Leven in geleende tijd

In 2007 werd James Salters roman Light Years, uit 1975, opgenomen in Modern Classics-reeks van uitgeverij Penguin, waarmee het boek de facto werd gecanoniseerd. In de inleiding schreef Pulitzer Prize-winnaar Richard Ford plechtig: ‘Het is een geloofsartikel onder lezers van fictie dat James Salter betere Amerikaanse zinnen schrijft dan welke schrijver dan ook.

Zo’n oneliner zal door een aantal dingen zijn ingegeven. Allereerst omdat het een inleiding is, waarbij logischerwijs de lof van het boek bezongen dient te worden. Daarnaast was er vast het algehele gevoel dat Salter wel een steuntje in de rug kon gebruiken – sinds de jaren zestig gold hij als een writer’s writer, het etiket dat zowel een zegen is als een vloek voor de schrijver bewonderd door het literaire milieu, maar onbekend bij het grote publiek daarbuiten.

Medium hh 3631245

Sindsdien is daar binnen en buiten Amerika verandering in gekomen. Zijn roman All That Is uit 2013 haalde de bestsellerlijstjes, het was ‘the James Salter Moment we’ve all been waiting for’, zoals een Amerikaanse criticus opmerkte. Hij kreeg de Windham-Campbell-oeuvreprijs van Yale, werd overal geïnterviewd en geprofileerd. Alles wat is was ook een verkoopsucces voor De Bezige Bij, die daarna de andere grotere romans van Salter (her)uitgaf. Salter maakte het nog mee: hij stierf vorig jaar aan een hartaanval, op negentigjarige leeftijd, toen hij net uit de sportschool kwam.

Er is nog een derde reden te bedenken dat Richard Ford schreef wat hij schreef, een meer zuivere reden, namelijk dat Salter op zinsniveau ongeëvenaard is. Of tenminste: je kunt een pagina Salter uit duizenden herkennen. Hij zei zelf altijd dat hij niet geïnteresseerd was in het vertellen van het verhaal van hoe iets was, maar van hoe iets voelde. Zie het voor je, zei hij, als een trein die door het landschap rijdt en je vanuit je coupé steeds kleine snapshots ziet, momentopnamen, van een landschap dat een hele wereld oproept. Misschien kun je het het best zien in zijn roman Spel en tijdverdrijf, uit 1967, die zojuist door De Bezige Bij is heruitgegeven. Neem de eerste zinnen uit het tweede hoofdstuk:

‘Deze blauwe, indolente stad. Haar katten. Haar lichtblauwe hemel. De lege hemel van de ochtend, leeggestroomd en zuiver. Haar diepe, gekloofde straten. Haar smalle binnenplaatsen met vage geur van rotting die er hangt, sinaasappelschillen die in de hoeken liggen. De ongelijke trottoirbanden met hun versleten randen. Een stad van artsen, allemaal met grote huizen. Cousson, Proby, Gilot. Zelfs de straten zijn naar hen vernoemd. Stegen die door de Romeinse muur heen lopen. De Porte de Breuil, met ijzeren relingen die in de steen verzonken zijn als klimijzers voor alpinisten. De vrouwen komen buiten adem de steile helling op, met knerpende longen. Een stad die nog rijk aan fietsers is. ’s Ochtends glijden ze zachtjes voorbij. In de straten ruikt het naar brood.

Ik ben wakker voordat het dag wordt, om 05.45, terwijl de klokken drie keer slaan, in de verte en onmiddellijk daarna dichtbij.’

‘Ze liggen uitgeput naast elkaar, alsof ze zojuist een reusachtige boot aan land hebben getrokken’

Het is een opsomming. De katten, de hemel, de binnenplaatsen, de sinaasappelschillen, de ongelijke trottoirbanden. Het is niet iets wat iemand ziet als hij voorbij loopt, daarvoor is het te veel, te divers. Het genoemde volgt elkaar ook niet logisch op. Het is eerder wat iemand zich ’s ochtends voorstelt als hij in bed ligt, met zijn ogen nog dicht – in dit geval een Amerikaanse fotograaf die nadenkt over de Franse plattelandsstad waar hij in leeft.

Het effect van de stijl heeft meteen zijn weerslag op de sfeer van het verhaal: alles wordt verteld als een herinnering, als iets dat voorbij is, de stijl geeft het verhaal meteen een zweem van heimwee. Het verhaal is ook alleen maar sfeer, nauwelijks plot. Een Amerikaanse student rijdt in een geleende sportauto door Frankrijk, wordt verliefd op een Frans meisje. Hij ziet haar voor het eerst als ze danst met zwarte Amerikaanse soldaten. Hij is verrukt door haar vitaliteit, haar onschuld, haar elegantie. Ze eten, ze vrijen, ze winkelen, ze vervelen zich, hun verschillende talen staan tussen hun in, ze vrijen nog wat meer. Alles speelt zich af in restaurants, in hotelkamers, op pleintjes. Anne-Marie weet dat de Amerikaanse Philip uiteindelijk weer naar huis zal gaan, al proberen ze het allebei te ontkennen. Ze leven in geleende tijd. De tragiek zit in het niet-willen erkennen van de eindigheid.

De ik-verteller is Philip noch Anne-Marie. De naamloze Amerikaanse fotograaf vertelt hun geschiedenis zonder dat hij erbij was. Hij wijst de lezer ook steeds op het fictionele van de vertelling, excuseert zich steeds dat dit ook maar is hoe hij het zich voorstelt, of zegt dat hij navertelt hoe Philip en Anne-Marie het aan hem verteld hebben, maar dat hij de details zelf invult. Je krijgt het idee dat hij of zelf Philip wil zijn, of verliefd op hem is en zich in Anne-Marie verplaatst om zich te kunnen voorstellen hoe het moet zijn om door Philip bemind te worden.

Salter beschrijft de seks overigens heel expliciet en heel kuis tegelijk. Philip en Anne-Marie proberen hun lichamen uit, er zijn vele eerste keren. Plastische termen worden niet gebruikt, handelingen blijven onbenoemd, en toch weet je precies wat er gebeurt. Het wordt daardoor alleen maar sensueler. Richard Ford heeft gelijk, zin voor zin is het schitterend: ‘Ze liggen uitgeput naast elkaar, alsof ze zojuist een reusachtige boot aan land hebben getrokken.’

Over de stijl kan nog het volgende gezegd worden: sinds 2013 heeft De Bezige Bij vier grote werken van Salter uitgegeven: de romans Alles wat is (2013) en Lichtjaren (2014), zijn memoires Dwars door de dagen (2015) en nu dan Spel en tijdverdrijf. Alle vier zijn ze het werk van andere vertalers, achtereenvolgens Ton Heuvelmans, Peter Verstegen, Gerda Baardman en Else Hoog. In het ergste geval krijgt de Nederlandse lezer dan vier verschillende Salters gepresenteerd, en wie er een studie van maakt kan onderling vast verschillen in toon of idioom ontdekken, maar hij moet daar dan wel zijn best voor doen. Voor de gewone lezer is het juist wonderlijk hoezeer de verschillende vertalers van het oeuvre van Salter een stilistische eenheid hebben weten te maken.


Beeld: Je kunt een pagina Salter uit duizenden herkennen (hier James Salter in 2006) (Joost van den Broek / HH)