Werknemer van reinigingsdienst Pantar Amsterdam © Berlinda van Dam / ANP

Eén telefoongesprek zal Ron Meyer nooit vergeten. Hij is nog een jongen van twaalf en heeft zijn oma aan de lijn. Of ze geld heeft voor zijn ouders. Ze kunnen de energierekening niet betalen en dreigen met het hele gezin uit huis te worden gezet. De jonge Ron weet niet wat hij moet zeggen.

‘Ben je er nog, Ronnie?’ vraagt oma. Dan: ‘Maak je geen zorgen, klinge. We lossen dit op. En het is ons geheim.’

Het telefoongesprek zal Meyer voor het leven vormen, schrijft hij in De onmisbaren, waarin de huidige fnv-vakbondsman en SP-politicus de worsteling van de arbeidersklasse optekent. Zíjn klasse, want hoewel Meyer fiscaal recht studeerde en opklom tot voorzitter van een politieke partij voelt hij zich nog altijd verbonden met de ‘onmisbaren’ – de schoonmakers, buschauffeurs, stratenmakers en zorgmedewerkers voor wie we graag klappen, een cruciaal beroep toedichten, maar na afloop van de crisis even makkelijk vergeten.

Meyer groeide op ‘achter het spoor’ in de wijk Zeswegen in het Zuid-Limburgse Heerlen, dat na de sluiting van de mijnen verwerd tot bolwerk van heroïnejunks en armoede. De jonge Meyer zag hoe zijn vader en moeder – respectievelijk koelmonteur en thuiszorger – de dagen sleten met koffie en zware shag om de permanente geldstress te doorstaan. Het avondeten sloegen ze meer dan eens over; er waren al twee kindermonden te voeden. Meyers boek is een eerbetoon aan zijn ouders: ‘Jullie offerden je voor ons op.’

De harde werkelijkheid: zijn ouders en andere arbeiders leven gemiddeld zes jaar korter dan welvarende leeftijdsgenoten en worden vijftien jaar eerder ziek. Neem twee van Meyers beste vrienden, Ad en Martijn, ook uit Heerlen. Ad maakt treinen schoon, Martijn heeft een eigen financieel adviesbureau. Ze wonen nog geen drie kilometer bij elkaar vandaan, ‘met de bus drie haltes, sociaaleconomisch lichtjaren’. ‘Wie van Martijn met de bus naar Ad reist, verliest bij elke bushalte twee jaar van zijn leven.’

Ron Meyer schreef om de ‘gestudeerde klasse’ de ogen te openen

Schrijnend voor wie gelooft in de ‘Dutch dream’, het meritocratische ideaal dat een dubbeltje heus een kwartje kan worden, als je maar hard genoeg werkt. ‘Het leven is een lift en het enige wat je hoeft te doen is op het goede knopje drukken, afwachten en uitstappen’, stelt Meyer cynisch. ‘Dat mensen in onze buurten jaren eerder doodgaan, is dus volkomen en alleen aan henzelf te danken.’

Ondanks zijn achtergrond hoort Meyer – wit, man, heteroseksueel – als scholier dat hij zo’n beetje de meest bevoorrechte persoon op aarde is, ‘ongeveer naast Jeff Bezos. Ik hè, uit Zeswegen.’ Hij kan het wel hebben, maar zijn even witte, mannelijke en heteroseksuele vader, met zijn niet afgeronde mavo en ver beneden modale inkomen, zijn gele vingers van de shag en lage levensverwachting? Hij zou net zo geprivilegieerd uit de bus komen, vreest Meyer.

Of dat daadwerkelijk zo is, valt te betwijfelen. Klasse is standaard onderdeel van intersectionele analyses, net als huidskleur, geslacht en seksuele voorkeur. Dat racisme bestaat, ontkent Meyer niet. Wat de onmisbaren verbindt, benadrukt hij, is hun sociaal-economische positie en niet hun culturele achtergrond: ‘Het gaat verdomme om klasse.’ Maar de problemen van de verdrukten zijn niet verdwenen als we ons meer op klasse richten – alleen al de nog altijd hardnekkige discriminatie op de arbeidsmarkt lossen we er niet mee op.

Dat klasse in het debat over ongelijkheid meer aandacht verdient, lijdt verder geen twijfel. De welvarende Martijn zegt in de epiloog niet voor niets dat hij de benarde positie van mensen onder aan de maatschappelijke ladder ‘niet kan zien’. Daarin zit de waarde van De onmisbaren, geschreven om de ‘gestudeerde klasse’ de ogen te openen. Meyer, aan zijn vader: ‘Waar racisme, seksisme en allerlei andere ismen afgelopen decennia in toenemende mate het middelpunt van verhitte maatschappelijke discussies vormden, was het neerkijken op jou en de jouwen decennialang geen enkel probleem.’

Zo leest De onmisbaren als een pleidooi voor ouderwetse klassenstrijd, al komen het communisme en Karl Marx in het boek niet expliciet voor. Meyer wil samen met andere arbeidersklassers actievoeren om de precaire levensomstandigheden van onderdrukten te verbeteren. Via democratische weg, welteverstaan. Het stemt in dat licht somber dat juist de mensen die het grootste belang hebben bij het uitbrengen van hun stem vaker dan gemiddeld wegblijven bij verkiezingen. Ondertussen verliest Meyers eigen SP keer op keer zetels – niet in de laatste plaats vanwege ongelukkige, door Meyer zelf bedachte televisiespotjes over volgevreten beroepspolitici als ‘Hans Brusselmans’. Ook het ledenaantal van fnv blijft al jaren onder het miljoen steken.

Wat kun je dan wél doen? De straat op, staken, je stem laten horen, schrijft Meyer. Zoals toeslagenouder Kristie dit voorjaar in het rtl-verkiezingsdebat deed tegenover premier Mark Rutte (‘Ik stop u even’). Het internationale protest van voetbalfans tegen de megalomane Super League is een ander geslaagd voorbeeld.

Maar misschien begint verandering pas echt als de hoogopgeleide elite doorkrijgt dat het losse liberalisme van Rutte niet voor iedereen werkt, dat achter het spoor een andere wereld schuilt. De onmisbaren zou alleen al daarom verplichte kost moeten zijn voor iedereen die denkt dat klasse irrelevant is en armoede niet meer bestaat.