Leven als god op cuba

Al vijf jaar lang kan de radicale omwenteling in Cuba zich ‘ieder moment’ voltrekken. De bootvluchtelingen van deze zomer geloofden er niet meer in. Maar wie goed rondkijkt, kan nu al zien wat Cuba wacht na de verandering.

HAVANA - ‘Leve de maagd! Arriba la virgen!’ Onder luid gejuich verlaat de zwaar verzilverde Virgen de la Regla haar kerk op de kade tegenover de oude haven van Havana. Het loodzware beeld rust op de schouders van een tiental mannen, wier T-shirts doorweekt zijn van het zweet. De omstanders bedelven de maagd onder een regen van bloemen en muntjes en volgen met brandende kaarsen in de hand het beeld op haar ronde. De klok luidt, boven in de nok van de kerk speelt een drumband. Pas als de maagd is teruggekeerd in de kerk, verstomt het tumult.
Het tafereel speelt zich af tegen een decor dat typerend is voor het Cuba van 1994. Bij de pont die vlak naast de kerk afmeert, staat politie opgesteld om de passagiers te fouilleren - een maatregel die deze zomer is ingevoerd nadat enkele ponten waren gekaapt om ermee naar Florida te varen. Recht tegenover de kerk staat een groot bord met in rood en zwart de tekst 'Opperbevelhebber, we wachten op uw orders’ - zo opgesteld dat geen kerkganger het kan negeren. Veel mensen in de optocht houden zwarte popjes in blauwe jurkjes omhoog, die door de maagd moeten worden gezegend. De poppen stellen Yemaya voor, de godin van de zee, een van de voornaamste goden van de typisch Cubaanse Santeria-godsdienst. Voor volgelingen van deze door slaven uit Afrika meegenomen religie zijn Yemaya en de maagd van La Regla dezelfde persoon, zoals elk van de Santeria-goden een katholieke heilige als 'tweelingbroer’ heeft.
De maagd en Yemaya hebben het druk gehad, de afgelopen maanden. Familieleden van de duizenden Cubanen die op wrakke vlotten de wijk namen richting Florida, kwamen bij hen bidden voor een veilige overtocht. Het was de exodus der ongeduldigen: wanhopige mensen die genoeg hadden van de politieke onvrijheid en de economische malaise en die de hoop op de al jaren voorspelde omwenteling hadden opgegeven.
Toch zijn veel Cubanen al bezig met het tijdperk na Castro. De ooit als opium voor het volk verguisde religie zal in zo'n toekomstig Cuba prominent aanwezig zijn. De kerken zitten voller dan ooit. De katholieke kerk is nooit officieel verboden geweest in Cuba, maar is wel altijd tegengewerkt. Tot diep in de jaren tachtig konden mensen die openlijk hun geloof beleden, hun carriere wel vergeten.
IN HET HUIS van haar vriendin Estrella Garcia in het centrum van Havana vertelt Sylvia hoe ze in die jaren vlug-vlug haar twee dochters heeft laten dopen. 'Ik ging via een achterdeur de kerk binnen, zodat niemand me zag. De priester ging na afloop kijken of de weg vrij was.’ In die tijd was Sylvia areligieus: haar moeder drong erop aan dat haar dochters werden gedoopt. 'Ik was een bewonderaar van Fidel Castro’, zegt ze. 'Dat was onze achtergrond. Twee van mijn ooms hadden gevochten voor de revolutie: de een streed met Che Guevara, de ander met Camilo Cienfuegos. Maar het drong steeds meer tot mij door dat Castro alleen maar leugens vertelde. Zelfs mijn oom, die met Cienfuegos vocht, moet dat nu door hebben. Laatst vroeg ik hem of hij nog geloofde in de revolutie. Hij zweeg, maar zijn ogen vulden zich met tranen.’
