Briefwisseling: Stephan Sanders versus Thijs Kleinpaste

Leven in de afrekencultuur

Stephan Sanders en Thijs Kleinpaste debatteren per brief over de ‘cancel culture’, ‘weer zo’n onmogelijk amerikanisme, dat we misschien moeten vertalen met “afrekencultuur”’. Mag je er als lid van een meute maar één enkel idee op nahouden, namelijk hetzelfde?

Amsterdam, 30 september 2020

Beste Thijs,

Jij daar in Washington D.C., aan Georgetown University, waar je promoveert, en waar, als je de geruchten mag geloven (en dat mag, maar een beetje argwaan is beter) zich zo ongeveer het ‘heartland’ van de Amerikaanse ‘cancel culture’ moet bevinden. Natuurlijk hoor ik graag over je bevindingen, want je bent een antropoloog ter plekke. Overigens: Georgetown is nog net niet officieel een Ivy Leage-universiteit, want jezuïtisch van oorsprong, en de katholieken mochten vroeger niet meedoen aan het lijstje van Amerikaanse topuniversiteiten. Maar met de academische uitmuntendheid van Georgetown zit het wel goed, en een zeker sociaal elitisme is het instituut niet vreemd.

Ik kan me voorstellen dat juist de ‘cancel culture’ daar bloeit, want wat ik er hier in Nederland van merk: juist de academici, vaak werkzaam op een universiteit en over het algemeen radicaal links van richting, willen nogal eens aandringen op een verbod of afzegging van een en ander. Omdat spreker niet ‘woke’ genoeg is. Omdat spreker niet de juiste standpunten deelt in het antiracismedebat, of misschien behept is met de verkeerde huidskleur, of anderszins uit de maat loopt met wat de woordvoerders van de transgenderbeweging of de queergemeenschap betamelijk achten.

Ik ben huiverig voor zulke beperkingen – bij voorbaat. Niet omdat ik meen dat ‘de vrijheid van meningsuiting’ een absoluut recht is, maar wel omdat geen burger, in Nederland en al helemaal niet in de Verenigde Staten, eerst bij de overheid moet informeren of zijn of haar boodschap wel kan of mag. De rechter toetst achteraf, en dat lijkt me een gebenedijde volgorde.

‘Cancel culture’: weer zo’n onmogelijk amerikanisme, dat we misschien moeten vertalen met ‘afrekencultuur’ of ‘boycotactivisme’. Ik ‘zit zelf niet op sociale media’, zoals je dat tegenwoordig moet zeggen, en wat dat aangaat zal ik veel van de cancel-ophef missen. Ik treur daar niet om.

Even terug naar jaren her, want de termen mogen veranderen (politically correct, cancel culture), de inzet is niet zo anders.

Liep laatst langs een koffiehuis, en werd daar aangesproken door een vrouw die op het terras zat. Ik kende haar niet, zei ze meteen, maar zij mij wel. Ze vertelde hoe ze als toenmalig student journalistiek in Utrecht een discussieavond had bijgewoond, ergens rond 1992 of 1993, waar ik sprak over Malcolm X. Ik had samen met Joost Hartog een boek geschreven over die bekende, inmiddels zowat heilig verklaarde Afro-Amerikaanse activist, en ik oordeelde niet gunstig over hem. Antisemiet, enorme homohater, misogyn en in mijn ogen ook ronduit racistisch, met zijn gepraat over ‘blonde, blauwogige duivels’.

Dat viel niet goed bij het aanwezige publiek. Nee, ik moet preciezer zijn: er was een klein contingent zwarte, Nederlandse vrouwen en vooral mannen, dat eerst begon te sissen, en toen fysiek naar voren liep, naar het podium om mij te bedreigen.

‘Ach’, zei die vrouw op het terras, ‘ik vond het nogal beklemmend, maar waarschijnlijk ben jij het al weer vergeten.’

