Leven in een weckpot

Shirley Jackson schreef spookverhalen en huishoudelijke wissewasjes: het bracht haar afwijzing van zowel de heren critici als feministen van haar tijd. Terecht is er nu aandacht voor Jackson en haar personages, vrouwen die zich niet gemakkelijk laten categoriseren.

Het landgoed van de Blackwoods is omcirkeld door een pad voorzien van een draadafrastering. Het pad voert naar het dorp, tot achter het gemeentehuis, waar een vergrendelde poort en een grote zwarte steen het begin markeren. Voor de dorpsbewoners geldt: tot hier en niet verder.

‘Ze kunnen er niet in, hield ik mezelf voortdurend voor, als ik in mijn donkere kamer lag, met het schaduwpatroon van de bomen op mijn plafond, ze kunnen er nooit meer in; het pad is voor altijd afgesloten.’ Als klein meisje al oefende Merricat Blackwood zich in een vorm van denken zo krachtig dat de realiteit zich ernaar moest buigen.

Sinds de dag dat bijna haar hele familie overleed aan met arsenicum besprenkelde bramen, zes jaar geleden, is zij de enige die het pad nog bewandelt, twee keer per week, om boodschappen te doen en boeken te lenen bij de bibliotheek, voor haarzelf, haar zus Constance en hun bedlegerige oom Julian. Het pad is volledig overwoekerd geraakt en haast onzichtbaar geworden, maar Merricat kent iedere stap en iedere bocht, het is háár pad. Het is een wekelijkse overlevingstocht: van de bibliotheek, langs de dorpswinkel en het postkantoor naar de kruidenier waar ze haar levensmiddelen koopt.

Het zou niet moeilijk zijn een min of meer nauwkeurige landkaart te maken van het bescheiden aantal locaties en verbindingswegen die het speelveld van deze roman vormen – Jacksons laatste, voordat ze op 48-jarige leeftijd stierf aan hartfalen, na een lange periode van extreme pleinvrees die het haar belemmerde zelfs maar het huis te verlaten. Even nauwkeurig zou je op zo’n kaart de bewegingen van de gezusters Blackwood kunnen vastleggen. Door de tijd heen zou dat eruitzien als een steeds kleiner wordende spiraal, eindigend in de kleinst mogelijke cirkel tussen de keukenstoelen, de drempel en de achtertuin.

Medium gettyimages 148420723
Shirley Jackson (rechts), 1952 © Bert Hardy / Getty Images

Het universum van de gezusters Blackwood mag overzichtelijk zijn, de reikwijdte van Jacksons roman is dat allerminst. Het gebied dat zich uitstrekt binnen nauwelijks tweehonderd pagina’s is wild en hobbelig. Als de roman een landkaart is, dan eentje die met iedere lezing opnieuw kan worden uitgevouwen en die zich onder je ogen uitbreidt, vol uithoeken en onontgonnen gebieden. Het is een kaart die zich laat lezen als een spookverhaal, een sprookje, een familiesaga. Als een portret van twee uiterst onafhankelijke en complexe vrouwelijke personages. Als een verhaal over symbiose, over uitsluiting en insluiting, over de poreuze grenzen tussen het normale en het excentrieke, het liefdevolle en het wrede.

Shirley Jackson – schrijver, echtgenote, moeder, beoefenaar van hekserij, verstokte roker en zware drinker – liet zich überhaupt niet zo makkelijk categoriseren. Ze publiceerde stukken in tijdschriften als Good Housekeeping en Woman’s Day, waarin ze zichzelf presenteerde als een gelukkige huisvrouw die een Villa Kakelbont-achtig huishouden vol dwaze kinderen en overkokende pannen bestierde. Beroemd en berucht werd ze met haar huiveringwekkende korte verhaal The Lottery, in 1948 voor het eerst gepubliceerd in The New Yorker en gebundeld in een collectie korte verhalen, door haar uitgever in de markt gezet als ‘the most terrifying piece of literature ever printed’; een vorm van sensatiezucht waarvan Jackson (terecht) vermoedde dat die de literaire waarde van haar werk zou ondermijnen. Een paar jaar voor haar vroegtijdige dood in 1965 noemde een criticus van Time Magazine haar gekscherend de ‘Virginia Werewolf among the séance-fiction writers’, en nog lang na haar dood zou die reputatie haar blijven achtervolgen. Dat had onder meer tot gevolg dat haar werk nauwelijks een plaats kreeg in de Amerikaanse literatuurgeschiedenis: spookverhalen, en al helemaal de spookverhalen van een vrouw – een vrouw die ook nog eens schreef over huishoudelijke wissewasjes – die konden niet al te serieus genomen worden. Niet door de heren critici, en evenmin door de feministen, die in Jackson geen medestander zagen maar eerder een verraadster.

Jacksons uitgebreide bibliotheek bevatte honderden boeken over hekserij. Of ze zelf werkelijk een heks was, doet er minder toe dan de manier waarop hekserij haar denken en schrijven diepgaand beïnvloedde. In Jacksons universum staat hekserij symbool voor vrouwelijke kracht en onafhankelijkheid. Magisch denken helpt de vrouwen in haar oeuvre om te krijgen wat ze willen, zich los te maken van de vaak verstikkende moraal van hun familie of dorp, zich te bevrijden van de rol die hun gender hen toeschrijft. Wanneer Merricat dus op zondagochtend controleert of al haar talismannen – het kistje met zilveren dollars, de begraven pop, het tegen een boom gespijkerde boek – zich nog op de juiste plaats bevinden, is dat niet alleen een manier om haar huis te beschermen, maar ook om zich te verzetten tegen een leven waarin vrouw-zijn synoniem is met zwakte en afhankelijkheid.

