De depressiemaatschappij en de psy-cultuur

Leven in de schaduw van God

Is depressie nu een welvaartsziekte of lijdt het begrip aan verregaande inflatie? ‘Aanvaardt de eindigheid van het bestaan, dan verwacht je minder heil.’

WEKENLANG volgden zo'n half miljoen mensen in de tv-serie In therapie hoe normale mensen worstelen met hun relatie, de leegte in zichzelf en de plichten die als een molensteen om hun nek hangen. Een jaar eerder liet het bejubelde en veelbekroonde programma Kijken in de ziel, een serie interviews met toppsychiaters, zien dat ook een serieuze vakinhoudelijke benadering van de psyche aansloeg bij een breed publiek. Binnenkort brengt de VPRO een thema-avond over depressie. Al deze tv-programma’s geven aan dat alles wat te maken heeft met psychologie, en vooral de schaduwkanten ervan, een doorslaand succes is. Het maandblad Psychologie Magazine ziet al jarenlang het aantal abonnees hard stijgen en kent inmiddels vele succesvolle concurrenten. ‘Het past in de tijdgeest, er is sinds de jaren zestig een psy-cultuur ontstaan’, verklaren de makers van deze bladen hun sterke marktpositie. Om nog maar te zwijgen over de stapels psychologieboeken, zelfhulpboeken en egodocumenten die over de toonbank vliegen. Pil van cabaretier Mike Boddé, die beschrijft hoe hij zijn slopende ziekte wist te overwinnen door het slikken van antidepressiva, is al maanden een bestseller.

Waarom is er zo'n grote behoefte aan reflectie op onze psyche? Kampen we meer met ons zelf dan voorheen? Vult het enorme aanbod een gat dat de ontkerkelijking sinds de tweede helft van de vorige eeuw achterliet en zijn we existentieel losgezongen van onszelf? En hoe zit het met ‘die tijdgeest’? Deze vragen komen samen in een discussie die losbarstte naar aanleiding van het boek De depressie-epidemie (2008), van filosoof en psycholoog Trudy Dehue, die als hoogleraar wetenschapstheorie en wetenschapsgeschiedenis is verbonden aan de faculteit psychologie van de Rijksuniversiteit Groningen.

In dit boek gaat zij op zoek naar de oorzaak van de rappe toename van het gebruik van antidepressiva, waardoor het beeld is ontstaan dat juist in welvarende, rijke landen depressie volksziekte nummer één aan het worden is. Dehue verbindt de ‘depressie-epidemie’ met het maatschappelijke ideaal van het maakbare individu. Wie niet voldoet aan wat een samenleving bepaalt en ervaart als wat ‘normaal’ is, zoekt de schuld bij zichzelf, want iedereen is verantwoordelijk geworden voor zijn eigen lot. Daarmee is succes of ongeluk een keuze geworden, en biedt het slikken van een antidepressivum een directe oplossing, als was het een ‘prestatiepil’ of een ‘gelukspil’.

Dehue verklaart depressie deels als een soort afvalproduct van de maakbaarheidscultus, die zich in de jaren tachtig van de vorige eeuw ontwikkelde in het kielzog van de maakbaarheid van de samenleving. Zoals ze het beschrijft: ‘Tegenwoordig moet je fit zijn, actief en ondernemend. Ben je dat niet, dan ligt het al snel aan jezelf. Dus slikken steeds meer mensen antidepressiva of gaan in psychotherapie, doen aan neurolinguïstisch programmeren, bestrijden hun depressie via een van de vele gespecialiseerde sites op internet, doen aan antidepressieve yoga of sport. We hebben depressie opgerekt tot een soort toetssteen: wie kan wél meekomen en wie niet? We zoeken de oorzaak ervan bij onszelf, terwijl het misschien eerder ligt aan deze tijd.’ Dehue haalt in haar boek vooral uit naar de farmaceutische industrie, die middels agressieve marketing producten opdringt en daarbij voorbijgaat aan de bijwerkingen en het verslavende effect. Meer algemeen is Dehue kritisch over het neoliberalisme waardoor er een competitief succesvol mensbeeld is gecreëerd.