Nee, dat was en ben ik niet. Er was in die zaal zegge en schrijve één (blanke) man die het voor me opnam, en die door de activisten meteen voor ‘homovriendje van Sanders’ werd uitgemaakt: Remko van Broekhoven, filosoof en schrijver, die ik later leerde kennen. Geprezen zij zijn naam.

Door bewakers van het theater ben ik ten slotte naar buiten gevoerd en zo snel mogelijk op de trein naar Amsterdam gezet. Het staat in mijn geheugen gegrift.

Dit is maar een anekdote, maar wat mij betreft een veelzeggende. Was ik te licht gekleurd om kritiek te mogen leveren op de zwarte voorman? Was het een ‘zwarte spreker’ eerder vergeven, was een ‘witte spreker’ niet eens aan het woord gekomen? En wat is dat voor een onzalig idee dat zwart en bruin en gekleurd er als ‘minderheid’ maar één enkel idee op na mogen houden, namelijk hetzelfde?

Nog steeds kan ik het voorval niet anders zien dan als: agressieve meutevorming, de grootste mond, het agressiefste lichaam dat het wint van het gesproken en geschreven woord.

Misschien kun je dat een heel vroeg voorbeeld van ‘cancel culture’ noemen, maar in dat geval durf ik nog een ander, veel groter incident aan je voor te leggen.

Zoals jou bekend is, werd schrijver Salman Rushdie in 1989 getroffen door een zogenaamde ‘fatwa’ van wijlen ayatollah Khomeini, vanwege de verschijning van zijn roman De duivelsverzen. Dat betekende dat de geestelijk leider zijn gelovigen opriep de auteur hoe dan ook te vermoorden, en trouwens ook alle mensen die hadden meegewerkt aan publicatie, vertaling en distributie van het boek.

Ik meen dat we nu zouden moeten zeggen: ‘Rushdie werd gecanceld’, maar dat vind ik een onverdraaglijk eufemisme. Man werd de dood aangezegd, man werd gedwongen tien jaar in onderduik te leven. En waarom: omdat er een aantal islamitische gelovigen was dat zonder het boek te hebben gezien of gelezen had besloten de richtlijn van de ayatollah te volgen: Rushdie deugde niet, Rushdie moest uit de weg geruimd.

Een uitwas? Nee, de uiterste consequentie wat nu bijna gezellig ‘cancel culture’ heet.

Zeer benieuwd naar je antwoord,
Met hartelijke groet, Stephan


Washington D.C., 6 oktober 2020

Beste Stephan,

Ik moest even met mijn ogen knipperen toen ik je schets zag van ‘mijn’ universiteit. Elegant, daar niet van – maar net wat te vrij. Niet zozeer het ‘heartland’ van de cancel-cultuur, eerder het epicentrum van een verlangen om ooit toe te treden tot de binnenwereld die de rest van het land terecht schamperend als ‘the Beltway’ aanduidt.

Ik ontmoet op die campus van mij elke dag intelligente studenten, en de meesten zijn ook wel progressief denk ik (ik vraag er nooit naar), maar de aspirant-leninisten waarover jij je zorgen maakt ken ik niet. Wel studenten die hopen emplooi te vinden waarmee ze hun kolossale studieschuld af kunnen lossen.

Belangrijk inzicht: wie een systeem wil doen standhouden moet ervoor zorgen dat jonge mensen eraan vastgeketend zijn. Als er ooit een revolutie komt, dan durf ik de stelling wel aan dat die zogenaamd radicale academici er minder mee te maken hebben dan de molensteen die jonge mensen hier bewust om de nek wordt gehangen.

Maar laat ik eerst mijn eigen schuld inlossen – na zo’n brief ben ik je op z’n minst een anekdote retour verschuldigd.

In 2017 kwam toenmalig minister van Justitie Jeff Sessions een speech geven aan Georgetown Law School over de vrijheid van meningsuiting. Ik zal je de hypocrisie van Sessions besparen en in plaats daarvan de situatie schetsen. In protest tegen de aanwezigheid van Sessions, en tegen het Trump-regime in het algemeen, verliet een groot deel van de professoren samen met studenten het pand. Buiten werd vurig gesproken, binnen hield Sessions zijn verhaal voor een publiek dat hem wilde horen. Hij zei: ‘We hebben een waslijst van incidenten gezien waarbij zowel studenten als professoren niet in staat bleken hun opvattingen in een publiek forum te verdedigen.’

