Syrische vluchtelingen in Libanon

‘Leven? Dit is geen leven’

Zeven miljoen Syriërs zijn inmiddels op de vlucht geslagen en daarvan bevinden zich tussen de één en anderhalf miljoen in verschrikkelijke omstandigheden in Libanon. ‘Een hele generatie wordt vrijwel van de kaart geveegd en wij hebben hier het gevoel dat dit nauwelijks leeft in de Europese huiskamer.’ Een reportage.

Medium syrie5

De regen gutst over de ongeplaveide straten. Vuil drijft in donkergrijze poelen rioolwater. Haastig loop ik met de Syrische vluchteling Reem al-Haswani (26) door de smalle straten vol groene vlaggen, woeste graffiti en afbeeldingen van wijlen ayatollah Khomeini, huidige ayatollah Khamenei en Hezbollah-leider Hassan Nasrallah. De arme sjiitische sloppenwijk is de poort naar het meer afgelegen Palestijnse vluchtelingenkamp Shatila.

Dit getraumatiseerde vluchtelingenkamp is een kleine stad van haastig op elkaar gemetselde flats, aangeschoten appartementen met kapotte trappen en half in elkaar gestorte gebouwen. Nergens een boom, of ook maar een struik. Beton, cement, afval en elektriciteitsdraden zo ver het oog reikt. De stroom wordt illegaal afgetapt want het kamp heeft nooit een eigen stroomvoorziening gekregen.

Op de begane grond van een van de halfvergane flats is een ruimte ingericht ter ere van de duizenden mannen, vrouwen en kinderen die in de jaren tachtig omkwamen bij de aanvallen van de sjiitische Amal-militie (zie kader). Door de verroeste tralies van het kapotte raam kijk ik naar de witte steriele ruimte met Palestijnse vlaggen, eindeloze rijen namen en hier en daar een palmtak op de grond.

Shatila maakt onderdeel uit van Dahya, de eindeloze Libanese banlieue in Zuid-Beiroet. Het is een niemandsland waar tienduizenden Libanese sjiieten, Palestijnse vluchtelingen en arme arbeidskrachten uit Azië en Afrika de mensonterende leefomstandigheden trotseren. Het Libanese leger en de Libanese politie laten zich hier niet zien, want het bestaan van deze eindeloze voorstad wordt grotendeels ontkend. Niemand wil weten hoe erg de situatie er echt is.

Op nog geen tien minuten rijden glinsteren de straten – met haast militaire precisie schoongeveegd door Afrikaanse gastarbeiders. Hoge torenflats verrijzen en de ene na de andere peperdure winkel opent zijn deuren. Het herbouwde stadshart van het ‘Parijs van het Midden-Oosten’ ligt er echter verlaten bij, het is een bastion van soldaten, checkpoints en wegversperringen. ‘Voor wie denk je dat dit centrum is gebouwd? Van wie is deze stad eigenlijk?’ vraagt mijn kersverse Druzische vriendin Cynthia. ‘Niet van de Beiroeti’s, maar van de rijke toeristen uit de Golf. We leven in godsnaam niet in fucking Dubai!’

Dahya is een kruitvat, het is wachten tot de vlam in de pan slaat.

‘Schiet op’, zegt Reem. ‘En maak geen foto’s!’ Behendig duwt ze me naar voren, dwars door de regen die met bakken uit de hemel valt. Het is een van de eerste herfststormen in dit ‘Zwitserland van het Midden-Oosten’.

De sjiitische wijk Ghobeiry is compleet in handen van Hezbollah, die de kant van de Syrische president Assad heeft gekozen. Hier rekruteert de organisatie jonge mannen die aan de andere kant van de grens de vieze klusjes voor Iran opknappen. In ruil voor wapens en vooral veel geld fungeert Hezbollah al jaren als de lange arm van Teheran. Syrische vluchtelingen zoals Reem moeten op hun hoede zijn voor de sjiitische strijders die in iedere tegenstander van Assad een vijand zien. Ook voor journalisten is de wijk niet ongevaarlijk. Wie in sjiitisch gebied ontdekt wordt en geen formele toestemming van Hezbollah heeft, kan op weken, zo niet maanden gevangenschap rekenen – of erger nog.

