Essay: wat is geluk?

Leven in een domein van schoonheid

Ik leefde zonder verleden noch toekomst, in een land van het eeuwige heden. Een exacte definitie van het geluk. Vandaag vraag ik me echter af of ik deze periode van mijn leven niet aan het mythologiseren ben.

Tussen mijn zevende en tiende levensjaar genoot ik van een onverstoord geluk op het landgoed van mijn grootouders in Litouwen, waar ik toen woonde. De eerste aantekeningen over ons rivierdal dateren van rond het jaar 1350. Ze zijn te vinden in de kronieken geschreven door de Kruisridders die deze gebieden aanvielen en tegen mijn heidense voorouderen vochten. Het landgoed van mijn grootouders waar ik werd geboren was sinds enkele eeuwen eigendom van mijn moeders familie. Gedurende al die jaren onderging het landschap diverse veranderingen en nu weet ik dat ik mijn overgrootvader bijzonder dankbaar moet zijn voor het feit dat hij op een zacht naar de rivier toe aflopende helling een bosachtig park aanlegde. Hij legde ook twee boomgaarden aan in de buurt van het landhuis en een derde een stukje verderop, achter de gewitte graanschuur. Het was lang geleden, de grote eiken en linde bomen hadden mijn wonderland gecreëerd, de boomgaarden lieten mij de smaak van allerlei soorten appels en peren ontdekken.

Ik weet niet precies wanneer het nieuwe landhuis de plaats van het oude houten gebouw had ingenomen. Hoogstwaarschijnlijk in het midden van de negentiende eeuw. Onder de witheid van de muren verschool zich geen stenen maar een bepleisterde houten constructie. In de zomer waren de kamers koel, ’s winters kon men ze met veel moeite met de op berkenhout gestookte kachels warm houden. Vele jaren later ontdekte ik de op de interieurs van mijn familiehuis lijkende beelden op doeken van de Hollandse meesters.

Wij allen creëren mythen waar het om het verleden gaat omdat het reproduceren van de voorbijgaande ogenblikken onmogelijk is. Toch blijft er een vraag over: waarom beschouwen sommigen hun vroege jeugd als een periode van geluk en anderen als een tijd van tegenspoed? Mijn ervaring van een gelukkige jeugd is zo springlevend en intensief dat ik in haar authenticiteit geloof. Ik twijfel niet het te benoemen: het was een betovering door de aarde als de paradijselijke tuin.

De verhalen over de jeugdjaren veranderen gewoonlijk in verhalen over de familie. Wat dat betreft moet ik echter opmerken dat in mijn beleving de volwassenen ergens ver weg in een niet nader bepaalde wereld leefden. Ik was een eenzaam kind in een toverkoninkrijk dat ik van ’s morgens vroeg tot de schemering aan het ontdekken was. Mijn jongere broer was toen nog een baby en trok mijn aandacht niet. Ik had geen enkele vriend onder mijn leeftijdgenoten. Ik was een kleine Adam, de hele dag rennend in de tuin tussen de bomen die mij groter leken dan ze werkelijk waren. Mijn gevoelens en mijn fantasie werden door geen enkel honend gelach in toom gehouden.

Het doet me vandaag verbazen dat ik al op zevenjarige leeftijd genoeg avonturen had beleefd om mijn herinneringen voor de rest van mijn leven mee te blijven voeden. Er waren reizen met legertreinen door Rusland tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen mijn vader — een ingenieur — voor de militaire dienst werd opgeroepen en bruggen voor het tsaristische leger moest bouwen; er was de bolsjewistische revolutie die ik in een aan de Wolga gelegen stadje doorbracht alsook de met deze revolutie samenhangende controles, ontsnappingen en angst. Dit alles moest op de een of andere manier in mijn bewustzijn blijven voortbestaan, maar domineerde het niet. Integendeel, het deinsde terug naar de achtergrond van mijn brein, wellicht dankzij een bijzonder zelf behoudmechanisme. Ik bleef onschuldig, wat betekende dat ik geen enkel oordeel ten aanzien van de wreed heden van deze wereld had geformuleerd.