Wat die uitspraak nogal voos maakt, is dat Sessions na afloop van zijn toespraak vragen zou beantwoorden, maar men moest zich vóóraf melden, en de vragen zouden voorgeselecteerd worden.

De professoren en studenten eisten terecht dat Georgetown een instituut van geleerdheid en debat moet zijn – en geen salonzaal waar de macht kan worden behaagd. Is dat niet vaak de kernvraag? De vraag welke groep een medium of podium eigenlijk dient? Of Georgetown er moet zijn voor de kritische vorming van de studenten, of zich moet laten gebruiken als decor waar een lakei van Trump zijn propaganda mag laten galmen?

Laten we nooit vergeten te onderzoeken door wie in onze wereld echt macht wordt uitgeoefend. Ik maakte al aanstalten het roerend met je eens te zijn toen je schreef dat ‘geen burger, in Nederland en al helemaal niet in de Verenigde Staten, eerst bij de overheid moet informeren of zijn of haar boodschap wel kan of mag’. Uit het hart gegrepen. Ik dacht dat je kleine schets van mijn campus een plaagstootje was geweest, en bereidde me erop voor te lezen over de decreten die de laatste jaren uit het Witte Huis kwamen. Decreten die afkondigen dat overheidsinstellingen zich niet meer mogen inlaten met ‘critical race theory’ (voorwaar, een nieuwe ‘red scare’, want net als met de communistenpaniek van destijds is alleen de associatie al verdacht).

Maar nee, we schrijven over een groep grotendeels fictieve studenten, die – kennelijk – een mentaliteit hebben die ze in extremo op één lijn plaatst met ayatollah Khomeini.

Die studenten hebben echter geen stokken en traangas, en geen staatsapparaat om mensen in de bak te smijten. Je kunt bang zijn dat ze zich later, als ze macht verwerven, zullen ontpoppen tot repressieve leiders. Maar daar is meer bewijs voor nodig dan handenwringen over mentaliteiten en glad ijs. (Ik zou je nu kunnen overstelpen met feitjes – dat de steun voor vrijheid van meningsuiting onder studenten hoger is dan onder de bevolking als geheel; dat linkse academici vaker worden ontslagen om hun mening dan rechtse; dat zwarte studenten zichzelf het vaakst censureren uit angst voor wat hun medestudenten denken – maar laten we er geen welles-nietes van maken.)

Voor zover ik je argument over de studenten begrijp teken ik daarom bezwaar aan: we worden er niets wijzer van om alle gevallen die vagelijk ‘iets’ te maken hebben met de eeuwige conflicten over wie welk podium krijgt toebedeeld tot één sinister fenomeen te reduceren. Laten we proberen te begrijpen wat in elk van de situaties op het spel staat, zodat we voor elk een oplossing hebben. De mensen die jou uitscholden, bedreigden, en die jou en de man die het voor jou opnam met homofobe drek overlaadden – is dat cancel culture? Lijkt mij niet: ze deden geen poging om de programmeur van het theater vooraf te bewegen iets aan het debat te wijzigen, of het wellicht te schrappen. Ze probeerden jou fysiek en verbaal te intimideren. De beveiliging had hen eruit moeten gooien in plaats van jou op de trein te zetten. Maar is dat cancellen – een poging invloed uit te oefenen op de programmering? We moeten, zoals je zelf al zei, het niet gezelliger maken dan het is.

Ik wil je een provocatieve wedervraag stellen: is er een uitkomst van die avond denkbaar waarbij het gedreig en gesis zou zijn getransformeerd tot een gestructureerde, constructieve uitwisseling van opvattingen? Wat zou daarvoor nodig zijn geweest?