‘Zijn er veel spanningen?’ vraag ik, de plassen mijdend. ‘Ja!’ schreeuwt Reem boven de herrie van de kletterende regen en de dwingende oproep tot het gebed uit. ‘Vorige week is het bijna misgegaan. Een Syrische Palestijn kreeg ruzie met een van de Libanese Palestijnen in het kamp. Er ontstond een vuurgevecht waarbij per ongeluk een Libanese sjiiet uit het gebied van Bourj al-Barajneh gewond raakte. Onmiddellijk hebben alle stamhoofden en partijleiders van de verschillende Palestijnse facties zich verenigd en zijn ze naar de familie van het slachtoffer getrokken. Ze hebben de rituele gebeden verricht en bloed gedoneerd. Maar we bleven dagenlang vrezen voor sjiitische represailles. Vrouwen en kinderen bleven binnen terwijl de milities van de verschillende Palestijnse facties corridors vormden en iedereen in opperste staat van paraatheid was. Het is echt wachten tot het een keer mis gaat en de sjiieten onze wijk aanvallen.’ Ze kijkt aarzelend voor zich uit. Dan buigt ze zich iets naar me toe en fluistert: ‘Er zijn ook problemen tussen de Syrische en Libanese Palestijnen.’

De kampen zijn al decennialang een hoofdpijndossier voor de Libanese regering. En nu extra, omdat het land wordt overspoeld door Syrische vluchtelingen. Onderdeel van dat vluchtelingenprobleem zijn ook de naar schatting 500.000 Palestijnse vluchtelingen in Syrië die als ratten in de val zitten. Zo’n 60.000 van hen wonen nu in de verschillende Palestijnse vluchtelingenkampen in Zuid-Beiroet. De anderen zitten omsingeld door Assads troepen in de Palestijnse kampen rond Damascus en worden dagelijks met zwaar geschut beschoten. Wie nog binnen is wacht een hongerdood, want het leger heeft iedere toevoer van voedsel en andere hulpgoederen afgesloten.

Libanon wordt door de internationale gemeenschap geprezen omdat het als enige buurland van Syrië de grenzen permanent geopend houdt. De reden hiervoor is echter eerder praktisch dan menslievend: het is voor het zwakke en kleine Libanese leger onmogelijk de bergachtige grens met Syrië te bewaken.

Daar waar het wél lukt, komt niet iedereen binnen. Zo zijn Palestijnse mannen niet meer welkom. Dit selectieve beleid zorgt voor opgesplitste gezinnen, vrouwen en kinderen hier, mannen en zonen daar – vast in kampen of opgejaagd door de verschillende strijdende partijen. Ook vrouwen komen steeds moeilijker binnen. ‘Ik zat een maand vast aan de andere kant van de grens’, vertelt Amraha, een Syrisch-Palestijnse vrouw en moeder van vier dochters. Ze ging terug naar Syrië om afscheid te nemen van haar zieke moeder, maar ontdekte bij terugkeer naar Libanon dat ook zij niet meer de grens over mocht. Gelukkig wisten enkele Syrische hulpverleners tussenbeide te komen en werd Amraha met haar kinderen herenigd. De meeste Palestijnse vluchtelingen ontberen echter dit soort connecties.

Medium syrie2

‘We zijn constant op zoek meer fondsen, alle lidstaten hebben diep in de buidel getast.’ De EU-ambassadeur in Libanon heeft mij op een mooie zondagmiddag uitgenodigd in haar privé-verblijf – een ruime villa boven op de groene bergen van Beiroet. Met piepende banden en gillende sirene word ik door haar veiligheidspersoneel in een compleet geblindeerde auto bij de stalen poort van haar woning afgezet. Ze heeft de aantallen vluchtelingen in Libanon enorm zien toenemen. ‘We hebben als EU al twee miljard euro besteed aan hulp, waarvan vijfhonderd miljoen in Libanon’, vertelt ze, ‘maar dat is verre van voldoende. De behoeften zijn niet te beschrijven.’

Veel hulpverleners blijken maar gedeeltelijk op de hoogte te zijn van de situatie ter plaatse. Zo is het hen vaak volstrekt onbekend dat ook Syrische vluchtelingen hun toevlucht hebben gezocht in de soennitisch-Palestijnse kampen van Dahya. Het is de laatste plek waar de Syriërs de exorbitant hoge huren nog een beetje kunnen opbrengen. Met de komst van ruim 800.000 bij de VN geregistreerde Syrische vluchtelingen naast de al 350.000 aanwezige Syrische gastarbeiders is woningnood een van de meest prangende problemen in Libanon. De huren zijn op z’n minst verdriedubbeld, zo niet verviervoudigd. Gezinnen met vier of vijf kinderen wonen in slecht of niet geventileerde kamers van nog geen vijftien vierkante meter zonder verwarming, stromend water of sanitaire voorzieningen voor 250 tot 400 dollar per maand. De haast onbetaalbare huren maken vooral alleenstaande vrouwen kwetsbaar voor chantage. Zo vertelt de Syrische hulpverlener Fadi Hallisso (33) het verhaal van twee weduwen die beiden na twee maanden de huur niet meer konden betalen. In ruil voor seksuele gunsten mochten zij van de huisbaas met hun kinderen in de krappe kamer blijven wonen. Het is de harde realiteit van de vluchtelingeneconomie waarbij de vraag ver boven het aanbod uitstijgt. Andere vluchtelingen overnachten voor de glimmende puien van restaurants en winkels of richten zelf provisorische tentenkampen op.