Ze heeft hiermee veel losgemaakt, vooral ook doordat ze in 2009 op tv uitgebreid over dit thema sprak in Zomergasten. Ze kreeg enerzijds veel bijval. Publicaties van vakbroeders ondersteunden haar analyse, zoals van de Belgische klinisch psycholoog en hoogleraar Paul Verhaeghe, die met zijn boek Het einde van de psychotherapie min of meer hetzelfde betoogt. Hij beschuldigt niet alleen de farmaceutische industrie, maar wijst ook met de vinger naar de geestelijke gezondheidszorg, die volgens hem te gemakzuchtig is verschoven van praten naar pillen. Maar hij stelt dat mensen de oorzaken van hun problemen juist minder bij zichzelf zoeken en hun ongeluk externaliseren naar ‘de ander’. Hij constateert dat het mensen ontbreekt aan morele ankerpunten en zingeving en daarmee aan identiteit en zelfvertrouwen. Een amorfe samenleving met dolende zielen die steeds vaker vastlopen - dat leidt tot een depressie en daaraan gekoppeld een stijgend gebruik van medicijnen op steeds jongere leeftijd.

Anderzijds oogstten Dehue en Verhaeghe ook veel kritiek van vakbroeders, psychotherapeuten en psychologen. Volgens hen zijn beide boeken eerder een sociologische, maatschappijkritische verhandeling dan een duiding van wat een echte depressie betekent en welke aanpak daar volgens de nieuwe wetenschappelijke inzichten bij past. Zij zeggen dat er geen sprake is van een toename van depressies - steevast zo'n zes procent van de bevolking - maar dat depressie is opgerekt tot een containerbegrip. En bovendien, vroeger werd depressie door onderdiagnose niet altijd onderkend en kregen veel mensen die daar wel bij gebaat zouden zijn geen medicijnen.

UIT EEN GROOT epidemiologisch onderzoek door het Trimbos Instituut, kenniscentrum voor geestelijke gezondheid, blijkt dat in de afgelopen twaalf jaar het aantal depressies inderdaad niet is gestegen. Maar bij hun steekproef uit de doorsnee Nederlandse bevolking - eerst in 1996 en opnieuw twee jaar geleden - bleek dat ruim vijf procent van de ondervraagde mensen ‘in de afgelopen twaalf maanden’ een zware depressie heeft gehad, waarbij vrouwen twee keer hoger scoren dan mannen. Maar anders dan twaalf jaar geleden werd er bij de uitslag alarm geslagen. Het heeft geleid tot het Depressie Initiatief, dat twee jaar geleden startte op initiatief van het Innovatiefonds Zorgverzekeraars onder leiding van het Trimbos Instituut. Er is een grootschalig en fijnmazig netwerk opgezet door heel Nederland met als doel mensen beter te bereiken en te behandelen. Het project, waarvoor een grote hoeveelheid geld beschikbaar kwam, geeft aan dat meer belang wordt gehecht aan de geestelijke gezondheid dan tien jaar geleden.

‘In de jaren tachtig werd er licht over gedacht, als iets dat wel weer over gaat door even een time-out te nemen’, zegt psychiater en epidemioloog Christina van der Feltz-Cornelis. ‘Dat idee is achterhaald doordat de werking van psychotherapie en medicatie beter is beschreven. Beeldvormend onderzoek van de hersenen laat zien dat de hypocampus, een stukje brein gelinkt aan emoties en het geheugen, krimpt bij depressie. Bij behandeling en/of medicatie zwelt het weer op. Duidelijk is dat depressie niet goed is voor het brein en mensen raken maatschappelijk ontwricht.’ Christina van der Feltz-Cornelis is hoofd van het programma diagnostiek en behandeling van het Trimbos Instituut en hoofdonderzoeker van het Depressie-initiatief. Nuchter stelt ze vast dat de grote vraag voor het onderzoek is hoe de interactie tussen lichamelijke en omgevingsfactoren is.

