Interview met schrijver Ali Eddaoudi

Leven en laten leven

Schrijver Ali Eddaoudi, óók in Nova toen imam el-Moumni daar sprak over homoseksualiteit, heeft twijfels bij de Nederlandse verdraag zaamheid. «Veel allochtonen zijn hier doodongelukkig.»

«Een Nederlandse imamopleiding werkt niet. Het is typisch zo'n idee dat Nederlandse politici samen met een paar vooraanstaande Marokkanen bedenken zonder zich te verdiepen in de praktijk. Wie wil er nou nog imam worden? Een imam is niet gezaghebbend zoals een dominee of priester, hij heeft geen rechtspositie maar een dienstbare status. Hij moet het niet wagen zich te bemoeien met iemands privé-leven zoals de pastoor die vroeger bij echtparen langskwam om aan te dringen op meer kinderen. Eén keer in de week, op vrijdag, heeft de imam enig moreel gezag en verder is hij ondergeschikt aan zijn moskeebestuur en in principe aan alle gelovigen. Als een groep moskeegangers hem niet mag, kunnen ze hem zonder pardon laten wegsturen.

Als jongere met belangstelling voor de islam ga ik toch niet in een moskee staan? Voor achttienhonderd gulden in de maand zit je daar de hele week van vroeg tot laat, je moet al het gezeur van moskeegangers aanhoren, je woont met je vrouw en kinderen in een achterkamertje zonder privacy. Geen wonder dat imams uit verre oorden moeten worden aangesleept. Die mensen zijn blij dat ze daar weg kunnen en hier een baantje krijgen. Wie op kantoor kan werken voor een leuk salaris, een huis en een auto onder zijn kont, wordt geen imam. En zo denken 250.000 Marokkanen met mij. In België doen ze het anders. Daar gaat justitie vanaf volgend jaar islamitische geestelijken inzetten als verzorgers in instellingen. Die verzorgers zijn in overheidsdienst en hebben een betere rechtspositie, je zou ze in zekere zin geestelijk leiders kunnen noemen. Maar dan doorbreek je de scheiding van kerk en staat. Kun je geestelijken van hogerhand opdrachten geven?»

Sinds de publicatie van zijn boek Marokkaanse jongeren, daders of slachtoffers (1998) heeft de 28-jarige voormalige «probleemjongere» Ali Eddaoudi zich een positie als onafhankelijk commentator verworven. Hij is leraar levensbeschouwing en werkt daarnaast als (islamitisch) geestelijk verzorger in penitentiaire inrichting De Koepel in Breda. In zijn tweede boek, dat vorig jaar verscheen, Hollandse nieuwe: Drie generaties Marokkanen aan het woord, schetst hij de levens van tien in Nederland woonachtige Marokkanen. Hun uiteenlopende ervaringen en opvattingen zijn een goede remedie tegen de vooroordelen over Marokkanen die momenteel weer de kop opsteken, maar Eddaoudi schuwt ook de confrontatie met Marokkaanse vooroordelen niet. Hij zoekt de discussie, reden waarom hij zijn medewerking verleende aan de Nova-uitzending van zes weken geleden waarin de Marokkaanse sjeik el-Moumni zijn gewraakte mening ten beste gaf dat homoseksualiteit een «schadelijke ziekte» is.

«Ik wist welk risico eraan verbonden was, ik heb genoeg ervaring met de pers. De journalist van Nova die mij per telefoon benaderde was heel negatief. Hij was uit op een rel en el-Moumni is daar met beide benen ingetrapt. Wat hij zei over homo’s was natuurlijk verkeerd. Het is triest als minderheden zich tegen elkaar laten uitspelen. Homo’s en andere minderheden hebben veel rechten bevochten waarvan wij als Marokkanen meesnoepen. Maar el-Moumni zei ook dat hij geweld tegen homo’s afkeurde, en die passage is er uitgeknipt. Toch, hoe slecht die uitzending ook was voor de beeldvorming, de discussie die nu op gang is gekomen is goed. Dit is nou integratie: vrijelijk spreken over thema’s die bij je eigen groep of een andere groep taboe zijn.

In de koepelgevangenis heb ik gespreksgroepen geleid over het thema homoseksualiteit, overigens vóór die Nova-uitzending. Ik confronteerde die jongens met de onhoudbaarheid van hun agressieve afwijzing van homoseksualiteit. De conclusie was: leven en laten leven, maar niet in onverschilligheid. Je moet leren nadenken over verschillen tussen mensen, leren de ander te begrijpen. Die jongens zijn vaak niet al te slim, maar wel eerlijk. In eerste instantie zeggen ze: ik schiet elke homo kapot, ook als het mijn zoon is. Na een tijd praten geven ze toe dat het veel moeilijker ligt en dat ze hun eigen zoon niet zouden vermoorden of zelfs maar verstoten als hij homo was. En dan vraag ik: maar waarom zou je andermans zoon dan wél verstoten? Na een paar weken was de heftigheid er wel af.»