De rituelen van de zussen – naast voor Merricat op iedere dag van de week een specifieke taak, ook het eeuwige tuinieren en koken van Constance, haar aan obsessie grenzende zorg voor de dementerende oom Julian, het steeds herhaalde en dwangmatig vergoelijkende ‘malle Merricat’ wanneer haar zusje weer een bokkensprong maakt – voorzien hun levens van een vernislaag van symboliek, die hen moet beschermen tegen de onhebbelijke gewoonte van de tijd alles voortdurend aan verandering te onderwerpen.

Wie een eeuwig heden wil scheppen, kan het zich niet veroorloven terug te blikken op het verleden

In de kelder van het huis staan talloze weckpotten met ingemaakte groenten en fruit, onvermoeibaar aangevuld door Constance. Het voedsel was nooit bedoeld om op te eten, maar alleen om voor eeuwig op de planken te blijven staan, ‘als een ode aan de Blackwood-vrouwen’. De kastanjebruin, geelbruin en donkergroen oplichtende potten zijn de relikwieën van een familiegeschiedenis, mysterieus en robuust.

Het ultieme verlangen dat zo hartstochtelijk en nietsontziend uit deze roman spreekt is de tijd stilzetten om hem eeuwig te laten voortduren. Stilstand is wat Merricat betreft geen schrikbeeld maar een ideaal. Haar utopie is er een waarin ze voor altijd met Constance het huis poetst, de bezittingen van generaties Blackwood-vrouwen optilt, afstoft en precies op dezelfde plek terugzet. Waarin ze met kat Jonas door de bossen rent, fantasieverhaaltjes verzint over een leven op de maan, bij haar zus bedelt om taarten, koekjes en aaien over haar bol.

Het is een kinderlijker droombeeld dan je van een achttienjarige zou verwachten – maar ook dat is niet verwonderlijk als je bedenkt dat Merricats bovenmenselijke inspanning de tijd stil te zetten zes jaar daarvoor begon, op de dag dat ze met straf naar haar kamer werd gestuurd en haar familie zich laafde aan bramen met arsenicum.

Wanneer de achttienjarige Merricat zich in het nauw gedreven voelt door het onverwachte bezoek van neef Charles vlucht ze naar het zomerhuis. Daar stelt ze in gedachten een eettafel op, met daaromheen al haar familieleden. Ze laat hen een gesprek voeren waarin ze met niets dan liefde en lof over hun jongste dochter spreken – een gesprek dat overduidelijk in werkelijkheid nooit op die manier is gevoerd.

Het is een van de weinige momenten in de roman dat Jackson vrij expliciet onthullend is over de mogelijke beweegredenen van de zussen. Waarom moordde de één haar eigen familie uit, en bleef de ander koppig zwijgen? Wat waren die dode Blackwoods eigenlijk voor mensen, en waarom hadden ze al decennia zo’n verwrongen relatie met de dorpsbewoners? Merricat, een van de meest grandioos onbetrouwbare vertelsters in de recente literatuurgeschiedenis, vraagt het zich simpelweg niet af. Spijt en berouw komen in haar woordenboek niet voor, en als je meegaat in haar logica, is dat terecht: wie een eeuwig heden wil scheppen, kan het zich simpelweg niet veroorloven terug te blikken op het verleden. Dat suggereert de mogelijkheid van ontwikkeling, beweging, een voor en een na. Wie in zulke termen denkt, accepteert dat aan alles ook een eind komt.

De weigering precies dát te accepteren, had van Merricat een tragische heldin kunnen maken, maar in Shirley Jacksons handen is ze dat allerminst. Ze is er niet op uit om de wanen, fantasieën en blinde vlekken van haar vertelster te ontmaskeren. In plaats daarvan vraagt ze de lezer stil te staan bij de poreuze grenzen tussen normaal en afwijkend, kinderlijk en volwassen, rationeel en waanzinnig.

Merricat triomfeert omdat ze weet dat voor de instandhouding van haar utopie offers moeten worden gebracht. Als geen ander kent ze de helende kracht van vernietiging. In haar universum kunnen spullen worden stukgesmeten om andere spullen veilig te stellen; kan een huis worden afgebrand om overeind te blijven staan; een familie uitgemoord om de bloedlijn te beschermen. Ze is een Blackwood pur sang, misschien zelfs de uiterste en noodzakelijke consequentie van een familie die zich generaties lang trainde in een sterk verzet tegen sociale mores.

Merricat weet wat het kost om haar paradijs te behouden, en is bereid die prijs te betalen. Maakt dat haar een gevaarlijke gek? Ongetwijfeld. Maar veel meer dan dat is ze een van de wildste, interessantste en meest idiosyncratische vrouwen die ik ooit ontmoette tussen de kaften van een boek. Geen muze, geen trut, geen hoer. Geen sterke vrouw, en ook geen zwakke. Met een gedegen biografie (A Rather Haunted Life, Ruth Franklin), en een aanstaande verfilming van We hebben altijd in het kasteel gewoond, krijgt Jacksons werk terecht hernieuwde erkenning.


Dit artikel is een bewerking van de inleiding die Niña Weijers schreef bij deze uitgave