Leven in razernij

IN DE ZOMER van zijn eindexamenjaar schrijft Albert Egberts aan iets wat een boek der boeken, een nooit meer te evenaren werk moet worden dat de jeugdige schrijver onmiddellijk bekend zal maken als een jong genie. Bejaarden op het dak van de wereld gaat het heten.

Hij wil daarin zijn eigen mythologie tegenover die van het christelijke geloof stellen, een ambitie waarin megalomanie en het verlangen naar mythologisering op een fantastische manier met elkaar wedijveren.

De wat indolente en lethargische hoofdrolspeler uit A. F. Th. van der Heijdens voortdurend uitdijende romancyclus De tandeloze tijd - de schrijver heeft deel vijf al aangekondigd - heeft dan net Nietzsches Die Geburt der Tragodie gelezen en daaruit vooral de passage onthouden die antwoord geeft op de vraag wat het voortreffelijkste is voor de mens: ‘nooit geboren te zijn… niet te zijn… niets te zijn’.

Die zin moet het fundament vormen van de jongensdroom die Albert voor ogen staat. Hij heeft de hoofdrol toebedacht aan een auteur die in een driedelige Ethica met een niets ontziende logica moet aansturen op de totale ondergang van de mensheid. Er zijn wat parallellen met De tandeloze tijd. Na voltooiing zal hij 'alleen voor de vorm gaan studeren in een grote stad, waar hij in een wit pak langs de cafeterrassen zou gaan flaneren om door iedereen hoofdschuddend te worden bewonderd’.

Het zal allemaal anders uitpakken. Alberts boek blijft een hersenspinsel. Er wacht hem een lijdensweg die hem door de krochten van het bestaan voert, en daar is zoals bekend alles pikzwart. Dat er na die hellevaart nog een herrijzenis mogelijk is, zoals we uit het vierde deel, Advocaat van de hanen (1990), we ten, is een godswonder. Dat neemt niet weg dat wie zijn kruis heeft gedragen maar al te graag over zijn tragedie wil vertellen. Albert doet dat dan ook in het lang verwachte derde deel van De tandeloze tijd, het doublet Het hof van barmhartigheid en Onder het plaveisel het moeras. Honderduit zelfs, alsof er geen eind aan komt.

ALBERTS’ DROOMWENS is er een die Van der Heijden eerder opvallend genoeg in enkele door hem afgegeven interviews op zichzelf van toepassing heeft verklaard. Dat schrijver en hoofdpersoon elkaar hier op het snijvlak van werkelijkheid, literaire mythomanie en verbeelding de hand reiken, zal geen toeval zijn. De samenkomst symboliseert iets wat in de herhaalde verwijzing naar boeken en auteurschappen - met het spiegelingseffect van het bekende Drosteblik - nog eens extra tot uitdrukking komt. In dit deel van De tandeloze tijd wordt het vertellen zelf meer dan ooit gethematiseerd, en in die context past een verwijzing naar de geboorte van deze specifieke verteller, of dat nu Albert Egberts of Van der Heijden zelf is.

De verteller was in de orale traditie altijd ook speelman, iemand die verbaal jonglerend met feit en fictie, en ongegeneerd omspringend met zelfs de meest hachelijke gegevens uit eigen en andermans leven, via zijn stem verschillende figuren tot leven kon brengen. Zo betrok hij de toeschouwers bij de actualiteit van het dagelijks leven. Wat vertellers vroeger deden is in de loop der jaren op de schrijver overgegaan. Zij vertaalden hun mimiek en gestiek in schriftuur.

Zo ook in dit derde deel, waar A., F. en Th. bij elkaar komen: Albert, Flix en Thjum. Bij deze drieeenheid voegt zich Patrick Gossaert, een student kunstgeschiedenis en Italiaans met schrijversambities. Hij publiceert onder de naam Patrizio Canaponi - een afgedankt pseudoniem van Van der Heijden zelf - en haalt in zijn boeken de ruwe stof van Alberts leven door een 'gouden zeef’. Na zijn eerste literaire successen en de ontvangst van de Anton Wachterprijs gaat hij aan de slag met een grote roman, Knapensluimer, die al evenzeer trekken vertoont van De tandeloze tijd. De hoofdfiguur daarin zal uit een koor van stemmen bestaan, een 'samenscholing van vertellers’, een meervoudig vertellersperspectief waarin 'de koren die al maanden in mijn hoofd ruisten eindelijk een verstaanbare stem (kregen). De eerste persoon meervoud die ik gezocht had, pakte als een soort homerisch wij uit (…), een honend zootje van goden en halfgoden, bezwerend inpratend op hun held (…), maar dan wel op de wijze van deze tijd, en met een Hollandse mond.’ Wat Patrick Gossaert hier beschrijft is de richting die de met veel thema’s en motieven gecomponeerde romancyclus van Van der Heijden inmiddels heeft genomen: van eenstemmigheid naar polyfonie.