Met het schrikbeeld van jarenlange Syrische inmenging en de Palestijnse vluchtelingenproblematiek in het achterhoofd zijn veel Libanezen de Syrische vluchtelingen liever kwijt dan rijk. Hulporganisaties wordt dan ook verboden permanente tentenkampen op te richten.

Het duurde lang voor de internationale gemeenschap het vluchtelingenprobleem in Libanon onderkende. Voor Turkije en Jordanië bestond al langer aandacht, maar pas in de zomer van vorig jaar kwamen de eerste gecoördineerde hulpprojecten voor Libanon op gang.

‘Mensen dachten dat de vluchtelingen die naar Libanon trokken relatief beter af waren, vooral van de vluchtelingen in de hoofdstad werd dat verwacht’, legt Fadi me uit. ‘Maar niets is minder waar, op de welgestelde gezinnen en zakenmensen na hebben de meeste vluchtelingen het hier heel erg moeilijk door de hoge levenskosten en beperkte hulp van buitenaf.’ Zelf richtte hij samen met Reem en haar vriendje Farees de hulporganisatie Basmeh wa Zeitouneh (Hulp Ontwikkeling) op. Samen met steeds meer betaalde en onbetaalde hulpverleners proberen ze steun te bieden aan de honderdduizenden Syrische vluchtelingen.

In eerste instantie werkten de christelijke hulpverleners vooral in Shatila maar de afgelopen maanden proberen ze hun activiteiten ook uit te breiden naar de Beka’a-vallei. Samen met Fadi, Farees en de christelijke Syrische Palestijn George reis ik naar de Beka’a-vallei. Het landschap oogt Toscaans, wat prachtig zou zijn als het niet zo rommelig was volgebouwd. Bergen plastic tasjes en ander afval glimmen langs de weg. De drie hulpverleners waren betrokken bij de volksopstand tegen president Assad. Ze voelen zich verantwoordelijk voor de chaos en het geweld in Syrië en willen er alles aan doen om de Syrische vluchtelingen te helpen. Die zijn in hun ogen slachtoffer geworden van een revolutie die zich ontpopte tot een geopolitieke burgeroorlog. ‘Ons primaire doel is het verstrekken van hulp aan al deze vluchtelingen’, vertelt Fadi. ‘Daarnaast vind ik het zelf belangrijk de depressieve en schuldbewuste Syrische activisten van het eerste uur een tweede kans te geven. Je had ze een jaar geleden moeten zien, ze wilden het liefst dood of vluchten naar Europa, en het liefst nog allebei.’

Medium syrie

We bezoeken het dorp Majdal Anjar, dat op tien minuten van de Syrische grens ligt. Het is een soennitisch dorp in overwegend sjiitisch gebied en daarom wemelt het er van de Syrische vluchtelingen. Aan de rand van het dorp staat een provisorisch kamp van 22 tenten, het maximum aantal toegestane tenten per kamp in dit gebied. De bruine verschoten tenten zijn afdankertjes van de unhcr en stammen vermoedelijk uit de Libanese burgeroorlog of de Israëlische aanvallen van 2006. De tenten zijn niet waterdicht en bieden geen bescherming tegen drukkende hitte of snijdende kou. De 120 vluchtelingen die op het terreintje zo groot als een half voetbalveld opeengepakt zitten achter kippengaas zijn weliswaar geregistreerd, maar hebben nog nooit een medewerker van de VN gezien.

‘De man van deze vrouw hoeft niet te overlijden, maar wie besteedt er nou 20.000 dollar aan een stervende Syriër?’

Bij aankomst in het dorp hebben de vluchtelingen een noodhulppakket van de gemeente gekregen, waarna ze aan hun lot zijn overgelaten. Het kamp staat er nu een jaar. Met grote armgebaren vertelt een groep vrouwen me over de afgelopen winter toen de temperaturen dik onder het vriespunt lagen en er zeven centimeter sneeuw lag. Ze vrezen de komende winter die nog veel zwaarder zou kunnen worden.

Er is geen werk in het dorp. De tientallen kinderen gaan niet naar school. Aan gezonde voeding, kleding en de meest essentiële basisvoorzieningen heerst gebrek. De kinderen zien er vies uit. Tot overmaat van ramp hebben de inwoners deze week te horen gekregen dat ze het kamp moeten evacueren. De gemeente vindt namelijk dat de voorziening te permanente vormen aanneemt.

‘We hebben drie opties’, legt een van de oudere mannen in het kamp uit terwijl hij de vingers op zijn hand af gaat. ‘De straat, de straat of terug naar Syrië.’

