Leven in gelul aangejaagd door bewoners die in gestalttherapie en sensitivity training de beste garanties zagen voor geluk, eindigde menige vergadering in een huilpartij

SPREEK, HUIS, spreek! Wat heb je met me gedaan? Hoe is het je gelukt mij in je macht te brengen, mij je ideeën op te dringen en mij voor te schrijven hoe ik moest leven? Je hebt me verleid, bespied, gemanipuleerd, geïndoctrineerd. Je hebt mij door de jaren zeventig heen gesleurd zonder ook maar één hoofdstuk van het boek der ideologieën over te slaan. Je maakte me tot anarchist, tot communist, tot marxist, tot feminist, tot kraker, je verleidde me met drank, met hasj, met lsd, met mooie vrouwen, je was, kortom, meer dan een decennium lang mijn Mefistofeles.

Op de geboortegolf kwam ik aangesurft, een onbevangen Hollandse jongen van katholieken huize. Hoe het pand het klaarspeelde, ik weet het niet. Het was mijn allereerste dag in Amsterdam, september moet het geweest zijn, september van het Maagdenhuisjaar 1969. Ik had een kamertje van twee bij drie betrokken, ergens bij het Oosterpark. Het was mooi weer, ik doolde door de binnenstad. Plotseling bleef ik staan, alsof er iemand op mijn schouders had getikt. Ik keek omhoog en zag hem recht in het aangezicht.
Hij viel niet echt op tussen al die andere grachtenpanden aan de Oudezijds Voorburgwal. Hij was wat hoger dan zijn buren, zat wat slechter in de verf, maar had verder geen opvallende kenmerken. Of het moeten die merkwaardige halfronde ramen op de tweede verdieping zijn geweest, waarvan de bovenste helft gebrandschilderd was, met afbeeldingen van een opengeslagen bijbel, een schaal met broden - onmiskenbaar katholieke symbolen. Maar ik weet zeker dat ik die toen niet heb opgemerkt. Nee, de enige reden die ik kan bedenken waarom ik stilhield, was de open deur, en het knullige kartonnetje achter het raam naast de deur: ‘Inschrijving kennismakingstijd’.
Ik liet me naar binnen zuigen. Het was er stoffig, vettig, schimmelig. Binnen deed niets denken aan het welvarende Amsterdamse grachtenpand dat het ooit geweest moest zijn. Alles was op zo'n goedkope verenigingsmanier vertimmerd. Verlaagde plafonds, houten wandjes, deuren die niet pasten, in elkaar geflanste bars. Alles bedekt met de zoveelste laag oranje, paarse of oudroze verf. Er schoven magere types met slordige lange haren en sikjes door de gangen. Het was er donker.
'Kenningsmakingstijd voor wie?’ vroeg ik een meisje dat wel heel opzichtig geen beha droeg. 'Studenten, we zijn een studentenvereniging’, antwoordde ze. 'Ojee, ontgroening, laat maar zitten.’ Maar nee, de tijden bleken veranderd. Het ging om maatschappelijke oriëntatie, stadsverkenningen, seksuele voorlichting en politieke discussies. 'Schrijf me maar in’, zei ik gedachteloos. Twee weken later kende ik tweehonderd mensen. En twee jaar later woonde ik in het pand.
WAS HET TOEVAL dat ik me, zonder er ook maar een moment bij stil te staan, liet opnemen door een pand dat zich, net als ik, nog maar nauwelijks van het katholicisme had losgescheurd? Na de oorlog hadden paters bezit genomen van het pand. Ze hadden er een opvanghuis voor jongeren in gevestigd, en op de tweede verdieping een kapel gebouwd. Overal in het pand zwierven nog katholieke relicten. Marmeren sokkels voor heiligenbeelden, een altaarsteen.
In de jaren zestig waren pand en inboedel overgenomen door de studentenvereniging Akhnaton, een linkse afsplitsing van het katholieke bolwerk Sint Thomas. Akhnaton was van de secularisering. Ze stelde het pand open voor allerlei goddeloze zaken. Provo’s kozen er wel eens domicilie. Ik ken beelden van de Duitse televisie waarop Rob Stolk, staande voor de kelderdeuren van het pand, uitlegt dat 'Polizisten verpflicht Streichhölzer bei sich tragen sollen, sodass sie jederman ein Feuerchen geben können’. En in de tijd dat ik lid van Akhnaton was, belegde kabouter Roel van Duijn in de grootste ruimte van het pand de volksvergaderingen van zijn Oranje Vrijstaat. Ik herinner me een bijeenkomst waarop een dappere hoge officier met enkele collega’s was komen opdraven om het kaboutervolk uit te leggen dat een land niet zonder leger kon. Er vielen rake klappen, die kabouters konden goed driftig worden.