Over de omgeving - de huidige samenleving - heeft het Trimbos Instituut geen filosofische opvatting. Het is volgens Ron de Graaf, epidemioloog van het instituut, wetenschappelijk bewezen dat een laag inkomen, geen werk, een laag opleidingsniveau en een negatieve levensgebeurtenis factoren zijn die de kans op depressie vergroten. Hij constateert meer algemeen over deze tijd dat de aandacht voor de geest is toegenomen, mensen mondiger zijn geworden en er betere medicatie ter beschikking staat die redelijk tot goede effecten heeft. De Graaf: ‘Amerika scoort nog steeds het hoogst wat psychische aandoeningen betreft. Dat komt ook door de druk om te presteren. Depressie is geen welvaartsziekte, maar welvaart biedt wel ruimte en geld voor aandacht voor de geest.’

MAAR DE GROEIENDE aandacht voor de psyche en de toenemende maatschappelijke betekenis van depressie zegt wél iets over deze tijd. Onder de controverse hangt een vraag die op het terrein ligt van sociologen en filosofen. Sommige filosofen, zoals de Brit Frank Furedi, trekken het fenomeen door naar een algehele cultuurkritiek: we zijn doetjes en watjes geworden in een softe welvaartsmaatschappij, waardoor we bij de minste tegenslag het leven niet meer aankunnen en neerslachtig naar de dokter gaan. Of de Britse arts Theodore Dalrymple, die zegt dat de depressieve houding het gevolg is van de verzorgingsstaat. Die heeft ons te veel gepamperd. Maar deze stellingnamen zijn ook moraliserend.

Paul Schnabel, socioloog en directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) haalt het onderzoek van enkele jaren geleden over de geluksparadox aan: er wordt veel gemopperd op de samenleving en de politiek maar over het persoonlijk leven zijn mensen over het algemeen tevreden. Hun eigen geluk geven ze een hoog cijfer. ‘En dat geluk willen mensen bewaken. De gedachte dat het leven nou eenmaal zo is, is vanaf eind negentiende eeuw veranderd. Goed functioneren is heel belangrijk geworden en het keuzemenu is groter dan vroeger. De aandacht voor de geest weerspiegelt onze individualisering en dat moeten we niet per se als negatief interpreteren. In Eline Vere van Louis Couperus lees je hoe er een eeuw geleden werd geworsteld met het keurslijf van conventies. De avonden van Gerard Reve toont de uitzichtloze treurnis in de jaren vijftig. Het openbreken van de lijdende ziel was tot voor heel kort nog moeizaam. De bladen hebben enorme invloed, maar zij reageren ook op de ontwikkelingen in de samenleving.’

Prins Claus heeft volgens Schnabel hierin een belangrijke rol gespeeld: ‘Met zijn openhartigheid liet hij zien hoe vreselijk een echte depressie was - een diep zwart gat. Het was dapper en hij heeft daarmee een taboe doorbroken. Tot in de jaren tachtig werd er niet over gepraat. Ook niet in economische zin. Maar tijdgebonden interpretaties of niet, ellende is er altijd. Wel is de marketing van medicatie groter dan de behoefte.’ Maar die behoefte is er wél, op een ander vlak, namelijk dat van de zingeving, meent Marc De Kesel, als theoloog en filosoof verbonden aan de Arteveldehogeschool Gent en de faculteit theologie van de Radboud Universiteit Nijmegen. De Kesel vertelt het verhaal van de ambivalente erfenis van de religie in onze moderne cultuur. Dáár ligt het gapende gat waar de worsteling met de ziel in kruipt, met depressie als onmachtige uiting van het individu tegen de waanzin van de wereld.

Hij citeert de controversiële Franse psychoanalyticus Jacques Lacan: ‘Wie wordt waanzinnig? Hij of zij die de waanzin van de wereld rond zich niet meer verdraagt!’ Voor De Kesel verwoordt dit de heersende moralisering. ‘En die is gevaarlijk, precies omdat die ons een smetteloze wereld voorspiegelt. Weliswaar slingert ze ons voortdurend alle ellende van de planeet in het gezicht, maar ze doet dat steeds met de suggestie dat ellende en tekort hier eigenlijk niet thuishoren. Ons tv-scherm barst van het menselijk lijden en falen, maar dan wel door het op anderen af te schuiven. Kwaad, zonde en tekort zijn dáár, achter het scherm, en dus niet hier: dit is de verborgen boodschap die meeklinkt in elke wind die onze beeldcultuur laat.’