In een dorp verderop is de situatie mogelijk nog benauwender. Zodra ik bij het kamp uit de auto stap slaat de penetrante geur van urine en uitwerpselen me tegemoet. De kinderen klitten bij elkaar en rennen als gekken rond. Hun hyperactieve gegil maakt het haast onmogelijk de volwassenen te verstaan, die dankbaar de meegenomen platte broden in ontvangst nemen. Ook dit kamp is vrijwel afgesloten van internationale noodhulp, maar de vluchtelingen zijn tenminste bij de lokale autoriteiten bekend en zichtbaar. De meeste Syrische vluchtelingen lijden in stilte, ver uit het zicht van burgers, de lokale overheid en de internationale gemeenschap.

Zo ontmoet ik in een nabijgelegen half afgebouwde flat vier jonge meisjes die zich angstig in het hoekje van een ijskoude betonnen kamer verschuilen. Er is geen raam of verwarming. Samen met hun moeder en tante, een oorlogsweduwe, zijn ze door hun vader naar Libanon gestuurd omdat ze in Damascus te veel kans liepen te worden ontvoerd of verkracht door shabiha – de bloedhonden van Assad. Zelf kon hij niet meekomen omdat hij in door het Vrije Syrische Leger gecontroleerd gebied woont en daarom door het regime als vijand beschouwd wordt. Hoewel het een warme dag is, is het in de woning steenkoud. De meisjes rillen van de kou. De oudste dochter verdient tweehonderd dollar per maand als lerares op een nabijgelegen school, maar de huur van het gedeelde half afgebouwde appartement is 350 dollar per maand.

Lokale hulpverleners en organisaties hebben amper overzicht over de aard en omvang van het totale vluchtelingenprobleem. Volgens de unhcr is de Syrische vluchtelingencrisis de grootste constante menselijke crisis die ze ooit hebben meegemaakt. En er zijn voortdurend nieuwe, acute problemen, weet de EU-ambassadeur. Zo moeten alle kinderen nu in Libanon tegen polio gevaccineerd worden, omdat in Syrië tien gevallen van de ziekte zijn geconstateerd.

Met een totaal van zo’n zeven miljoen intern en extern ontheemden (eind volgend jaar waarschijnlijk tien miljoen) is de vluchtelingencrisis van Syrië de grootste menselijke tragedie van deze tijd. ‘Stel je voor dat één op de drie steden, dorpen en huizen in Nederland verwoest is’, schetst Fadi de situatie tijdens de lange autorit. ‘Volgend jaar heeft waarschijnlijk één op de twee Syriërs huis en haard moeten verlaten. De wereld weigert te erkennen dat ze medeverantwoordelijk is voor deze enorme chaos. Deze oorlog raakt heel gewone mensen, mensen zoals jij en ik.’

Hulpverleners schatten het werkelijk aantal vluchtelingen in Libanon op anderhalf miljoen. Door logistieke problemen staat lang niet iedere vluchteling bij een van de vier VN-registratiepunten ingeschreven. Onvoldoende geld en angst voor doortocht door sjiitisch leefgebied belet velen hun bestaan kenbaar te maken.

‘We zijn er.’ Reem wijst trots naar een smalle betonnen trap zonder leuning. De Hezbollah-vlaggen hebben plaatsgemaakt voor de Palestijnse vlag. Op muren, spandoeken en borden schitteren afbeeldingen van de Rotskoepelmoskee. We betreden een klein appartement dat is omgevormd tot een minikliniek van Artsen Zonder Grenzen. Eén verdieping hoger is het buurtcentrum en tevens kantoortje van Basmeh wa Zeitouneh. Syrische en Syrisch-Palestijnse vrouwen heten me van harte welkom. De krappe ruimte is hun tweede thuis geworden. Maanden zaten de vrouwen gedeprimeerd en angstig in hun donkere, vochtige kamers. Nu komen ze hier elke dag samen om naai-, brei- en borduurcursussen te volgen. Ze maken sjaals, mutsen, slopen, handschoenen, jurkjes en ander handwerk dat gretig aftrek vindt bij rijke vrouwen in de Arabische Golfstaten. De handwerkworkshop is een van de vele kleinschalige initiatieven van de Syrische hulporganisatie die bestaat uit vijftig min of meer betaalde lokale medewerkers, vijftig vrijwilligers en de vijftig vrouwen die een inkomen genereren uit het handwerk.

Met donaties van rijke Syriërs en Libanezen organiseren de medewerkers kinderactiviteiten, geven Engelse les en computerles en verlenen in samenwerking met Artsen Zonder Grenzen gratis medische hulp. Dekens, matrassen, graan, rijst, blikken bonen en halal-boterhamworst worden vanuit een klein distributiekantoor in het kamp verstrekt aan de meest acute probleemgezinnen. Voor weduwen en chronisch zieken is er een financieel steunfonds.