Ik zie uit naar je antwoord,
Warme groet, Thijs


Amsterdam, 8 oktober 2020

Beste Thijs,

Even iets opbeurends om te beginnen: je kent die oude correspondenties wel, van vóór mail en internet, waarbij er soms weken of maanden radiostiltes vielen tussen briefschrijvers. En zie ons nu: jij in Washington D.C., ik in Amsterdam, en jouw ‘brief’ van 6 oktober kan ik je de 8ste al weer beantwoorden.

Die luchtige beginnoot heb ik nodig om mijn zwaarmoedigheid enigszins te verdrijven. Zoals je misschien weet, heb ik ook zo’n anderhalf jaar doorgebracht aan Amerikaanse universiteiten. George W. Bush sr. was toen president, Ronald Reagan was het vóór hem geweest, en in (mijn) academische kring werd toen gewanhoopt dat het niet veel slechter kon worden. Enfin, inmiddels leven de Amerikanen onder D. Trump, de man die niet alleen de oude Republikeinse Partij heeft opgeheven, met haar verschillende vleugels, maar die er ook voor heeft gezorgd dat ‘het streven naar waarheidsvinding’ de facto door de Amerikaanse overheid is losgelaten.

Dat is, om het deftig te zeggen, een onvoorstelbare paradigmawisseling op staatsniveau.

In de jaren negentig droomde ik nog van een Amerikaans paspoort; nu is het voor zoveel Amerikanen schaamtevol om in hun eigen land te leven.

Het is goed, Thijs, dat je me nog eens herinnert aan die dramatische ommekeer, en de cynische invloed die dit heeft op de overheid en de ‘staatsapparaten’ – ik dacht dat ik na Louis Althusser dit woord nooit meer hoefde te gebruiken.

Ik moest het incident dat je beschrijft met toenmalig minister van Justitie Jeff Sessions op Georgetown Law even nazoeken (het stond niet in mijn geheugen gegrift), maar begrijp nu dat de man sprak voor een kleine, vooraf geselecteerde groep over de ‘gevaren die de “freedom of speech” bedreigen’, juist op universiteiten, juist door toedoen van radicaal linkse academici. Lieve hemel, wat een schaamteloze ‘Umwertung aller Werte’.

Maar Thijs, we schrijven voor De Groene Amsterdammer, allerminst een proto-fascistisch blad en uitgesproken anti-Trump. Dat hoeven we niet nog eens over en weer te belijden.

Technisch gesproken is het weglopen van studenten en staf uit de zaal waar Sessions sprak (waren ze nu wel of niet binnen?) natuurlijk geen voorbeeld van ‘cancel culture’, maar van het goed recht een zaal te verlaten, omdat spreker, voorstelling, muziekuitvoering et cetera je niet bevallen. Ook de demonstraties tegen Sessions hebben niets met ‘cancellen’ te maken – het demonstratierecht is zowat heilig, zeker in de Verenigde Staten. Of moet ik zeggen: dat was het?

Kort en goed: ik begrijp de woede en de onmachtsgevoelens van min of meer progressieve Amerikanen, zeker in academische kring – daar hoef je inderdaad geen aspirant-leninist voor te zijn. Maar juist progressief Amerika moet ervoor waken in de oude ‘communistische schema’s’ te vervallen, waar alles wat niet paste en strookte simpelweg verboden werd – of, in de hedendaagse termen, ‘geboycot’. Ik zie die tendens wel degelijk onder antiracismeactivisten, gender- en sekswoordvoerders, die niet alleen hun eigen gelijk naar voren willen brengen (terecht), maar tegelijkertijd iedereen diskwalificeren die niet in de door hen voorgeschreven termen spreekt of schrijft. Een heilloze weg.