Wat el-Moumni zei kwam voor zijn eigen rekening, benadrukt Eddaoudi. De homohaat onder jonge Marokkanen mag hier en daar tot problemen leiden, maar de agressieve houding die in Nova naar voren kwam, vind je alleen bij een minderheid. In de oorspronkelijke Marokkaanse cultuur is lijfelijk contact tussen mannen heel gewoon. Mannen lopen hand in hand in het openbaar. Eddaoudi: «Ik geneer me weleens wanneer ik in Marokko op vakantie ben en mijn neef omarmt mij op straat of houdt mijn hand vast alsof ik zijn vriendin ben.» Veertig jaar geleden, toen de traditionele dorpssamenleving met zijn sociale beperkingen nog intact was, was de seksuele omgang met andere mannen of met ezels en geiten niet ongebruikelijk. «Maar volgens de koran is het een zonde, als islamiet zou ik het voor mezelf niet kunnen verantwoorden en ik maak net als veel Nederlanders bezwaar als mensen ermee te koop lopen tijdens bijvoorbeeld de Gay Games in Amsterdam. Maar ik durf te wedden dat ik minder problemen heb met de aanwezigheid van homo’s in mijn persoonlijk leven of op mijn werk dan menige autochtone Nederlander. Ik heb homoseksuele collega’s, kennissen, vrienden en familieleden, voor mij is dat nooit een probleem geweest. Het zou een probleem zijn als mijn zoon homo was. Daar trek ik de grens. Ik zou hem niet verstoten, maar ik zou ook niet willen dat hij met zijn vriend langskwam. En ik vind dat ik die grens mág trekken. Vergelijk het met een Nederlands taboe: polygamie. Dat is een praktijk die hier wettelijk verboden is. Marokkanen hebben soms twee en een heel enkele keer drie of vier vrouwen. Het komt meestal doordat een man een zieke of frigide vrouw thuis heeft. Als een Nederlander een tweede vrouw zou nemen, zou zijn eerste partner dat niet accepteren en de rest van de samenleving ook niet, maar het wordt bij ons wel normaal gevonden.»

Wat integratie ook allemaal zou kunnen inhouden, het mag volgens Eddaoudi in elk geval niet worden verward met assimilatie. De roemruchte Nederlandse verdraagzaamheid komt maar al te vaak neer op onverschilligheid: men wil met rust gelaten worden en integratie wordt voornamelijk afgemeten aan succes. Als dat de maatstaf is voor een goede inburgering, schrijft hij in Hollandse nieuwe, dan zou de Chinees die zich de hele dag in zijn restaurant in het zweet werkt, Chinees nieuwjaar viert, feesten binnen de Chinese gemeenschap organiseert en zijn sociale contacten tot zijn eigen volk beperkt, de ideale allochtoon zijn. In werkelijkheid passen Marokkanen, met name de jongeren, zich opvallend goed aan de Nederlandse omstandigheden aan.

Eddaoudi: «Jonge Marokkanen weten bijvoorbeeld nauwelijks wat zich afspeelt in hun land van herkomst, veel minder dan bijvoorbeeld Turken. Die zijn chauvinistischer en meer betrokken, ze volgen de Turkse kranten en tv. Onder Marokkanen overheerst de passiviteit, die terneergeslagen sfeer van het koffiehuis die ik schets in mijn eerste boek. Ze zijn uitgestreden. De hoogtijdagen van het socialisme, het Arabisch nationalisme of het koningshuis zijn voorbij. Als je aan jonge Marokkanen vraagt wie de minister-president van Marokko is, dan weet driekwart het niet. Maar ze spreken beter Nederlands dan Turken, Chinezen en andere minder heden. Ze zijn ongelooflijk goed gebekt, en taal is wel de basis voor deelname aan de samenleving.

Een ander teken is dat de Marokkaanse gemeenschap momenteel uit elkaar valt waar je bij staat. De individualisering slaat toe en die komt niet uit Marokko, die is van hier. Je ziet het aan kleine dingen. Vroeger kwam je wekelijks met de hele familie bij elkaar, nu alleen op feesten. Vroeger waren Marokkanen voortdurend bezig met Marokko, ze stuurden cassettebandjes naar familie en vrienden in Marokko, ze communiceerden intensief. Nu niet meer. Je ziet het ook aan het feit dat vrouwen buitenshuis gaan werken. Veel Marokkaanse vrouwen werken in de schoonmaak wereld, die zien wij dus niet, maar ze zijn er wel. De cohesie van de Marokkaanse gemeenschap verdwijnt geleidelijk. Voorheen werd je uitgestoten als je een van de talloze sociale regels overtrad, nu aanvaardt men dat iedereen zijn eigen keuzes maakt.