Geseculariseerd was ik al, dat hoefde ik daar niet meer te worden. Maar hoe moest je leven zonder God noch gebod? Het pand werd mijn leidsman. Hij leerde mij, om te beginnen, dat het leven een labyrint was. Het pand zat heel onoverzichtelijk in elkaar. Er was een dertien meter diep voorhuis met grote ruimten, hoge en lage. Daarachter was, gescheiden door een binnenplaats, een achterhuis, waar vroeger de koopman woonde, met een keuken beneden en een deftige hoge kamer erboven. Aan dat achterhuis vastgeschakeld zat een derde pand, waarvan de voorkant op de naastliggende Pieterspoortsteeg uitkwam. De bovenste verdiepingen daarvan waren van de vereniging, op de begane grond zat het destijds befaamde café De Pieter, ooit door Hans Gruijters ingehuldigd als het politieke café van D'66.
Hoe vaak heb ik die eerste jaren niet door de gangen en gangetjes en over de trappen en trappetjes gedoold die de drie panden met elkaar verbonden. Het was overal kruip door, sluip door. En altijd was je op zoek. En niet altijd wist je waarnaar. Nu eens landde je aan de bar, waar de jenever onweerstaanbaar goedkoop was, dan weer kwam je terecht in wat de 'oosterse kamer’ was gedoopt, een stinkhol bekleed met schimmelige tapijten, waar bij binnenkomst de hasjwalmen je in het gezicht sloegen. Het nachtelijke dolen door het pand, tijdens de eindeloze feesten die er plaatsvonden, had iets van een angstdroom, zo'n droom waarin je, gedreven door een duistere noodzaak, trap op en trap af gaat, je door gangen vol mensen wurmt zonder dat je het gevoel hebt vooruit te komen, radeloos op zoek naar iemand van wie op dat moment je hele leven afhangt, maar je loopt voortdurend de verkeerde persoon in de armen, een persoon die de meest afschuwelijke dingen van je verlangt, zodat je blij bent wanneer je je uit zijn greep weet los te rukken, om vervolgens je vader tegen het lijf te lopen, of je vroegere tekenlerares op wie je zo verliefd was, terwijl het onophoudelijk door je kop hamert: 'Mijn God, ik heb geen onderbroek aan!’
Maar het pand had het goed met mij voor. Tijdens een van die jeneverovergoten, hasjdoorrookte nachtmerries wierp hij mij in zijn goedertierendheid op een oud, versleten matras dat, zonder speciale reden, ergens in de hoek van de danszaal lag, en toen ik opkeek was zij daar, de hinde met de hotpants en de doorkijkblouse, het mooiste meisje van de kennismakingstijd: van mij! Ze werd van mij!
ONDERTUSSEN was het de brandweer niet ontgaan dat het pand soms wel heel erg veel mensen herbergde, en dat de doorgangen overal wel heel erg nauw waren, en dat er bij brand situaties zouden kunnen ontstaan waar elke nachtmerrie bij verbleekte. Want niet alleen de studentenvereniging hield er talloze feesten, maandelijks waren er ook de zogenoemde 'integratiefeesten’ van de Amsterdamse Jongeren Actiegroep Homoseksualiteit, en in het zomerseizoen, als de studenten massaal naar de naaktstranden op de Griekse eilanden waren vertrokken, werden de hippies van de Dam naar binnen gelokt om er, tussen het gelurk aan joints en tsjilms door, thee en limonade te verteren, terwijl Akhnaton-dj Harry de Winter voor passende psychedelische klanken zorgde.