Ook al is er nu de overmacht van Trump cum suis, er is altijd tegenmacht, ook zonder ‘stokken en traangas’ zoals je schrijft. Maar ook de methodes van de tegenmacht zijn niet automatisch te verontschuldigen, in het licht van de Trump-dreiging. Er moet wel iets te kiezen blijven tégen Trump, tégen zijn volmaakte manipulatie van de zaken en dingen die we vroeger wel ‘feiten’ noemden. Daar hoort een zekere liberaal-democratische standaard bij, bijvoorbeeld het principe van hoor en wederhoor – cynisch genoeg door radicalen van links en rechts ‘bothsidesism’ gedoopt, als was het verwerpelijk.

‘Is dat niet de kernvraag? De vraag welke groep een medium eigenlijk dient?’ vraag jij je af. Het is de doelgroepenbenadering, die van de ‘stakeholders’ om het pesterig te zeggen. Maar ik denk helemaal niet dat elk woord of geschrift een afgebakend ‘belang’ dient, of daartoe gereduceerd kan worden.

Heel simpel: wie waren de belanghebbenden toen Samuel Beckett zijn Wachten op Godot (1955) schreef? Niemand zat erop te wachten, en iedereen bleek erop te wachten toen het stuk er eenmaal was.

Kort nog een antwoord op jouw vraag: wat was er nodig geweest om die Malcolm X-avond van begin jaren negentig minder rampzalig te laten verlopen? Een flinke moderator (m/v), die de spreker en het woord beschermde en de zaal tot de orde riep. Tot de orde van de discussie, en niet die van de bedreiging. Om het ouderwets en hopeloos onpolitiek uit te drukken: wederzijds fatsoen. Zivilcourage.

Nog een laatste vraag aan jou. Ben je daar in de VS ook naar ‘links’ opgeschoven, radicaler geworden? Ik ken je toch nog als een d66’er?

Warme groet retour, Stephan


Washington D.C., 18 oktober 2020

Beste Stephan,

Het is inderdaad een genoegen om zo te kunnen corresponderen. Dat mijn antwoord toch wat trager tot je komt ligt aan het feit dat ik heb moeten zoeken naar een manier om onze briefwisseling, hier althans, tot een voorlopig einde te brengen, en je vragen te beantwoorden.

Ergens ben ik geneigd om deze wals te blijven dansen met je, ook al wordt die al gedanst sinds de geboorte van ons genre – want het is een genre, dit, om beurten tobben en sussen over de vrijheid van meningsuiting die kennelijk op het punt staat het loodje te leggen – een genre dat velen een carrière heeft geschonken, omdat er altijd vraag is, en de vraag altijd bediend kan worden, omdat er altijd studenten en generatieconflicten zullen zijn. En ondertussen wordt de aangekondigde catastrofe inmiddels al weer bijna een halve eeuw sinds de geboorte van het genre geen werkelijkheid. Het slot lijkt dan ook voorspelbaar: over een tijdje ebt de opwinding vast weer weg, vergeten we bijna waar we ons zo druk over maakten, totdat, op enig moment, er opnieuw vraag is naar griezelverhalen voor geëngageerde mensen.

Ik las deze zomer Vivian Gornicks The Romance of American Communism, een empathische verkenning van wat de leden van de cpusa ooit bewoog, dit jaar opnieuw uitgegeven. Als je schrijft dat het zaak is om niet in oude communistische schema’s te vervallen, dan neem ik aan dat je niet zozeer doelt op die van Stalin, als wel het communisme van de fellow travellers in de Verenigde Staten en Europa. Gornick beschrijft ergens een huiveringwekkende scène waarin een communist tegenover een vergadering mede-communisten wordt gedwongen te getuigen van misdaden tegen de partij: afwijken van de lijn, insubordinatie, vreselijke misdaden, tot hij breekt en huilt en smeekt en er geen mens meer van hem over is.

Wellicht is dit waar je aan denkt als je mij schrijft over ‘cancel culture’. En toch is het juist door boeken als dat van Gornick dat ik zou waarschuwen niet te vlug te denken dat die wereld op het punt staat terug te keren. De werkelijkheid blijft achter bij het spookbeeld: er is geen Partij, geen Internationale, geen Sovjet-Unie die met een netwerk van spionnen en functionarissen wereldwijd loyaliteit en discipline afdwingt – en ook niet de beweging waar Gornick met empathie en fascinatie over schrijft: een ‘zaak’ die zoveel groter was dan het individu zelf, een profetie en een kosmos, waarin levens betekenis kregen.

