Hiroo Onoda komt uit de jungle op het eilandje Lubang in de Filipijnen waar hij sinds de Tweede Wereldoorlog verborgen zat © Jiji Press / AFP / ANP

Als het moment eenmaal daar is zijn kinderen er vaak klaar voor om te accepteren dat Sinterklaas niet echt is. Alles in wat ze tot dan toe hebben geleerd, op school, in de maatschappij, wijst erop dat niemand eeuwenoud kan worden, dat je niet bij elk huis in het land, ongezien en simultaan, cadeautjes kunt bezorgen. Ze voelen zich misschien bedrogen, maar in zekere zin is het een opluchting als ze ontdekken dat oom Herman achter de nepbaard schuilgaat. Ze zijn niet gek.

Keizer Hirohito was geen Sinterklaas – hij was God. En dat was geen uitzonderingspositie in de geest van de vroegtwintigste-eeuwse Japanner, het was waar alle opleiding naar leidde. Vanaf het begin van de Meiji-restauratie, in 1867, werd Shinto niet geïnstalleerd als een officieel staatsgeloof, maar als een vorm van wetenschap. Zoals de theoloog Okuni Takamasa het verwoordde, zorgden de natuurgoden ervoor dat de Europese technologie werkte, zorgden ze voor het licht in het lichtpeertje. Het geloof stond niet haaks op de wetenschap. Dat de goddelijke geest huisde in de keizerlijke troon stond in elk studieboek.

Verklaart dat waarom Hiroo Onoda niet kon geloven dat de keizer zijn eigen goddelijkheid had ontkend, als door de Amerikanen opgelegde voorwaarde voor de overgave van Japan? Waarom Onoda sowieso die hele overgave niet kon accepteren? Want dat is hoe Onoda de geschiedenis in ging: tot 1974 vocht hij door op het nietszeggende eilandje Lubang in de Stille Oceaan, in de overtuiging dat Japan zich nooit had overgegeven.

In december 1944 had Onoda bevel gekregen over een klein groepje soldaten. De Amerikanen rukten op, het Japanse leger trok zich strategisch terug, maar Onoda kreeg bevel zich te blijven verzetten – vanuit de jungle, als guerrilla. Zijn majoor instrueerde hem dat hij geen medailles hoefde te verwachten, in eenzaamheid moest opereren, en onder geen beding door eigen hand mocht sterven. ‘U zult een geest zijn, ongrijpbaar, de voortdurende nachtmerrie van de vijand, uw oorlog zal zonder glorie zijn.’

Onoda hield vast aan de wereld zoals die voor de oorlog was

Onoda is het object van Werner Herzogs Het schemeren van de wereld, nu vertaald (heel vloeiend) door Marion Hardoar en uitgegeven in de chique Oorlogsdomein-reeks van De Arbeiderspers. Het boek is deels zoektocht, deels studie, deels roman. Toen Herzog – 1942, de beroemde cultregisseur van bijvoorbeeld films als Fitzcarraldo en Grizzly Man – eens in Japan was om een opera te regisseren, werd hem aangeboden de keizer te ontmoeten. Nee, flapte hij eruit – tot ieders (en ook zijn eigen) beschaming. Ik wil Onoda ontmoeten!

Wat Herzog fascineert is wat Onoda in de jungle meekreeg van de veranderende wereld. Veel, zo blijkt. Hij vermoedde dat India onafhankelijk was geworden van Groot-Brittannië, ontwaarde de space race tussen de VS en de Sovjet-Unie aan de vreemde objecten in de hemel; hij kon precies aangeven wanneer er oorlogen werden uitgevochten op basis van straaljagers in de lucht – al had hij geen idee dat hij daarmee de Korea- en Vietnamoorlog zag.

Waarom weigert hij dan te geloven dat Japan zich heeft overgegeven? Want Onoda zit niet onopgemerkt op het eiland, hij glipt soms de dorpjes in en steelt spullen. Hij belandt in vuurgevechten met Filipijnse soldaten, doodt er minstens een dozijn, terwijl hij ook zijn eigen manschappen verliest. Er worden flyers achtergelaten speciaal voor hem – om hem te zeggen dat de oorlog voorbij is en hij zich kan overgeven. Onoda’s broer komt naar Lubang toe en hij hoort diens stem hem door speakers roepen om te zeggen dat hij zich moet overgeven.

Maar wat nu als die stem nep is, denkt hij. En in de flyers zaten spelfouten in het Japans, dus als de taal niet klopt, dan klopt de boodschap toch ook niet? Uiteindelijk wordt hij in 1974 gevonden door een jonge Japanse backpacker – en nog weigert hij hem te geloven. Pas als de backpacker terugkomt met zijn oude majoor legt hij zich erbij neer. En zelfs dan: ‘Tot op het laatste moment, geeft Onoda later toe, had hij gehoopt dat de majoor hem in vertrouwen zou vertellen dat het allemaal een toneelenscenering was, dat ze alleen zijn volharding op de proef hadden willen stellen.’

In dat woord ‘volharding’ lijkt de sleutel te zitten. Onoda lijkt als personage vooral kracht te putten uit zijn eigen lijden, hij definieert zichzelf als soldaat aan hoe diep hij kan gaan. Zogezegd is zijn indoctrinatie eerder een excuus voor zijn monomanie dan de oorzaak.

Tegen de tijd dat Werner Herzog hem ontmoette was Hiroo Onoda een oude man. Hij was teruggekomen van het eiland, werd een mediasensatie, kreeg talloze medailles (ook van de Filipijnen) en probeerde uiteindelijk een teruggetrokken leven te leiden in Japan. Maar de wereld klopte niet meer, voor hem. Hoe kijk je naar die mijter en die plakbaard als je weet dat Sint niet echt is? Als prullaria, kostuums – grapjes. Onoda was de enige Japanner die zijn indoctrinatie nooit had afgeschud, hij hield vast aan de wereld zoals die voor de oorlog was. Japan was wakker geworden, maar hij niet; voor hem was na al die jaren het dromen echter dan het wakkere. Dat is het schemeren van de wereld uit de titel van Herzogs kleine, elegante boek.