Soms is er hulp van een donororganisatie. Zo is Reem – oorspronkelijk architect – verantwoordelijk voor de lokale teams die de slechtste woningen in Shatila proberen op te knappen. Ze hebben tot dusver 22 huizen gerenoveerd en er komen er nog zes bij. De activiteiten van Basmeh wa Zeitouneh vormen echter een druppel op een gloeiende plaat. Voor iedere weduwe die wordt geholpen zijn er wellicht vier anderen voor wie geen hulp is. De problemen variëren van seksuele uitbuiting tot tekorten aan maandverband, brandstof en voedsel, massawerkloosheid, acuut instortingsgevaar van woningen en onvoldoende onderwijs. Dit laatste raakt vooral de naar schatting 320.000 Syrische kinderen in de schoolgaande leeftijd die niet bij de unrwa-scholen terecht kunnen omdat ze niet Palestijns zijn. Volgens de Libanese overheid is er vanaf september dit jaar sprake van double shifts in Libanese publieke scholen, maar voorzover ik kon nagaan is dat niet het geval. De meeste kinderen zijn al drie jaar niet naar school geweest. ‘Het Libanese ministerie van Onderwijs heeft laten weten dat ze maar 25.000 kinderen kunnen binnenhalen’, vertelt de EU-ambassadeur. ‘De double shifts zijn te duur en de maximumcapaciteit is bereikt. Ondertussen zijn er wel lege klaslokalen en werkloze docenten, dat kan natuurlijk niet. We moeten absoluut investeren in onderwijs en gezondheidszorg voor deze kinderen.’

Een ander dringend probleem zijn de torenhoge medische kosten. Zo vertelt Fadi me over een vrouw wier man door een mortieraanval werd getroffen en grotendeels verlamd raakte. Door infecties en ernstige verwondingen laat zijn huid los. De man en vrouw konden nog net met hun kinderen naar Libanon vluchten, maar zijn niet in staat de 20.000 dollar kostende operatie te betalen. ‘De man kwijnt hier nu langzaam weg op een matje. We hebben haar in het weduweprogramma gestopt zodat we het gezin in ieder geval zo veel mogelijk kunnen helpen.’ De VN betalen tot 75 procent van de medische kosten, zo legde een medewerker van Stichting Vluchteling me eerder uit. ‘Maar de laatste 25 procent zijn voor de meeste onverzekerde vluchtelingen te hoog.’ Fadi: ‘De man van deze vrouw hoeft niet te overlijden, maar wie besteedt er nou 20.000 dollar aan een stervende Syriër? En zoals hij zijn er velen.’

Medium syrie3

Aan het eind van onze dag in de Beka’a-vallei nemen we afscheid van Farees, die even later de grens oversteekt om lokale activisten in Syrië op te zoeken. Ook daar is Basmeh wa Zeitouneh actief. Onder meer in Aleppo, waar de organisatie een schooltje runt en een buurtcentrum heeft opgericht waar dagelijks 16.000 maaltijden worden gekookt.

Daar is de situatie uiterst gecompliceerd. In het kantoortje in Shatila tekent Reem een ingewikkelde kaart met de door verschillende partijen en terreurorganisaties gecontroleerde gebieden. Ze heeft nog dagelijks contact met haar door de veiligheidsdiensten gezochte broer en ouders. ‘Mijn vrienden in Syrië verschuilen zich óf in hun huizen waar ze niets anders doen blowen en drinken óf hebben zich bij een van de oppositiegroepen aangesloten om te vechten, maar de meeste zijn dood.’ Ze vertelt over haar ex-vriendje, fotograaf bij Reuters, die door het Syrische leger door het hoofd werd geschoten. ‘Hij was een held en ik hield van hem’, zegt ze. ‘Wil je nog een sigaret?’

Alle vrouwen roken hier als ketters, bij gebrek aan alcohol. Shatila mag een straatarme wijk zijn, conservatief zijn haar inwoners niet. De sfeer in het buurtcentrum is gemoedelijk, er wordt zelfs gelachen. De vrouwen hebben allemaal hun eigen verhaal. Toonloos vertellen ze over arrestaties, martelingen, elektrocutie en dood – even schouderophalen, een scheve glimlach, dan snel een afgewende blik.

In de daaropvolgende dagen nemen Palestijnse Syriërs me mee naar hun huizen en vertellen me waar ik wel en niet kan fotograferen. De vluchtelingen zijn de angst en schaamte voorbij. Zonder schroom laten ze me zien hoe ze met acht of negen familieleden de dagen in hun krappe vochtige kamers doorbrengen. Er is meestal geen stromend water, behalve dan de regen die overal door naar binnen lekt. Dahya kent geen riolering. Iedere week sterft er wel iemand door elektrocutie, of een kind maakt een fatale val van een van de vele leuningloze trappen in de half afgebouwde appartementen.