Volgens De Kesel heeft die moraliserende ontkenning zo haar neveneffecten: ‘Bij wie ze niet meer werkt, dreigt depressie en waanzin. Dat we ons tekort niet meer recht in het gelaat kunnen kijken, dat we voelen niet meer ongelukkig te mógen zijn, daar worden we paradoxaal genoeg juist gek en depressief van. Vroeger hadden we het religieuze systeem, dat ons tekort aan een God linkte. Dat die zonder smet of zonde was, maakte de ruimte vrij om die bij onszelf te erkennen. Wij hoefden niet volmaakt te zijn, dat was God wel - áls Hij dat al was, want ook Hij bleek bij momenten wraak, droefheid, liefde of verlangen te kennen. Toen die God dood ging (“moderniteit” heet dat), heeft de wetenschap zijn autoriteit overgenomen. Sindsdien houdt die de mens een nog vlekkelozer, smettelozer spiegel voor. En daarin is in feite zo goed als geen plaats meer voor de mens als ambivalent, twijfelend, zoekend wezen. Niet dat de menswetenschappen het daar niet over hebben, maar ze doen dat steevast als iets wat er in feite niet mag zijn, iets wat zo snel mogelijk “genezen” moet worden. Zij zijn het instrument bij uitstek van die verborgen moralisering die zo sterk in onze moderniteit doordringt.’

Waar De Kesel onder meer voor pleit is de terugkeer van het negentiende-eeuwse psychiatrische apparaat: ‘Het waren centra waar ook de cultuur werd bevraagd. Er werd nagedacht over de maatschappij in relatie tot de mens.’

EENZELFDE VERZUCHTING heeft de nestor van de Nederlandse psychiatrie, Herman van Praag, emeritus hoogleraar psychiatrie en onder meer oprichter van Religie en psychiatrie en auteur van het boek God en psyche, de redelijkheid van het geloven, visies van een jood. ‘Vroeger hadden we in de opleiding elke week een gesprek met een pastoor, een humanist en een dominee. Dat was heel goed en dat zou weer terug moeten keren. Het verband tussen psychiatrie en religie is in de tijd van de ontzuiling lange tijd onbesproken geweest. Freud stelde dat religiositeit een primitief restant is uit een vroegkinderlijk verleden en eerder behandeld dan gekoesterd moest worden. Meer algemeen hebben Freuds opvattingen bijgedragen aan de toegenomen secularisering van de westerse samenleving. Maar met de ontkerkelijking is de behoefte aan een verticale dimensie niet verminderd. Meer dan de helft van de bevolking geeft dat aan. Als geloof in het volle besef en in vrijheid wordt beleefd, dan heeft dat een positieve uitwerking. Geloof is een prachtig bouwwerk en juist bij depressiviteit blijkt dat een positief beleefde religiositeit een gunstig effect heeft. Religiositeit is een stressbuffer. Een hogere macht is hoopverschaffend en biedt gemeenschapsgevoel. Het verdiept en verrijkt de persoonlijkheid.’

Van Praag heeft als geen ander de ontwikkeling van zijn vakgebied in de afgelopen zestig jaar meegemaakt. Hij kent de hele discussie over nature en nurture, zag de antipsychiatrie opkomen en weer verdwijnen, en de medicalisering van de gezondheidszorg ontstaan. Vanwege zijn onderzoek naar biologische factoren gold hij in zijn vakgebied lange tijd als het zwarte schaap. ‘We zijn nu zestig jaar bezig en het hersenonderzoek ontwikkelt zich snel. Maar je hebt als mens geloof en rede nodig om te kunnen leven. Ik geloof in de rede en acht het redelijk te geloven’, zegt hij in zijn werkkamer vol stapels publicaties, boeken en bronzen sculpturen van wilde dieren. Hij woont onder de rook van paleis Het Loo, vlak bij de Naald, waar vorig jaar op koninginnedag het leven van de doorgedraaide Karst T. op gruwelijke wijze eindigde.