Enkele concrete gebeurtenissen, voldoende om een dergelijke opvatting te formuleren, waren niet tot een geheel gestold; ze bestonden in mijn brein onafhankelijk van elkaar. Dagelijkse bezigheden op het landgoed vergezeld door onvermijdelijke kennis van de pijn en de dood van dieren hadden op mij weinig invloed. Toen ik aan het vissen was concentreerde ik me op het doel van mijn handelen — op het vangen van een vis — en dacht niet aan de aan het haakje kronkelende worm noch aan het lijden van een klein stekelbaarsje dat, verwond door een in zijn lichaam gestoken haakje, als lokaas voor een snoek fungeerde. Maar wie weet? Misschien werd mijn latere pessimisme juist in deze ogenblikken van mijn vroege jeugd geboren, dit pessimisme dat zo ver reikte dat ik als rijpe persoon in feite maar één enkele filosoof — de wrange Schopenhauer — waardeerde.

Het leek of mijn geluk zijn oorsprong had in de reiniging van de perceptiepoort, een begerig kijken en luisteren — zoals William Blake het had kunnen uitdrukken. Een pad in de schaduw van de eikenbomen leidde naar de rivier die me voor de rest van mijn leven nooit meer zou verlaten, ongeacht de plek waar het lot me heenbracht, zelfs tot aan de kust van de Grote Oceaan. Vanwege haar trage stroming konden er waterlelies groeien, her en der het hele wateroppervlak bedekkend. De met lisdodde begroeide oevers verscholen zich achter de schaduw van struiken en elzen. Uren achter elkaar observeerde ik de in het water terugkaatsende zon, bewegingen van kleine waterdiertjes, de vlucht van libellen. Ik ben bereid deze toestand als dagdromen aan te duiden, maar eigenlijk is het niet de juiste formulering. Dagdromen suggereert immers passiviteit, terwijl mijn fantasie allerminst aan het luieren was.

Op deze wijze was ik als kind bovenal een ontdekker van de wereld, niet als een plaats van het lijden maar als een domein van de schoonheid. Bomen in het park, boomgaarden en rivier, vormden een apart land van een intensieve stralende realiteit, werkelijker dan wat dan ook erbuiten.

Dikwijls worden we ons bewust van de zware wetten van het leven wanneer we met anderen aan het vechten zijn, met name met andere kinderen. Op mijn familielandgoed had ik niemand om mee te rivaliseren, er was niemand die mij aan zich wilde onderwerpen. Natuurlijk moest ik weleens huilen, bijvoorbeeld toen ik van mijn moeder mijn spelletjes moest staken en me bezig moest houden met het leren schrijven van de alfabetletters, wat buiten mijn vermogens lag. Toch was dat geen echte dwang — deze komt meestal van de kant van onze leeftijdgenoten. Ik kon er mezelf van overtuigen toen mijn schoolleven op een stadsschool aanving.

Een in de prille jeugd beleefd geluk laat zijn sporen achter: de herinnering aan vreugdevolle verheven ogenblikken leeft in ons lichaam voort en bezit een sterk zelfgenezend vermogen. Als jongeman was ik een sombere pijnlijder en had ik een bijzonder talent voor het verzamelen van verwondingen en blauwe plekken. Wellicht werd dit lot simpelweg door mijn levenslijn bepaald, maar ook zowel plaats als tijdstip kunnen mijn neigingen tot depressie in zekere mate hebben beïnvloed. In de jaren dertig voelde je in Centraal Europa en in de Baltische staten een aankondiging van grote misdaden in de lucht hangen, misdaden die kort erna bewaarheid werden. In het Oosten, in de Sovjet-Unie, werkten miljoenen «klassevijanden» in onmenselijke omstandigheden en vonden hun dood in werkkampen. Ik was 22 jaar oud toen de kiezers in het naburige Duitsland de absolute macht aan Hitler overdroegen. Enkele jaren later vervulden de op zijn bevel gepleegde massamoorden de wereld met ontzetting.