Sylvia grijpt in haar tas en haalt haar identiteitskaart te voorschijn. 'Vroeger droeg ik altijd een foto van Fidel op deze plek’, zegt ze, 'maar in 1985 heb ik hem vervangen door de maagd.’ Ze kijkt peinzend naar het plaatje van 'Onze lieve vrouwe van de Barmhartigheid, patrones van Cuba’, zoals het onderschrift bij de foto meldt. 'Ik denk dat de honger en schaarste waar we nu onder lijden een straf is van God’, zegt ze dan. 'We hebben te lang Fidel vereerd alsof hij God was.’
Sylvia’s vriendin Estrella Garcia heeft stil zitten luisteren. Ze had graag de feestelijkheden ter ere van de maagd meegemaakt, maar werd door agenten tegengehouden toen ze haar woning wilde verlaten. 'Ik moest weer naar huis. De hele dag bleef een stel ongure types rondhangen voor het huis.’ Reden voor deze politieactie was haar bekendheid als dissident. Garcia is lid van maar liefst vier groeperingen die zich verzetten tegen de regering. De autoriteiten waren bang dat ze tijdens de processie actie tegen het bewind zou voeren, denkt ze.
Andere prominente leden van de Christendemocratische Partij waarvan ze lid is, onder wie de voorzitter Maria Valdez Rosada, zijn die week zelfs gevangen gezet. Desondanks blijft Estrella positief gestemd. 'Ze zetten ons nog steeds gevangen, maar ze staan ons dissidenten al iets meer toe dan vroeger. We zien een kleine opening ontstaan.’
CUBA HERBERGT meer mensen als Estrella Garcia: dissidenten die koppig blijven geloven dat de wind der verandering door Cuba zal waaien en die zich vast voorbereiden op die tijd. Ze zijn verspreid over ruim een dozijn groepen die meestal slechts enkele tientallen leden tellen. Die ogenschijnlijke verdeeldheid is gunstig, zegt de ene dissident: hoe meer verschillende groepen er zijn, hoe moeilijker het voor het regime is de oppositie te 'onthoofden’. Een ander ziet in de verdeeldheid juist een verklaring voor het succes van de overheidsrepressie: 'De Cubaanse oppositie is als een woud van bonsaiboompjes, door de autoriteiten belet uit te groeien tot hun natuurlijke grootte.’ Hoe het ook zij, het staat vast dat een vrij gekozen parlement zeer pluriform van aard zal zijn.
Een van de 'bonsaiboompjes’ is de Associatie van de Cubaanse Socialistisch-democratische Stroming. 'We zullen in het begin een kleine fractie zijn in het parlement’, verwacht Vladimiro Roca Antunez, medeoprichter van deze groep: 'De onvrede over het bewind is zo groot dat bij de eerste vrije verkiezingen maar weinigen zullen stemmen op een partij met het woord “socialisme” in de naam.’
Roca’s sociaal-democraten zijn het eigenlijk in veel dingen eens met de regering. Ze zijn tegen het embargo door de Verenigde Staten en tegen de aanwezigheid van de Amerikaanse basis Guantanamo op het eiland en ze willen veel van de verworvenheden van de revolutie bewaren. Ze zien ook niets in het pure kapitalisme dat de rechtse ballingen in Miami voorstaan. Wat ze willen is democratische hervormingen en een gemengde, efficiente economie.
In het huidige Cuba is zoiets al genoeg reden voor een marginaal bestaan: Roca zelf werd in 1992 ontslagen, zijn telefoon is afgesloten, in augustus werd hij nog twee keer een dag vastgehouden en ondervraagd en twee keer is zijn huis belegerd door 'woedende burgers’ die urenlang hem en zijn gezin uitscholden. Voor dergelijke 'spontane’ campagnes wordt vaak het Contingente Blas Roca ingezet, een brigade bouwvakkers. Tot Vladimiro Roca’s grote woede is deze groep genoemd naar zijn vader, medeoprichter en tussen 1933 en 1961 secretaris-generaal van de Cubaanse Communistische Partij. 'Mijn vader was altijd fel tegen dergelijke haatcampagnes’, zegt Roca. 'Fascistisch heeft hij ze genoemd, en dat weet Fidel. Het is werkelijk schaamteloos dat hij mijn vaders naam zo misbruikt.’