‘Hoe is het leven hier?’ vraag ik een Syriër die gevlucht is uit Homs. ‘Leven? Dit is geen leven. In Syrië hadden zelfs de honden een beter leven dan dit.’ Zijn gezin zit al zes dagen zonder water. De vijf kinderen gaan niet naar school. Het jongste kind was net met het leren van lezen en schrijven begonnen toen de school gebombardeerd werd. ‘Het Syrische regime bombardeert vooral de scholen, non-stop eigenlijk, er is haast geen school meer open in Syrië. Dit is de nieuwe crisis in wording: de schoolloze generatie die nu opgroeit’, verzucht Reem.

In het kamp moet ik moet voortdurend op m’n hoede zijn om niet een van de Palestijnse milities voor het hoofd te stoten. Maar de mensen zijn warm en gastvrij en op een gegeven moment word ik bij het kantoor van de Fatah-partij zelfs getrakteerd op Turkse koffie. Wie in Shatila woont, raakt gewend aan wapens, de geweersalvo’s en de explosies zo nu en dan. Een van de strijdende facties is pro-Assad en veroorzaakt veel onrust in de wijk. Haastig drukt Omar me een steeg in als ik per ongeluk bijna een foto van drie van hun strijders maak.

Omar is drie maanden lang gemarteld in een van de beruchtste gevangenissen van Damascus. Het is een serieuze jongen van pas twintig jaar, die consequent weigert zijn voedselpakket voor zichzelf te houden. Praten over wat hij gezien heeft, wil hij niet. Een andere Palestijnse Syriër doet dat wel. ‘Ik ben negen uur lang vastgehouden en heb in die negen uur de duivel gezien.’ De Syrische loodgieter vertelt over kamers waarin water onder stroom staat, waarna de gearresteerde met stokken wordt geslagen zodat hij met zijn gezicht in het water valt, overlijden doe je net niet, je longen uit je lijf schreeuwen en levend verbranden wel. Omar staart naar de grond. ‘Jij zag de duivel, ik sliep in zijn kamer.’

Diep in Shatila dringt het zonlicht niet meer tussen de smalle huizen door. Werkloze jongens hangen stoned rond of spelen wat met hun geweren. Af en toe krijg ik een opmerking naar m’n hoofd geslingerd, maar het is dag, dus de mannen laten me met rust. ‘Maar zodra de zon onder gaat kun je hier als vrouw niet meer over straat’, waarschuwt Reem. ‘Hier geldt het recht van de sterkste, en dat is de man met zijn gun.’

‘Van kinds af aan hoor ik negatieve dingen over de Syriërs. Ze zijn de bezetters, de onderdrukkers, de uitbuiters’

We beklimmen langzaam een verroeste trap. De treden zijn nog smaller dan mijn voeten. Boven op een compleet kapotgeschoten gebouw komt de geur van verrotting me tegemoet. Uit een berg puin steken doeken en kleding. Een gesluierde vrouw komt haastig op ons af. ‘Kom kijken hoe ik woon.’ Ze toont me een kamer van nog geen vijf vierkante meter, de buitenkant van de flat is open en slechts afgedekt met een doek. Als je over de natte vloer uitglijdt stort je vier verdiepingen naar beneden.

‘In Syrië bestonden zulke wijken niet’, vertelt Reem. ‘Het land is veel armer dan Libanon, maar de sociale ongelijkheid was minder groot. Ook de Palestijnse kampwijken bij ons waren er veel beter aan toe.’ De enorme ongelijkheid is in de bergstaat geïnstitutionaliseerd.

Medium syrie6

Ondanks alle ellende in hun land leven, bouwen, drinken, eten en vrijen de meeste Libanezen alsof het een lieve lust is. Avond na avond drink ik prijzig bier en dure wijn met homoactivisten, feministen, mensenrechtenactivisten, zakenmensen en jonge topstudenten. Ze staan compleet onverschillig of vaak ook vijandig tegenover de gevluchte Syriërs die in de media worden afgeschilderd als ‘parasieten’ en ‘profiteurs’. Geloof in de politiek hebben ze niet, nooit gehad ook, en geloof in de mensheid is de meesten ook onbekend.

De activisten onder hen doen wat ze kunnen doen, maar hebben constant het gevoel dat ze tekortschieten. ‘Ik vecht tegen m’n eigen schuldgevoel en daarnaast tegen mijn eigen volk dat maar niet wil inzien hoe slecht deze mensen eraan toe zijn’, vertelt Ren (23). Ze is een grafisch vormgever die juist afgelopen jaar besloten heeft politicologie te studeren in de hoop iets wezenlijks te veranderen. Samen met een vriendin is ze een digitale doneer-een-dekencampagne op Facebook begonnen. In het café van het radicale feministisch collectief Nasawiyya verzamelen ze dekens, oude kleding, speelgoed en ander non-food.