Mijn religie en filosofie waren met duisternis doordrongen. Ik was geneigd te geloven dat het universum het resultaat was van een kosmisch cataclysme, of dat het door Satan zelf was geschapen. Opgevoed in het katholicisme beleefde ik de fascinatie met een oude ketterij van het manicheïsme. Zij correspondeerde met de tijdgeest, het best gekenmerkt door de woorden van Emmanuel Levinas: «God vertrok in 1941.» De poëzie die ik voor de oorlog als ook later in het bezette Polen schreef, zou geheel van enig optimisme zijn gespeend als ik me van de schoonheid van deze wereld niet bewust was geweest. Deze schoonheid was moeilijk te begrijpen omdat het samenviel met verbijsterde schrik.

Vele jaren later, op tachtigjarige leeftijd, keerde ik naar mijn geboorteplaats en de plaats van mijn vroege jeugd terug. Het landschap had veranderingen ondergaan die waarschijnlijk veel ingrijpender waren dan veranderingen die er vanaf de Middeleeuwen door het toedoen van de mens hadden plaatsgevonden. Litouwen, een voor de oorlog onafhankelijke staat, werd in 1940 door de Sovjet-Unie bezet. De communistische machthebbers legden het land de collectivisatie van de landbouw op. Hele dorpen met hun gebouwen, binnenplaatsen, schuren, stallen en tuinen verdwenen van het aardoppervlak. Op hun plaats verrees een ruimte van onafzienbare akkers waar de tractoren het werk deden. Ik stond aan de rand van een helling, uitkijkend op mijn, op een kloof lijkend, rivierdal en zag uitsluitend een vlakte zonder een spoor van bomen die er vroeger de plaats van elk dorp aanduidden. Van de vele definities van het communisme is deze misschien het meest doeltreffend: het communisme is de vijand van de boomgaarden. De verdwijning van de dorpen en het omvormen van het terrein hadden het kappen van de boomgaarden tot gevolg, die vroeger elk landgoed en iedere boerderij omringden. Het idee van de collectieve landbouw — landbouwbedrijven in plaats van kleine boerenbedrijven — was rationeel, maar werd sterk overdreven. Diezelfde absolute rationaliteit, aanwezig in haast elk project binnen de planeconomie, leidde uiteindelijk tot de ineenstorting van het sovjetsysteem.

Onder het communistisch regime hadden de boomgaarden geen kans, maar laten we eerlijk zijn, ze zijn per definitie nogal ouderwets. Alleen een fanatieke tuinman kan voluit van de boomsoortendiversiteit genieten die in kwantitatief opzicht voor een zeer bescheiden fruitoogst zorgt, al is dat fruit een bron van vreugde voor hemzelf en een klein groepje connaisseurs. De marktwetten zijn welgezind voor slechts enkele soorten die gemakkelijk te bewaren zijn en die aan de vereiste normen voldoen. In de door mijn overgrootvader aangelegde en door zijn opvolgers verzorgde boomgaarden, groeiden diverse mij welbekende soorten appel- en perenbomen. Hun namen, toen ik ze later opnoemde, roken exotisch.

Ik bevond me op een met onkruid begroeid stuk grond waar vroeger het landhuis stond. In de jaren vijftig werd het gesloopt en op de plek van het ronde gazon verrees een wild bosje van voornamelijk jonge esdoorns, aflopend tot aan de rivieroever. Je kon moeilijk door het gras lopen want de oude paden waren onder een ware plantenwildernis verdwenen. Her en der overleefde er een oude eik of een iep. Boomgaarden waren verdwenen, misschien door hun ouderdom, die was af te zien aan een paar verdorde boomstronken. Alles lag er jarenlang verlaten bij, ook de grond lag braak. Een nieuw goedkoop boerenhuis werd door een op een stel krakers lijkend oud echtpaar bewoond. Het enige voordeel dat deze plek bood, was een overvloed aan droog hout dat je tijdens de lange noordelijke winters in je kachel kon verstoken.

