moeten leren omgaan met ongehoorzame kinderen en met moderniteit, chaos, techniek en snelle verandering. Natuurlijk spelen taal en godsdienst een rol, maar dat is slechts een afgeleid probleem. Ik kan u verzekeren: als u met de inwoners van Istanboel praat, hoort u precies dezelfde verhalen als wanneer u praat met een deelraadsbestuurder van Geuzenveld. De kern is namelijk niet de afstand Turkije-Nederland, het is de immense afstand tussen platteland en stad die hier overbrugd moet worden.

Maar zijn dat «de» immigranten? Welnee. Het grootste deel van de Amsterdamse immigranten bestaat immers nog altijd uit het klassieke soort immigranten, het slag vreemdelingen dat onze stad heeft groot gemaakt. Het zijn nu wetenschappers, bankiers, IT’ers, kunstenaars, studenten, zakenlieden, maar ook arbeiders, koks, poetsers, al diegenen die legaal of illegaal het werk doen waar autochtonen hun neus voor ophalen.

Ik zal u een paar cijfers geven, dat heb ik geleerd van de sociografen van de Universiteit van Amsterdam waar de Wibautleerstoel is ondergebracht: niet praten maar tellen. Welnu, als je de statistiek van de stad nauwkeurig bekijkt zie je dat er almaar meer immigranten uit de geïndustrialiseerde landen de stad binnenkomen. Bijna tien procent van de stadsbevolking bestaat op dit moment uit immigranten uit Amerika, Japan, Duitsland en Engeland, een groep die ongeveer tweemaal zo groot is als de Turken. In Zuid en de Binnenstad vormen deze expats op dit moment al een kwart van de bevolking. Ik herhaal: een kwart. Het is dus niet verbazingwekkend dat in winkels de voertaal vaak al Engels is, en dat zal alleen maar toenemen.

In die migratiecijfers zie je ook een komen en gaan. De aantallen vertrekkers zijn vaak bijna net zo hoog als de aantallen binnenkomers. Veel immigratie blijkt in werkelijkheid migratie te zijn, heen en weer reizen. Het is kortom niet een vaste, homogene groep nieuwkomers die langzamerhand de stad «afpakt» van de gevestigde Amsterdammers. Het ging en gaat om zeer uiteenlopende groepen met sterk verschillende waarden en doeleinden, groepen die ook permanent in beweging zijn. Het is een rondpompen.

Dat is de realiteit van de immigratie in deze stad, de realiteit die in de schaduw staat van de huidige discussie. Houden we er rekening mee, met deze tienduizenden expats en andere normale immigranten? Hebben we deze realiteit wel voor ogen bij al ons gepraat over «eigenheid», bij ons afzetten tegen het zogenaamde multiculturalisme? Realiseren we ons eigenlijk wel — de migrantenspecialist Jan Beerenhout wees me daar laatst op — dat het Concertgebouworkest waarschijnlijk het meest multiculturele orkest van Nederland is? En dat ze toch de Vijfde Symfonie van Beethoven perfect ten gehore brengen?

In deze maanden spreken sommigen, als ze het hebben over immigratiepolitiek, met enthousiasme over het Deense model. Maar wat zou er gebeuren als we Amsterdam werkelijk onder een kaasstolp zouden zetten? We zouden ons allereerst buiten de grote internationale stromen van goederen en diensten plaatsen, stromen die toch al de neiging hebben om ons land en onze stad zuidelijk te passeren en die we alleen met veel energie, slimheid, openheid en flexibiliteit in onze richting kunnen verleiden.

Bovendien zou de stad zich plaatsen buiten de grote internationale ontwikkeling van steden, buiten de zogenaamde metroplexen, de grote stedelijke en voorstedelijke centra die worden gedomineerd door toptechnologie en door forse migrantenstromen, naar binnen en naar buiten. Die metroplexen — de term is van mijn Amerikaanse collega-journalist Robert Kaplan — hebben absoluut geen nationale «bemiddelaars» meer nodig, zelfs vaak geen nationale knooppunten meer. Ze communiceren direct met elkaar, beïnvloeden elkaar direct, zonder enige tussenmacht. Het zijn kosmopolitische steden geworden.