In een interview zei Gornick: ‘De reden, zoals we weten, dat The Romance of American Communism opnieuw is uitgegeven, en dat het wat volgelingen heeft, is de heropleving van duizenden jonge mensen overal ter wereld die zich opnieuw socialist noemen en zich gedwongen voelen zich met allerlei politieke bewegingen die ze als progressief zien te engageren. (…) Dat is opwindend, maar het is geen socialisme, laat staan communisme. (…) Wat deze mensen willen, wat iedereen wil – ze willen naar binnen, ze willen terug de democratie in. Ze zijn dissenters, geen revolutionairen.’

Dat lijkt me zeer raak – jonge mensen willen naar binnen, willen meer dan moeten overleven in een door kapitalisme, wreedheid en autoritarisme uitgehold geraamte van de democratie. Het helpt niets om te doen alsof dat verlangen eigenlijk een verlangen tot vernietiging is.

Alles staat onder druk, en het zou mij juist zorgen baren als er in onze tijd géén voortdurende conflicten waren, juist in progressieve kringen, over hoe de strijd om de toekomst gevoerd moet worden. Om een van je voorbeelden te nemen: omdát we leven in een tijd waarin geweld tegen transpersonen elk jaar records breekt wordt er – goddank – soms nog ergens de minimale eis gesteld niet transfoob te zijn. Dat is niet het ‘opleggen’ van de ‘juiste’ mening, als wel het stellen van een norm die eigenlijk overal zou moeten gelden. (En niets staat een mens die dat te veel gevraagd vindt in de weg om elders, in een ander gezelschap, alsnog de transfobie te laten galmen – al is het voor iemand die zichzelf als onberispelijk progressief ziet ongetwijfeld een wat ruw ontwaken in dat gezelschap.)

Geen ‘doelgroepdenken’, zoals je zegt, maar een consequentie van dat andere liberale idee: het recht ons te verenigen in groepen, en om dat wat die groepen maakt – gedeelde normen en opvattingen – te handhaven. Om dichter bij huis te blijven: als De Groene ooit zou besluiten dat een schrijver niet meer bij het blad past, dan moet het dat kunnen doen. Het zou een vreemde toestand zijn als een blad, kennelijk om wille van de vrijheid van meningsuiting, zijn smoel niet kan bewaken – het zou niet langer De Groene kunnen zijn. Cancel culture is slechts een nieuwe dimensie: voorheen passieve consumenten eisen inmiddels een rol op bij het bewaken van zulke normen. Dat gaat zelden zachtzinnig, en ook niet vaak erg constructief. Maar laten we daar dan een oplossing voor vinden – alleen wel een die niet neerkomt op het sluiten van de luiken.

Ik sluit af met waar we het dan ook over eens zijn: het voorval uit je eerste brief. Wat die avond nodig had was inderdaad een moderator die de normen had gehandhaafd. ‘De orde van de discussie, en niet die van de bedreiging’, zoals je schrijft. Die normen zijn echter ook van toepassing op hoe mensen worden behandeld – normen die maken dat ieders integriteit gegarandeerd is, en dat mensen als volwaardig worden erkend. Wie die normen serieus neemt zal moeten aanvaarden dat sommige politieke opvattingen en bewegingen, hoe populair ze opnieuw ook weer mogen zijn, daarmee onverenigbaar zijn. Een open samenleving hoeft haar eigen saboteurs echter niet te behagen.

Om bij Gornick te blijven: het is zo dat op dit moment groepen weliswaar buiten staan te schreeuwen, maar eigenlijk naar binnen willen; terwijl anderen binnen staan te schreeuwen, omdat ze hopen dat het iedereen naar buiten drijft. De kunst is dat men het onderscheid weet te maken.

Het ga je goed, en hopelijk tot spoedig,
Thijs