Ik voelde geen spijt noch boosheid en zelfs geen verdriet. Ik stond oog in oog niet zozeer met de geschiedenis van mijn eeuw als wel met de tijd zelf. Alle mensen die hier vroeger rond wandelden leven niet meer, zoals de meesten van hen die in hetzelfde jaar als ik waren geboren, onafhankelijk van de plaats waar ze hun leven voortzetten. Blij als ik was dat ik er terug kon keren besefte ik dat mijn terugkomst mogelijk werd doordat een zekere grootmogendheid niet meer bestond. Het allerbelangrijkst op dat moment was echter een stormachtige gewaarwording van de verstrijkende tijd. Ik daalde af naar mijn rivier. Er waren geen grote waterleliebladen, geen lisdodde. De roodachtige kleur van het water was een bewijs van de voortschrijdende activiteiten van de chemische bedrijven bovenstrooms. Een onbeweeglijke eenzame zwaan in het midden van het olieachtige water — een absurd beeld, dat iets over de ziekte of de zelfmoordintentie van deze vogel zei.

De hemel was op deze junidag wolkenvrij en de planten waren weelderig. Ik probeerde mijn gevoelens te vangen en te benoemen. Het geheugen herkende de contouren van de heuvels aan de overkant van de rivier, de parkhelling, het weiland naast de boerenweg, een donkere plek van het in de schaduw ondergedompeld groen waar vroeger een vijver was. Ongeacht deze veranderingen bleef de indeling van het terrein dezelfde. Ik had het gevoel dat ik er de weg blindelings zou kunnen vinden — mijn benen zouden mij er vanzelf brengen.

Er gebeurde van alles in mijn binnenste. Ik werd getroffen door de kracht van deze stroom waarvoor geen passende naam bestond. Het leek alsof ik na een lange slaap wakker schudde en opnieuw de mens werd die ik nooit was opgehouden te zijn. Een lang leven, ontsnappingen op het laatste nippertje, mijn twee huwelijken, kinderen, mijn nederlagen en triomfen, dit alles flitste voor mijn ogen als in een versneld afgedraaide film. Nee, het is niet het juiste beeld, want dat alles was een grote, in haar eigen tijdsdimensie, naast mij bestaande massa, terwijl ik de continuïteit die mij, een kind, met mij, een oude man, verbond opnieuw aan het ontdekken was.

In een door techniek en grote bevolkingsmigraties gedomineerde wereld vormen de eerste en tweede generatie immigranten, die het platteland voor de grote stad verruilden, een meerderheid. Het thema vaderland, die nostalgische patria-retoriek waarmee we via de literatuur sinds de tijd dat Odysseus naar Ithaka afreisde worden gevoed, verliest vandaag de dag zijn betekenis, als het niet al in vergetelheid is geraakt. Terugkerend naar het dal van mijn rivier droeg ik de erfenis mee van die eerbiedwaardige, verbleekte kreten en was ik ongevoelig voor hun sentimentele bekoorlijkheid. Toen gebeurde er iets — en nu moet ik toegeven dat de Ithaka-mythe uit de diepe lagen van menselijke gevoeligheid ontspruit. Ik keek uit over het weiland. Plotseling realiseerde ik me dat ik gedurende mijn lange zwerftochten tevergeefs naar een combinatie van bladeren en bloemen zocht die ik hier aantrof en dat ik altijd van mijn terugkeer droomde. Of, om preciezer te zijn, ik begreep het pas toen ik door een immense golf van gevoelens werd overrompeld, een golf die ik met een enkel woord kan aanduiden — het geluk.

Vertaald uit het Pools door Ewa van den Bergen-Makala

Dit essay verscheen op 28 juni 2001 in de Poolse krant Gazeta Wyborcza