Al bereidt zijn groep zich voor op vrije verkiezingen - op dit moment is een economisch programma in de maak waarmee de partij de verkiezingen wil ingaan - ook Roca is somber over de vooruitzichten. 'Castro zal niet vrijwillig afstand doen van de macht. Maar het is mogelijk dat hij het doet uit pragmatisme. De verandering komt er: het is alleen de vraag of die vreedzaam dan wel in een explosie van geweld tot stand komt. Er heerst nu eenmaal veel spanning en veel haat in de Cubaanse maatschappij.’
EEN GROOT DEEL van die spanning vindt zijn oorzaak in de schaarste waar Cuba onder lijdt sinds de navelstreng met de Sovjetunie is afgesneden, waardoor opeens alle import in harde valuta moest worden betaald. Het bewind probeert dan ook op alle mogelijke manieren deviezen het land binnen te krijgen. Het bezit van dollars is vorig jaar gelegaliseerd en de voorwaarden voor buitenlandse investeringen zijn gunstiger dan ooit. Een groot aantal buitenlandse bedrijven heeft dankbaar van de mogelijkheden geprofiteerd en het aantal joint ventures groeit nog steeds.
De buitenlandse bedrijven zijn in feite ook een voorbode van het post-Castrotijdperk. 'Ze willen er allemaal op tijd bij zijn’, verklaart een westerse diplomaat de populariteit van Cuba bij ondernemers. 'Als de relatie met de Verenigde Staten is genormaliseerd, is Cuba een gouden plek om te zitten: de beroepsbevolking is hoog opgeleid, de lonen zijn laag en het land is slechts 150 kilometer verwijderd van de Verenigde Staten. Ook de infrastructuur is vrij goed. De industrie ligt wel op zijn gat, wegens gebrek aan grondstoffen en reserveonderdelen voor de machines, maar dat is vrij gemakkelijk weer recht te trekken.’
De economische overlevingsstrategie heeft echter alleen maar geleid tot meer frustratie bij de Cubanen. Slechts zij die toegang hebben tot dollars, zijn in staat de torenhoge prijzen op de zwarte markt en in de dollarwinkels te betalen. Een ober in een toeristenhotel is daardoor beter af dan een hartspecialist die veertien jaar heeft gestudeerd. Deze kan met zijn loon - rond de 450 pesos, omgerekend inmiddels zeveneneenhalve dollar - op de bon weliswaar voedsel krijgen, maar het maandrantsoen waar een Cubaan recht op heeft, is na een week meestal op. 'Als ik honger heb, ga ik naar het balkon en neem ik een hap lucht’, is een geliefde grap van Estrella Garcia, die zegt in een half jaar zo'n veertig kilo te zijn afgevallen.
In een nieuwe poging de onvrede te bekoelen en de schaarste te verminderen hebben de autoriteiten per 1 oktober een vrije markt ingevoerd voor de meeste agrarische produkten. De staatsboerderijen en een handvol prive-boertjes mogen daar een deel van hun oogst verkopen tegen door vraag en aanbod bepaalde prijzen. Plotseling verschenen groente, fruit en vlees op de markt tegen prijzen die door het hoge aanbod al gauw onder het niveau van de zwarte markt lagen. Daardoor daalde ook de prijs van de dollar: was die in de zomer nog honderdtwintig pesos, inmiddels schommelt hij rond de zestig pesos.
Het hief het gebrek aan kleding en andere consumptiegoederen nog niet op. Daarom volgde op 1 november een nieuwe concessie: ook niet-eetbare spullen zijn voortaan op de vrije markt te verhandelen. Net als voor de agrarische producenten geldt echter dat de staatsbedrijven en prive-producenten van consumptieartikelen alleen de produkten mogen verkopen die overblijven als het met de staat overeengekomen quotum is afgedragen. Bovendien zijn alle voor de export bestemde produkten hiervan uitgezonderd.
