Varlam Sjalamov: Berichten uit Kolyma

Leven als een dwergden

Varlam Sjalamov

Berichten uit Kolyma

Vertaald door Marja Wiebes en Yolanda Bloemen

Uitg. De Bezige Bij, 900 blz., ƒ95,-

Het socialisme was de utopie van de broederschap. De gehele mensheid zou uiteindelijk een grote, harmonieuze familie vormen, waarin iedereen voor elkaar opkwam en waarin afgunst en rivaliteit niet zouden bestaan. Het communisme was zo overtuigd van de maakbaarheid van deze droom dat het bereid was de mensen met geweld het paradijs in te jagen. Wie dat niet wilde, pleegde verraad aan die grote familie Mensheid. In Dantes beschrijving van de hel verblijven degenen die hun familie hebben verraden in de onderste, negende helle kring. Ze zitten tot aan hun hoofd vast gevroren in het eeuwige ijs.

In de twintigste eeuw werd deze fantasie van Dante werkelijkheid. Varlam Sjalamovs Berichten uit Kolyma is het minutieuze verslag van de jaren die hij doorbracht in de negende cirkel van de hel, het immense gebied van de kampen ten noorden van Magadan, waar het in de winter geregeld kouder is dan zestig graden onder nul. De «Goelag Archipel» is al vaker vergeleken met Dantes hel, bijvoorbeeld door de bedenker van het begrip, Alexander Solzjenitsyn. In diens In de eerste cirkel werd het bestaan in een sjarasjka beschreven, een gevangenis waar ideologisch onbetrouwbare geleerden werden opgesloten. Het was nog slechts de bovenkant van de hel. Het kamp in Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj was al vele malen erger. Maar daarover heeft Sjalamov tegen Nadjezda Mandelstam gezegd dat je het in zo’n kamp wel je hele leven kon uithouden. Kolyma was de bodem van de hel.

Sjalamov (1907-1982) was een «artikel-achtenvijftiger», een politieke gevangene veroordeeld wegens «contrarevolutionaire activiteiten». Dergelijke gevangenen stonden in de kamphiërarchie ver beneden de talloze criminelen die ook de Goelag bevolkten. Boven dien was Sjalamov ook nog een «Ivan Ivano vitsj», een intellectueel, dus het laagste van het laagste. Eind jaren twintig, begin jaren dertig zat hij al drie jaar in een kamp ten noorden van de Oeral. Tijdens de massale terreurgolf van 1937 werd hij weer gearresteerd en naar de mijnen van Kolyma gestuurd. Nadat in 1951 zijn straftijd was afgelopen, duurde het nog jaren eer hij naar Moskou mocht. Eindelijk uit Siberië was zijn gezondheid, zowel geestelijk als lichamelijk, voorgoed gebroken. Voor altijd was hij een slachtoffer van «het Noorden». In veel van zijn verhalen wordt «het Noorden» aangeduid als een fatale ziekte, waaraan mensen ondraaglijk lijden en waardoor ze uiteindelijk vergiftigd worden.

De vroegere vertaling, uit 1982, bevatte slechts eenderde van Sjalamovs verhalen over Kolyma. Uitgeverij De Bezige Bij verdient een compliment omdat zij het heeft aangedurfd nu de volledige «Sjalamov» te brengen, aangezien dit boek allesbehalve «prettig» is. Sjalamov beschrijft immers een verbijsterende, genadeloze en letterlijk onvoorstelbare wereld: de criminelen die iemand zonder reden neersteken, de gekmakende honger, de onvoorstelbare koude, de infernale ziekenhuizen waarvoor de gevangenen in de mijnen alles overhebben om erin te komen. Sjalamov schrijft over gevangenen die het sputum van tbc-patiënten slikken, en over een man die een jaar dubbelgevouwen ligt om een beschadiging aan zijn wervelkolom te simuleren. Onvergetelijk is zijn beschrijving van de aankomst van het stoomschip Kim, dat in december 1947 in Magadan arriveerde met drieduizend gevangenen. Deze waren onderweg aan het muiten geslagen, waarop de bewakers het ruim gedeeltelijk onder water hadden gezet. Een temperatuur van veertig graden onder nul zorgde ervoor dat de chirurg van het centrale ziekenhuis (vijfhonderd kilometer landinwaarts) volslagen over zijn toeren raakte. Jarenlange ervaring als frontarts in de strijd tegen de Duitsers had hem niet voorbereid op dit soort verwondingen.

In veel getuigenissen uit de nazi-kampen wordt beschreven hoe ondanks alle gruwelen er vaak iets overbleef van solidariteit, hoe in de ongekende ellende soms kameraadschap ontstond. Bij Sjalamov niets van dit alles. «Als ellende en nood mensen verenigen of vriendschap tussen mensen voortbrengen, dan betekent dat dat de nood niet hoog en de ellende niet groot is.» Alle normale menselijke emoties worden in de waanzinnige hel van sneeuw en ijs uitgewist. Zelfs angst. «Niets wond ons nog op, het leven in onderworpenheid aan de wil van anderen was gemakkelijk. We maakten ons geen zorgen om in leven te blijven, we aten en sliepen ook op bevel, volgens de dagorde van het kamp. Onze gemoedsrust, die was ontstaan door de afstomping van onze gevoelens, deed denken aan de hoogste vrijheid in de kazerne waarover Lawrence droomde, of aan Tolstojs geweldloos verzet tegen het kwaad.»

Overleven was louter een kwestie van toeval. Het idee van zelfmoord kwam Sjalamov voor als ronduit absurd, en ook tot zelfverminking was hij niet in staat. Hij identificeerde zich met het dwergdennetje, het enige boompje dat zijn naalden niet verliest, en dat het weer kan voorspellen. Enkele dagen voor de eerste sneeuw gaat het dwergdennetje plat liggen en spreidt het zijn takken over de aarde. Daar blijft het de hele winter liggen, onder meters sneeuw. En tegen de lente, als het lijkt alsof de winter nooit ophoudt, veert het weer op en schudt het de sneeuw van zich af. «Voor mij is de dwergden altijd de meest poëtische Russische boom geweest, veel meer dan de veel geroemde treurwilg, de plataan of de cipres. En het brandhout van de dwergden geeft meer warmte.»