‘Er is veel narigheid, het is een moeilijke maatschappij. De blackberry gaat de hele dag door, je moet twitteren, mailen, een facebook bijhouden - gestresst gedoe en dat maakt gespannen. Het stelt enorme eisen aan de hersenen. De informatierevolutie en de automatisering vragen heel veel van mensen. Beeldcultuur brengt visuele overkill en is oppervlakkig. Het is duidelijk dat langdurige stress een blijvende invloed heeft, en dat het belangrijke factoren zijn voor de totstandkoming van een depressie. Ik geloof in leren en dat de mens wél maakbaar is. Anders zou je geen psychiaters nodig hebben.’

Wat dat betreft werkt het geluid van ‘oude wijze mannen’ louterend voor het debat over depressie. Filosoof Frans Jacobs, emeritus hoogleraar wijsgerige ethiek aan de UvA, vindt dat Trudy Dehue het kind weggooit met het badwater, als zij zich verzet tegen de competitieve sfeer van het neoliberalisme. Dat dwingt mensen volgens haar om voor zichzelf op te komen en het lot in eigen handen te nemen en, als dat niet lukt, depressief te worden. Op sommige gebieden van het leven (topsport, topwetenschap) is volgens Jacobs competitie prima, mits mensen daar vrijwillig voor kiezen. In zijn boek Een filosofie van emoties en verlangens pleit hij ervoor dat we de aristotelische aanbeveling ‘ontwikkel je talenten’ ter harte nemen, waardoor we steeds bekwamer worden in wat we doet en er meer plezier aan beleven. Dan gaan we niet ten onder aan onze prestatiedwang, maar genieten we daarvan. Maar tegelijk moeten we deze oproep niet willen uitbreiden tot het geheel van ons bestaan; grote delen ervan zijn immers niet beheersbaar. De wens om te presteren dienen we daarom te relativeren aan het inzicht dat het ten slotte allemaal nergens toe dient. Het leven loopt immers sowieso slecht af: dat metafysische inzicht doet grenzen aanvaarden en maakt waarderingen van het leven realistischer, hetgeen de kans op depressies wellicht verkleint. Als je per se botox wilt gebruiken, doe het dan met een zekere ironie: je kunt de verrimpeling een paar jaar tegenhouden, maar uiteindelijk ben je bezig met een gevecht tegen de bierkaai.

Als je dat erkent, wordt het zelfs mogelijk om aan het zwarte gat een positieve keerzijde te onderkennen, zoals Maarten van Buuren doet in zijn boek Kikker gaat fietsen!. Of denk aan Charles Baudelaire, die het in Les Fleurs du Mal vaak heeft over spleen. Spleen is zoiets als melancholie, een toestand van opperste verveling, een gevoel van depressiviteit. Baudelaire leed maandenlang aan spleen en voerde niets uit. Maar dan slaagde hij er opeens in om dat spleen te overwinnen, en wel in een gedicht dat vaak precies aan spleen is gewijd. Wanneer het kwaad het spleen is, dan zijn de bloemen van het kwaad de geslaagde verwoordingen ervan.

De kunst is het al met al om twee vormen van geluk te onderscheiden en te combineren: gelukkig kun je enerzijds worden door je grenzen te overschrijden (door die topprestaties, in het geval van Baudelaire door zijn poëzie), anderzijds door je grenzen te aanvaarden (wezens die kunnen opbloeien, verwelken immers ook), en het ene relativeert het andere.

Misschien gaat onder de gedachte van ‘het lot in eigen handen nemen’, met alle streberigheid en jachtigheid van dien, toch een vorm van verwekelijking schuil: de weigering om de eindigheid onder ogen te zien. Daarom: wees je meer bewust van de eindigheid van het bestaan, dan verwacht je minder heil en kun je het onheil aan. Als je die eindigheid met alle geweld wilt afweren, ben je geneigd sterk met je eigen lot bezig te zijn en je allerlei depressies te laten aanpraten - het is een mooie paradox.