In die richting ontwikkelen de grote stadsgebieden van Londen, Lille en het Ruhrgebied zich, maar ook de pseudo-metropool waartoe wij behoren, de Randstad. Ik weet het, het maakt de zaken er niet simpeler op, want ook het kwaad is buitengewoon kosmopolitisch geworden, net als de armoede en de honger in Afrika. Maar een Deens model kunnen we uit ons hoofd zetten. We wonen nu eenmaal niet in Jutland en we willen ook niet dat het hier een soort Jutland wordt.

Ik vraag me regelmatig af: hoe komt het dat de morele paniek in Nederland, en ook in Amsterdam, dit voorjaar en deze zomer zo hevig was? Daar is een aantal reële oorzaken voor aan te wijzen: de elfde september, de zesde mei, Hilversum, Venlo. Maar aan de andere kant: nooit had de doorsnee Amsterdammer het zo goed als in de jaren negentig van de twintigste eeuw, ondanks de immense woningnood, ondanks de onveiligheid, ondanks alle andere problemen. Had de morele paniek van de afgelopen zomer wellicht nog een andere oorzaak dan enkel die handvol concrete problemen en die nostalgische onvrede over de globalisering en over het moderne bestaan in zijn algemeenheid? Ik denk het wel. En ik denk ook dat de discussie over de immigratie ons voortdurend afleidt van dat dieper liggende probleem.

Als er namelijk iets in dit land in een crisis verkeert, dan is dat het burgerschap. Daarmee bedoel ik niet — daar is door anderen al op gewezen — het burgerschap enkel in de politieke zin, maar dat in de meest brede zin van het woord. Het burgerschap van immigranten, zeker, maar net zo goed het burgerschap van de Nederlanders zelf. Waarom woonde en werkte in mijn gedroomde straat mijnheer Gümüs? Waarom ging er door deze stad een ongekende golf van solidariteit toen hij en zijn gezin werden weggestuurd omdat ze toevallig de foute nationaliteit en de foute papieren hadden? Omdat mijnheer Gümüs niet alleen een immigrant was, maar ook een typische ambachtsman, een voorbeeldige burger, een verrijking voor de stad.

Dat burgerschap is de afgelopen decennia steeds meer ter discussie gesteld: door de criminaliteit en de drugscultuur, maar ook door de individualisering, de nieuwe rijkdom en het grote graaien van sommige ondernemers. Het komt in de knel door de bureaucratisering, door Europa, door de kasten van beroepsbestuurders en door de toenemende machteloosheid van de gewone burgers.

En ten slotte wordt het burgerschap overal ter wereld op zijn kop gezet door de globalisering, door alles wat van elders komt. «Het burgerschap in een Europese welvaartsstaat kan een waardevol bezit zijn, een bron van steun», schrijft de Noorse antropologe Unni Wikan. «Maar wil het burgerschap alle beloften waarmaken, dan moet het opnieuw worden uitgevonden en verstevigd.» Dat vraagt volgens haar om «een nieuw soort gemeenschappelijke lijm» om de zaak bijeen te houden. Het gaat daarbij om meer dan campagnes over netheid en fatsoen, en enkel een paar blikken agenten erbij is ook niet de remedie. Er moet opnieuw een soort basisvertrouwen worden geschapen, dat is de grote en uiterst gecompliceerde uitdaging voor de komende jaren. Immers, burgerschap berust in de kern op vertrouwen, niet alleen op vertrouwen in elkaars goede bedoelingen, maar ook in de kwaliteit van bestuur en rechtspraak, in de bekwaamheid en integriteit van politici, in de burgerzin — een bijna vergeten woord — van managers en ondernemers.

Wat heeft dit nu allemaal van doen met de IJ-prijs? Heel simpel dit: de elites smelten weg en dat is een belangrijk onderdeel van de crisis van het burgerschap. «Er is vandaag de dag geen sprake van volksverheffing, maar van eliteverlaging», schreef Pieter Hilhorst onlangs in de Volkskrant, en ik ben het daar roerend mee eens. Ik denk alleen dat het probleem breder ligt dan enkel het zelfbewustzijn van de elites. Het heeft ook met toenemend isolement te maken. Dat zie je heel duidelijk in een stad als Amsterdam.