‘Vorig jaar winter huilden mijn vrienden en ik om de Syriërs die doodvroren in de kou’, herinnert Ren zich. ‘Natuurlijk doneerden we geld en dekens, maar we waren veel te laat. Daarom besloten we dit jaar een meer gecoördineerde campagne op te zetten. Als Libanezen zijn we naar het Syrische actiecomité gegaan om te zien waar de hulp het hardst nodig is. Het idee is om vijf maanden lang kleding en dekens in te zamelen voor vijf verschillende kampen. Deze distribueren we zelf zodat we de Syriërs kunnen laten zien dat er Libanezen zijn die wél naar hen omzien. De noden zijn veel hoger, maar het is tenminste iets, een kleine stap vooruit.’

Juist op dat moment stopt er een auto voor het café en stapt er een dikke man in pak uit. Onmiddellijk springt Ren op en rent naar buiten. Vijf minuten later komt ze terug met vijf enorme vuilniszakken vol kleding.

‘In het begin moesten we voortdurend uitleggen waarom we Syriërs helpen en niet onze eigen arme Libanezen’, vervolgt ze. ‘Van kinds af aan hoor ik negatieve dingen over de Syriërs. Ze zijn de bezetters, de onderdrukkers, de uitbuiters. Weinigen zien dat deze vluchtelingen juist het slachtoffer zijn van onze oud-bezetter. Je zou mijn eigen ouders moeten horen! Mijn vader klaagde over Syriërs die een appartementje huren en er met twintig intrekken. Terwijl die mensen ook gewoon familieleden helpen. We hebben zelf allemaal de oorlog meegemaakt, maar toch heeft dat slechts bij weinigen begrip gekweekt.’ Ze zucht en neemt een hap van haar broodje ei. Dan schiet ze weer overeind en slaat met haar vuist op tafel. ‘De media weten precies op te sommen waarom de vluchtelingen een economische ramp zijn, maar niemand heeft het over de vele Syrische zakenlieden die hun bedrijven in eigen land vaarwel hebben gezegd en hier nieuwe succesvolle start-ups begonnen zijn.’ Toch geeft ze niet op. ‘Mijn ouders hebben driekwart van hun kleding gedoneerd’, zegt ze met een glimlach. ‘Mijn argument? Jullie gebruiken het toch niet en anders kopen jullie maar nieuwe kleren, dat is een goede investering in de Libanese economie.’

Het is opmerkelijk hoe Libanezen hun eigen stad en land ophemelen en tegelijkertijd vanuit de grond van hun hart haten. Na jaren van bloedige burgeroorlog en onderlinge strijd is de politiek in een totale impasse beland en vlucht de jeugd het land uit op zoek naar werk en een leven los van de oorlogsdreiging.

‘Ik ben zo moe, gewoon zo moe, onze hele generatie is leeggezogen – totaal op. We hebben nog geen dag rust gehad. Altijd is er weer iets. In 2005 demonstreerden we met ruim tweederde van de bevolking tegen de constante Syrische aanwezigheid, toen volgden de Israëlische bombardementen en nu haalt de situatie in Syrië ons weer in’, zegt Yusra, een Libanese vriendin werkzaam voor Première Urgence en belast met het distribueren van voedselcoupons en cash cards voor de Syrische vluchtelingen. Met dikke wallen onder de ogen werken zij en haar collega’s dag en nacht om de eindeloze stromen vluchtelingen van – steeds minder – hulp te voorzien.

In de kelder van de Hamra-moskee schakelen de vluchtelingen zich aaneen tot een eindeloos lange menselijke keten. Braaf zitten de vrouwen en mannen op de hotelachtige stoelen tot ze met hun nummertje langs de balie mogen. Hamra is een van de hipste wijken van Beiroet. Internationale hulporganisaties lieten de stad lang links liggen – wie zich immers een leven in deze stad kon veroorloven moest er wel goed aan toe zijn. Maar ook in deze rijke wijk is de nood groot.

De VN hebben moeten besluiten de hulp te verminderen. In het distributiekantoor in Hamra zie ik de eindeloze lijsten met namen van mensen die vanaf volgende maand geen steun meer krijgen. ‘Daar begrijp ik niets van’, verzucht Yusra. ‘Kijk bijvoorbeeld naar de situatie van deze vrouw.’ Ze schuift me de papieren toe van de vrouw die voor de balie staat. ‘Jonge weduwe, drie kinderen, ze woont hier in de kelder van de moskee maar ontvangt vanaf volgende maand geen hulp meer. De criteria zijn volstrekt onduidelijk. Ah fuck, kijk dan, ze moet huilen.’