Akhnaton moest het pand verlaten. Ze vertrok naar de Nieuwezijds Kolk, waar ze evolueerde tot het internationaal vermaarde centrum voor house en hiphop. De eigenaar van het Oudezijds-pand, een stichting bemand door voormalige Akhnaten afkomstig uit de Amsterdamse katholieke elite, besloot het pand een woonfunctie te geven. Het bestuur van de studentenvereniging en hun vriendjes en vriendinnetjes legden onmiddellijk beslag op de mooiste ruimten. Wat overschoot waren de overdekte binnenplaats en een daaraan grenzende, vrijwel raamloze ruimte met de onmogelijke afmetingen van vier bij vier bij vier. Mijn hinde en ik trokken er onze neus niet voor op.
Het pand nam zijn nieuwe rol met verve op zich. Het splitste zich op natuurlijke wijze in zo'n tien wooneenheden, bijna zonder uitzondering bewoond door jonge paartjes, want 'samenhokken’ was de mode. En het injecteerde de bewoners met het gif van de communegedachte. Alles, tot en met het merk wasmiddel voor de gemeenschappelijke wasmachine, was onderwerp van eindeloze bewonersvergaderingen. En de geest van de commune stopte niet voor de grens van het privé-leven. Aangejaagd door bewoners die in gestalttherapie, sensitivity training, psychodrama en bio-energetica de beste garanties zagen voor menselijk geluk, eindigde menige vergadering in een krijsende huilpartij.
Niet alleen de ideologie van de commune, ook die van het communisme had bezit genomen van het pand. De CPN was diep geïnfiltreerd. De Waarheid werd en gros aangeleverd. Gezamenlijk marcheerden we naar de herdenkingen van de Februaristaking, naar de Waarheidfestivals, naar de demo’s tegen 'moordenaar’ Johnson en voor de Chileense held Allende. En toen de gelederen dreigden te splijten op de kwestie van de metro, kwam hoog CPN-kader opdraven om ons uit te leggen dat het omschoffelen van de Nieuwmarkt een zegen voor de arbeidersklasse was. Maar zelfs de tranen van een der kameraden, vergoten toen hij herinnerde aan de partijgenoten die in de oorlog hun leven hadden gelaten, konden de scheiding der geesten niet verhinderen. Wekenlang schoven de bewoners op de trappen met kwaaie koppen langs elkaar.
Het werd tijd voor het pand om in te grijpen. Het greep naar het enige middel dat de rijen weer kon sluiten: de gezamenlijke strijd tegen het bevoegd gezag. Manmoedig posteerde het zich in de voorste rijen van de demonstraties tegen de gemeentelijke metroplannen.
Recht tegenover het pand bevond zich het stadhuis, daar waar nu hotel The Grand zit. Het gemeenteraadsdebat over de metro was aanstaande. De Actiegroep Nieuwmarkt, een goed geoliede protestmachine, vroeg ons of ze tijdens het debat van ons dak gebruik mochten maken. Gelikte heren met attachékoffertjes kwamen ons overhalen. En zo verscheen op de dag van het raadsdebat een ploeg technici die een gigantische geluidsinstallatie op ons dak plaatste. ’s Avonds schalde het debat, per zender vanuit de raadszaal naar de versterker geseind, over de gracht, waar honderden demonstranten waren samengestroomd.
Een onbekookte brigadier, die het commando voerde over een vijftiental dienders, meende op eigen houtje te moeten ingrijpen en stuurde zijn manschappen op het pand af. Dat was het moment waarop het pand besloot een daad te stellen. Hij bood nauwelijks verzet toen de eerste agenten met geweld de voordeur forceerden. Maar vervolgens lokte hij de troepen diep de achterpanden in. De na de agenten binnenstormende demonstranten stuurde hij echter in de goede richting, omhoog in het voorpand. Toen de agenten uit het labyrint terugkeerden en eindelijk de trappen naar het voorpand vonden, stonden ze tegenover een overmacht aan krijgslustige protesteerders, gewapend met bezems en stofzuigerstangen. Er vielen klappen, er rinkelde glas, ramen schoten uit hun sponningen. De commandant gaf het bevel 'Terugtrekken!’ Op het bordes namen de overwinnaars de toejuichingen van de demonstranten in ontvangst. En de volgende dag kwam de timmerploeg van de Actiegroep Nieuwmarkt alle schade herstellen.