Misschien weet u dat er ooit een ideaalbeeld heeft bestaan van de typische Amsterdamse ondernemer, de burger-koopman, de manager annex stadsbestuurder, het soort man dat deze immigrantenstad in de zeventiende eeuw tot grote hoogte leidde. Bij de inwijding op 9 januari 1632 van Athenaeum Illustre, de voorloper van onze Universiteit van Amsterdam, introduceerde de hooggeleerde Caspar Barlaeus het begrip «Mercator Sapiens», de wijze, erudiete koopman. Dat was de koopman die niet op een eiland leefde maar die zich actief bemoeide met zijn stad en zijn omgeving.

De mercator sapiens vormde eeuwenlang het hart van de Amsterdamse elite — en nu praat ik over elite in de goede zin van het woord. De wijze kooplieden zaten in de gemeenteraad, in duizend-en-één besturen en netwerken. Ze zorgden goed voor hun eigen belangen, zeker, maar ze zorgden vaak ook goed voor de stad. De publieke zaak vormde een onlosmakelijk onderdeel van hun activiteiten — en niet zelden stegen ze daarin boven zichzelf uit. De bankiersfamilie Van Hall, de sigarenfabrikant annex Groene-redacteur Justus van Maurik, de houthandelaar Wibaut, de reder annex burgemeester Feike de Boer, u kunt de namen met tientallen aanvullen.

Maar je komt ze steeds minder tegen. Het voorbeeldfiguur van de mercator sapiens lijkt in het hedendaagse bedrijfs leven steeds meer vervangen te worden door het ideaal van Dagobert Duck: het absolute primaat van het kapitaal, het isolement van het geldpakhuis. Het lijkt wel of de huidige elite van ondernemers — een aantal loffelijke uitzonderingen daargelaten — steeds minder verantwoordelijkheid kan of wil dragen voor de publieke zaak in het algemeen.

Kan dragen, omdat het leven van een manager steeds voller en vluchtiger wordt en omdat in die internationale stromen de banden met de eigen stad vaak steeds dunner worden — het is zelfs de vraag wat eigenlijk nog je eigen stad is als je iedere drie jaar wordt overgeplaatst. Wil dragen, omdat de werelden van politiek en bedrijfsleven zo uiteen zijn gegroeid dat men over en weer totaal niet meer kan aarden in het andere circuit.

Dat is allemaal begrijpelijk. En toch is het heel hard nodig, het herstel van de persoonlijke verbanden tussen bedrijfs leven en stad, het opbouwen en uitvinden van nieuwe, moderne vormen van burgerschap.

Ik zou, kortom, met het geldbedrag dat aan deze IJ-prijs is verbonden het liefst Barlaeus’ mercator sapiens nieuw leven willen inblazen. Mijn keuze viel daarbij na lang wikken en wegen op een typisch Amsterdams instituut, een instituut dat zo arm is dat de IJ-prijs daar met luid gejuich zal worden ontvangen, een publieke debatruimte die exact 125 jaar geleden is opgericht als een onafhankelijk weekblad door en voor de mercator sapiens — en zijn rebelse kinderen, dat moet ik er wel aan toevoegen. Mijn keuze betreft een gewoon klein Amsterdams bedrijf dat al die jaren met veel idealisme en slim koopmanschap overeind is gehouden. Een NV die nooit iemand rijk heeft gemaakt, maar die voor het debat en de cultuur in de stad zeer veel heeft betekend. Een geestelijke ruimte die door talloze echte Amsterdamse figuren is bewoond, variërend van Frank van der Goes-Naters, Menno ter Braak, Jeanne van Schaik-Willing en Loe de Jong, tot Evert Werkman, Han Lammers, Rob Wout en Martin van Amerongen. Een weekblad dat als enige nog de naam Amsterdam in de titel voert en dat, onder bezielende leiding van de nieuwe hoofdredacteur Hubert Smeets een periode van vernieuwing ingaat waarbinnen onze stad vermoedelijk centraler zal komen te staan dan in jaren het geval is geweest.

Het doel is simpel. Internet is de agora van de 21ste eeuw, daar wordt de mercator sapiens van de toekomst gevormd en gekweekt. Welnu, moge de jubilerende Groene Amsterdammer, dankzij deze financiële stimulans, in deze nieuwe, virtuele wereld haar Amsterdamse naam en faam eer aan doen.

Dus: leve De Groene, leve Spinoza, leve mijnheer Gümüs, leve de mercator sapiens, leve onze stad Amsterdam.