De vluchtelingen zijn onrustig. Mannen verschijnen tam met grote ogen voor de haastig ingerichte balie. Er wordt stil gehuild. Officieel weten de vluchtelingen nog niet dat ze van hulp afgesneden zijn, ‘maar ze voelen het aan, de angst en radeloosheid zijn enorm’.

‘Die hele VN is één grote criminele bende’, sist Hassan, een bebaarde jongen met een Simpsons-T-shirt die het hoofd is van dit distributiekantoor. ‘Laat ze simpelweg iedereen uit het programma gooien, dat is nog eerlijker dan deze laffe halfslachtigheid.’

‘Weduwen, chronisch zieken, ik zie mensen afgesneden worden die deze winter niet overleven zonder dagelijkse noodhulp’, vertelt Yusra.

Medium syrie4

‘Een hele generatie wordt vrijwel van de kaart geveegd en wij hebben hier het gevoel dat dit nauwelijks leeft in de Europese huiskamer’, merkt de EU-ambassadeur op. ‘Europese landen zijn onvoldoende bereid om Syrische vluchtelingen op te nemen. Er wordt veel gepraat en veel vergaderd. Hoeveel conferenties zijn er niet geweest? Ik beweer heus niet dat de EU alles goed doet, maar we hebben wel snel en grootschalig gereageerd. Nu moeten het bedrijfsleven en filantropen voor meer geld zorgen.’ Ze wordt vaak geconfronteerd met moedeloosheid en onmacht. ‘Veel vluchtelingen worden wel geholpen en enorm veel mensen doen goed werk. Maar waar te weinig fondsen zijn, worden alleen de allerarmsten geholpen. En het ergste is dat er nog steeds geen uitzicht is op een einde van de oorlog.’

Die avond trakteer ik Yusra op een koffie in een cafeetje op de hoofdstraat van Hamra. Ze legt haar hoofd op mijn schouder en huilt. Ik kijk naar de Syrische bedelaartjes op straat en denk aan het verhaal dat Ren me de vorige dag vertelde. Iedere dag groette ze het jonge Syrische gezin met drie kinderen dat in Hamra rozen verkocht en bedelde. Hun situatie was uitzichtloos. De ouders konden geen woonruimte vinden en ze werden regelmatig door passanten geschoffeerd. Dus besloten ze op een dag terug te keren naar Syrië. ‘Het meisje vertelde dat ze blij was dat ze dan eindelijk weer kon douchen en een eigen bed zou hebben’, herinnerde Ren zich. Ze hield contact, ook toen het gezin weer in Damascus woonde. Totdat ze op een dag niets meer hoorde, nu drie maanden geleden. Het gezin is vermoedelijk het zoveelste slachtoffer van de opgehaalde schouders van de wereldgemeenschap.


Shatila en de Palestijnse kwestie

De Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila waren wereldnieuws tijdens de Libanese burgeroorlog. Nadat Israël in 1982 het bergstaatje Libanon was binnengevallen en het geweld tussen de vele verschillende strijdende partijen een nieuwe climax had bereikt, wisten de Verenigde Naties een overeenkomst met de plo te sluiten. De Palestijnse strijders lieten zich naar Tunesië evacueren in ruil voor de bescherming van Palestijnse burgers. Toen de evacuatie was voltooid, de kampen waren ontwapend en de Verenigde Staten zich hadden teruggetrokken, viel Israël onverwacht West- en Zuid-Beiroet binnen. De Israëlische troepenmacht onder leiding van generaal Ariël Sharon stond toe dat de Falange, een Maronitische christelijke militie, een slachtpartij aanrichtte onder de resterende (oude) mannen, vrouwen en kinderen. Tot op de dag van vandaag bestaat er onenigheid over het aantal slachtoffers, dat volgens schattingen uiteenloopt van 750 tot 3500 doden. De meeste historici gaan uit van duizend slachtoffers.

Veel minder bekend in de westerse wereld is echter dat de daaropvolgende drie jaar de sjiitische Amal-militie de kampen heeft omsingeld, waarbij de inwoners werden uitgehongerd en gedood. De nabestaanden en hun kinderen wonen nog steeds in dezelfde kapotgeschoten kampen.

De 400.000 Palestijnen hebben tot op de dag van vandaag geen staatsburgerschap, geen werkvergunning, geen politieke vertegenwoordiging, geen toegang tot Libanese publieke en private scholen, geen recht op kapitaalbezit zoals huizen of auto’s en ze zijn voor alles afhankelijk van de United Nations Reliefs and Works Agency (unrwa), die al meer dan zestig jaar belast is met het groeiende Palestijnse vluchtelingenprobleem in de regio.

Beeld: Saygin Serdaroglu / HH