De maatregel legaliseert een al lang bestaande praktijk, blijkt uit het verhaal van schoenmaker Carlos. Carlos heeft een vergunning om thuis schoenen te maken. Hier betaalt hij elk jaar een bepaald bedrag voor, waardoor hij aan materiaal kan komen. Tot nu toe was hij verplicht al zijn schoenen aan de staat te verkopen, tegen een vastgestelde prijs. 'Elke maand maak ik ongeveer 25 paar, die ik aan de staat verkoop voor 25 pesos (nog geen gulden - mdb) per stuk’, zegt hij. 'Tegelijkertijd maak ik ongeveer 25 paar die ik zwart verkoop voor vijfhonderd pesos per stuk. Ik leef continu in angst dat ze het ontdekken.’
Dat laatste is nu niet meer nodig, maar Carlos denkt niet dat hij nu vrij wordt gelaten om substantieel iets te doen aan het 'schreeuwende tekort’ aan schoenen. 'Als ze mij de machines en het materiaal geven, kan ik zo drieduizend schoenen per maand maken. Maar dat zullen ze niet toestaan: het is hier verboden om rijk te worden.’
Mensen als Carlos doen vermoeden dat Cuba na Castro zal uitgroeien tot een bedrijvig land. Buitenlanders zijn daar niet eens voor nodig. 'Ze praten nu met Argentijnse zakenlui, ze praten met Spanjaarden, Mexicanen, Fransen, Brazilianen’, foetert Carlos, doelend op de handelsdelegaties die de een na de ander naar Cuba komen. 'Maar waar blijven de Cubaanse investeerders? Waarom mogen we niet zelf aan de slag? Het enige wat de regering doet, is propaganda maken. Van elke tweehonderd woorden die ze spreekt, zijn er maar twintig waar. Maar de bevolking laat zich niet meer belazeren. Echt waar, als er nu presidentsverkiezingen zouden worden gehouden met een aap als enige tegenkandidaat van Fidel Castro, dan wint de aap.’
CARLOS’ PROGNOSE is misschien toch iets te simpel. De erosie van de steun voor de revolutie zet gestaag door, maar het regime slaagt er nog steeds in grote groepen mensen te laten opdraven om te tonen dat 'het volk’ achter de revolutie staat. Dat blijkt ook weer op de bijeenkomst met het motto 'Voor elke onwaardige zijn er honderd waardigen’ - een directe verwijzing naar de bootvluchtelingen - die plaats heeft op de trappen voor de universiteit. Zo'n zevenduizend studenten en scholieren zijn, vaak met de hele klas, naar de bijeenkomst gekomen. Ze zwaaien met vlaggen, roepen 'Weg met de Yankees’, houden portretten van Castro omhoog en juichen zijn broer Raul - minister van Defensie - toe, die glimlachend toekijkt vanaf de zijkant.
Je moet natuurlijk sterk in je schoenen staan om te weigeren mee te gaan naar zo'n manifestatie. En het optreden van de revolutionaire rockband Moncada is wellicht de belangrijkste reden dat de jongeren zo'n enthousiaste indruk maken. Maar Pablo Rozeingway Saborit, een bijna afgestudeerd student medicijnen die luid klappend meeswingt, lijkt oprecht als hij de revolutie verdedigt. 'In veel landen in Zuid-Amerika is de armoede erger dan in Cuba’, zegt hij. 'En nergens zijn zoveel artsen als hier.’
Het regime doet ook zijn best de verworvenheden van de revolutie tegen de gevolgen van de crisis te beschermen. De turnschool in het centrum van Havana, waar jongens en meisjes dagelijks trainen in paleiszalen die ooit werden bevolkt door welgestelde Spanjaarden, heeft net nieuwe matten gekregen uit Frankrijk. Vrolijk stuiteren de Olympische sporthelden van de toekomst over de nieuwe aanwinst.