TWEE WEKEN later, het debat was onbeslist geëindigd, kreeg de politie een herkansing. Wederom schalde het debat vanaf ons dak over de gracht. In een ditmaal goed voorbereide actie zette de politie de hele omgeving van het pand af. Ze verschafte zich met een bijl toegang tot het pand en rukte gedecideerd op naar het dak. Ze stuitte nergens op tegenstand. En eenmaal op het dak was er geen spoor van een geluidsinstallatie te vinden. De boxen waren, op afspraak, razendsnel onder plantenbakken verstopt. En de technici zaten met hun versterker bij de buren op zolder. Onder gejoel van de demonstranten droop de politie ten tweeden male onverrichterzake af. De volgende dag werd het pand beloond met een gloednieuwe deurpost.
Door de metrokwestie werd het gestaalde communisme voorgoed uit het pand verdreven. Om opgevolgd te worden door een nieuwe ideologische plaag: het stalinistisch-feminisme. De vrouwelijke bewoners van het pand verruilden de klassenanalyse voor de geslachtenanalyse. De mannen kregen het zwaar te verduren - wat ze ook deden, het was niet goed of het deugde niet. Waar vroeger het ritmische gehijg van zich verpozende paren weerklonk, denderde nu het gekijf van splijtende stellen. Met als gevolg dat het bewonersaantal zo goed als halveerde: alle stellen werden eenlingen, aan het samenhokken kwam een abrupt einde.
Gelukkig verdrongen al snel veel existentiëler zorgen de relatiebeslommeringen naar de achtergrond: het naakte voortbestaan van het pand zelve was in gevaar. Hij smeekte om verzorging. Lekkende daken, doorslaande muren, afbladderende verf, er móest wat gebeuren. De katholieke heren van het bestuur zaten met de handen in het haar. Ze mompelden nog wel wat over 'iets ritselen’ met een bevriende ambtenaar, een bevriende aannemer, maar dat vermocht bij de bewoners geen vertrouwen te wekken. Dus werd in overleg met hen besloten dat wij voortaan geen huur meer zouden betalen aan de stichting Akhnaton. De huur stortten we voortaan rechtstreeks in een herstelfonds. Alle banden met de stichting werden, met wederzijdse instemming, verbroken. Wij bevorderden onszelf tot krakers.
Dat was fijn voor het pand. Ineens had hij lotgenoten, nieuwe kameraden in een nieuwe strijd. We gingen naar kraakspreekuren, kraakoverleggen, kraakmanifestaties en kraakacties. Maar de strijd was niet hard, want het waren de tijden van Jan Schaefer, de energieke wethouder die de hele stad vertimmerde en die een handige oplossing voor het kraakprobleem in petto had: aankopen. Tezamen met acht andere panden, waaronder het roemruchte NRC Handelsbladcomplex aan de Nieuwezijds Voorburgwal, kwamen wij op de eerste lijst van door de gemeente te verwerven panden. Dat summum van repressieve tolerantie werd mijn rebellenhart te veel. Geholpen door relatieproblemen verliet ik voorgoed het pand.
MEER DAN een decennium had ik in gelul geleefd, tot Jan Schaefer kwam vertellen dat je daar niet in kunt wonen. Want inderdaad, gelul was het. Dronken gelul, anarchistisch gelul, stoned gelul, marxistisch gelul, relatiegelul, feministisch gelul, krakersgelul en het eindeloze gelul op die hemeltergende bewonersvergaderingen. De jaren zeventig. En die steenklomp daar op de Oudezijds Voorburgwal was het pand dat me door die vermoeiende jaren van verkruimelende wereldbeelden en uiteenspattende ideologieën heen loodste.
Ik trek de stoute schoenen aan. Nog één keer druk ik op de bel van mijn katholieke verleider. Een frisse jongeman van in de twintig doet open en kijkt me wantrouwend aan. 'Er is laatst ingebroken’, verklaart hij zijn houding. Ik mag even rondkijken, maar hij heeft geen tijd me daarbij te begeleiden; hij heeft het te druk, zo blijkt, met stofzuigen en kleden kloppen. In de gangen is het brandschoon, het ruikt er fris, er hangt was in het trappenhuis. De deuren van de hat-eenheden zijn vrolijk blauw, er prijken heldere bordjes op. Je proeft het aan alles: hier is van gelul geen sprake meer.
Weer buiten kijk ik nog eenmaal omhoog naar de tweede verdieping. De bijbel en de broden zijn er nog. Ik onderdruk de neiging een kruisteken te slaan.