Nederlanders zien dat niet omdat ze integratie gelijkstellen aan assimilatie, het overnemen van de cultuur en normen van de meerderheid. Dat wordt niet hardop gezegd, maar die eis is impliciet en daar komen vaak de negatieve berichten uit voort. Nederlanders fantaseren er graag op los over vrouwenonderdrukking. Ze zouden het liefst willen dat oudere Marokkaanse mannen meer in het huishouden doen terwijl de vrouwen zich buitenshuis ontplooien. Maar die mannen zijn niet de huistirannen die Nederlanders zich voorstellen. De vrouwen zijn de grote kracht in huis en vaak zijn die oude mannetjes heel lief. Ze doen geen vlieg kwaad. Ze zetten hun mutsje op, gaan naar de moskee of vallen op de bank in slaap. Voor de oudere generatie is die levenswijze hun houvast. Waarom mogen ze niet leven zoals ze willen?»

Voor de enige groep die echt problemen veroorzaakt, de jongste generatie criminele Marokkanen, heeft Eddaoudi geen goed woord over. «Ik ben daar nogal radicaal in. Ik zie in veel van die jongens beesten: ze zijn slecht opgevoed, veel te vrij gelaten, niet geaccepteerd door de maatschappij. Ze doen wat hun uitkomt en dat is levensgevaarlijk. Als het aan mij lag, zou ik ze op hun geweten aanspreken en confronteren met de gevolgen van hun daden. Ik zou met een groep van die jongens een paar maanden weg willen gaan, dan zou ik ze verbaal totaal kleineren en laten zien wat ze met hun gedrag allemaal kapotmaken.

De ouderwetse methode — die Turken nog steeds toepassen — is dat een kind in de puberteit een paar jaar wordt teruggeplaatst in Marokko. Marokkanen deden dat ook, totdat de Nederlandse samenleving het afwees als een vorm van onderdrukking en die kinderen zelfs terug ging halen. Het idee was goed: een soort stage in een veel hardere samenleving waar ze met weinig geld moesten zien te bestaan. Hier spreekt men je hooguit eens aan op wangedrag, daar krijg je een draai om je oren, het hele dorp wijst je na, je hebt geen aanzien, geen vrienden. In Nederland gebeurt het tegendeel: als je steelt en in een dikke auto rondrijdt, heb je aanzien. Dat hoor ik vaak van die jongens in de Koepel. Als je ernaar vraagt, komen ze eerst met uitvluchten, zoals verveling. Ik zeg dan: je overvalt geen vrouw uit verveling, dan ben je gestoord. ‹Oké, ik deed het onder invloed van mijn vrienden.› Nee, zeg ik dan: je vrienden dwingen je niet tot zoiets, het was je eigen keuze. Ik heb eens drie uur lang zo'n jongen ondervraagd en aan het eind gaf hij toe dat het hem inderdaad was begonnen om het geld en de status.»

Het probleemgedrag van Marokkaanse jongeren is geen gevolg van de cultuur van het zogenaamde land van herkomst, waar die jongeren uiteraard zelden geboren zijn. Het is voor een groot deel een Nederlands probleem. Eddaoudi: «Maar het gebrek van deze samenleving is dat mensen te veel vanuit zichzelf redeneren. Ik ontmoet nota bene intellectuelen die niet in staat zijn in de derde positie te gaan zitten, dat wil zeggen niet hun eigen cultuur of die van een ander als maatstaf te nemen, maar te trachten er als buitenstaander naar te kijken. Dat is blijkbaar zeldzaam moeilijk. Terwijl je er niet eens intellectueel voor hoeft te zijn, het is een kwestie van emotionele intelligentie. Die Nederlandse politieke correctheid is een luchtballon. Wanneer Nederlanders zelf onder de loep worden genomen, waarderen ze dat allerminst. Een allochtoon moet op zijn blote knietjes danken dat hij hier mag leven en werken. Ze vergeten dat ik ook keurig mijn belasting afdraag en elke dag om zeven uur naast mijn bed sta.

Allochtonen hebben zo veel toe te voegen aan de Nederlandse samenleving. Gisteren zag ik een tv-programma waarin over ouderen werd gesproken als dementen en debielen die zo snel mogelijk een spuitje moeten krijgen — ik ga nu even kort door de bocht — en dat is in de Marokkaanse cultuur ondenkbaar. Die heeft op dat gebied nog altijd waarden waar Nederlanders niet aan kunnen tippen. Maar zolang ze niet op zondag Chinees eten, is er op Marokkanen altijd wel wat aan te merken. Daarom zijn veel allochtonen hier doodongelukkig. Ze voelen zich niet zwaar gediscrimineerd, maar ze hebben wel het gevoel dat ze nooit zichzelf kunnen zijn, dat ze voortdurend moeten bedenken hoe ze overkomen. Dat hoort niet in een vrij land.»