Ook het grote psychiatrische ziekenhuis aan de rand van Havana staat hoog op de prioriteitenlijst bij het verdelen van de schaarse goederen. Dr. Rolando Valdes Marin, een vriendelijke zestiger, toont de opslagplaats waar stapels hulpgoederen uit Spanje staan. 'Het ziekenhuis krijgt voorrang bij het verdelen van voedsel’, zegt hij, 'zodat de patienten niet lijden onder de schaarste.’ Het ziekenhuis ontvangt graag buitenlandse gasten om te tonen hoe goed Cuba voor zijn gestoorden zorgt.
Rolando Valdes toont de ruime paviljoenen en de hallen waar patienten met mandvlechten bezig zijn. Elders op het terrein speelt een orkest de ouverture van Rossini’s Wilhelm Tell. Twee keer per week wordt hier een concert gehouden voor de patienten. Zo'n zestig muzikanten zijn in vaste dienst van het ziekenhuis. Desgevraagd beweren ze tevreden te zijn met hun bestaan.
Het orkest is een voorbeeld van een voorziening die in een kapitalistisch systeem zou worden wegbezuinigd. Het is daarmee gelijk een deel van de achterban van Castro: een groep mensen die min of meer tevreden is met haar bestaan en iets te verliezen heeft na een omwenteling. Volgens schattingen bestaat de achterban van Castro uit zo'n twintig procent van de bevolking. Daaronder veel gepensioneerden, die bang zijn hun pensioen te verliezen, en natuurlijk de militante leden van de communistische bewegingen.
VOOR GRAFISCH ontwerper Lorenzo Prieto, lid van de dissidente Associatie voor Vrije Kunsten (Apal), is het moeilijk voor te stellen dat de achterban van Castro nog zo groot is. 'Wie nu nog achter Castro staat, is of blind, of masochistisch.’ Een slechte behandeling viel hem vorig jaar zelf ten deel, toen hij slachtoffer werd van een typisch Cubaanse aanslag. Zou een politieke dissident in elk ander land vanuit een rijdende auto zijn beschoten, Prieto werd van zijn fiets getrapt door twee mannen die plotseling naast hem kwamen rijden.
Anders dan gematigde dissidenten als Roca of diens politieke geestverwant Elizardo Sanchez, ziet Prieto de verandering in Cuba zich alleen voltrekken als Castro voorgoed verdwijnt. Mogelijk dat iemand als Roberto Robaina, de huidige minister van Buitenlandse Zaken, hem opvolgt en dat die een werkelijke dialoog met de oppositie begint. 'Robaina, die een zeker charisma heeft, gedraagt zich nu als een trouwe marionet van Castro. Maar mensen hebben het recht om te veranderen. Ik wil niet helemaal uitsluiten dat Robaina zich ooit ontpopt als een Cubaanse Gorbatsjov.’ Maar voor dit soort speculaties zin hebben, moet het probleem Castro worden opgelost, verzucht Prieto: 'Hij heeft nog altijd de sleutel van de deur naar de toekomst in zijn hand.’
Een Cuba met een bloeiend religieus leven, een pluriform samengesteld parlement en een economie waarin het Cubanen weer is toegestaan winst te maken - de voortekenen zijn er, maar voorlopig ligt het nog achter de horizon. Als het zover is, zegt Prieto, 'dan moet de oppositie van nu hard werken om een bijltjesdag te voorkomen en te zorgen dat de mensen zich verzoenen met de voormalige medestanders van het bewind’. Dissidenten als Estrella Garcia, Vladimiro Roca en Lorenzo Prieto kunnen dan als voorbeeld dienen. Prieto: 'De bevolking moet haar haat onder controle kunnen houden. Wij hebben dat al geleerd.’
De namen van Sylvia en Carlos de schoenmaker zijn gefingeerd.