DOOD, GEWELD en (zelf)vernietiging voeren dit keer de boventoon. Het vriendentrio valt uit elkaar. Thjum zal in Italie sterven. Flix, die Thjums dood op zijn geweten heeft, blijft er achter met twaalf jaar cel, en Albert belandt uiteindelijk in Amsterdam in het gevang. Hij neemt daar afscheid van een ontluisterend leven als junk, een verloederd bestaan waaraan hij ternauwernood is ontsnapt door zijn voornemen tot een vermetele daad: het neerschieten van de neofascist Baartscheer. De afloop daarvan is be kend uit Advocaat van de hanen, waarin voor Albert slechts een bijrol was weggelegd. Hij realiseert daarmee een keerpunt in zijn leven, nu al zijn hooggestemde plannen zijn vastgelopen in het echec van een allesverslindende verslaving. Een leven waarin hij zich gaat toeleggen op het schrijven van toneel, dat wil zeggen op meerstemmig vertellen, op schrijven als middel om aan de druk van de realiteit te ontsnappen. Daarvan lijkt overigens een niet minder verslavende werking uit te gaan, alvast te oordelen naar de omvang van dit nieuwe deel van de cyclus. Zo is de cirkel rond en komt alles bij elkaar uit.

Inmiddels zwerft Alberts manuscript als een ongewenste gast langs de uitgevers. De zich steeds herhalende doffe deurmatplof die de terugkeer van het pak papier aankondigt, haalt Albert Egberts stukje bij beetje uit zijn mythologische roes. Niet de kortst mogelijke weg naar het einde wordt zijn streven, maar een aardse variant op het eeuwige leven: 'leven in de breedte’, 'de geest om aan zoveel mogelijk tegelijk deel te nemen’. Met zijn truc om tijd te winnen op de eeuwigheid, een voortdurend nu te creeren, lijkt Albert zijn bestemming gevonden te hebben. Nauwelijks 26 jaar oud zal hij echter moeten ondervinden dat die alledaagse onsterfelijkheid zich voedt met de sappen van ontbinding en verval. Ook de dood kent geen tijd en blijft hem, alle rek- en strekoefeningen ten spijt, onverbiddelijk op de hielen zitten.

De twee dikke delen Tandeloze tijd die Van der Heijden heeft afgeleverd, zo'n veertienhonderd dichtbedrukte bladzijden, zijn letterlijk en figuurlijk een kolossaal werk. De cyclus is met superlatieven overladen en op alle mogelijke manieren geduid. Hij is onder meer een kroniek van de jaren zeventig genoemd, een generatieroman, een metafoor voor de grote matheid van een tijd die het revolutionair elan van de jaren daarvoor was vergeten. Met die kwalificaties is niets te veel gezegd. Er is op gewezen dat hij de negentiende-eeuwse traditie van het realisme opnieuw leven heeft ingeblazen, een model is van de condition humaine, en, de reeksen personages in acht genomen, evenals de vele vertakkingen die de intrige kent, zeker een roman fleuve genoemd mag worden.

OOK DIT DERDE deel is weer een eindeloze maalstroom barstensvol minuscuul gedetailleerde illustraties van lustbeleving, schaamte, geweld, erotische fantasieen, roes, vernedering, angstvisioenen, schuldbesef. Overvol zelf - al lezend kom je wel eens in ademnood. Ze zijn opgenomen in de eindeloze aaneenschakeling van anekdoten, verhalen, korte romans in de roman, meerstemmige koren, brieven, platituden en banaliteiten, dagboeken, observaties en herinneringen waarmee het vertelweb is gesponnen. Toch hoeft niemand voor chaos te vrezen; Van der Heijden houdt overzicht over de elkaar kruisende verhaaldraden en verbindingslijnen, al worden niet alle knopen in het weefsel even gladjes gelegd.

Hoewel hij inmiddels een zwerm figuren om zich heen heeft gekregen - naast Thjum, Flix en Patrick komen onder meer zijn liefde Zwanet Vrauwdeunt, kwartaaldrinker en krakeradvocaat Ernst Quispel, de Napolitaanse kindersmokkelaar Gesu Porora, voor wie Albert koeriersdiensten verricht, en de van moord verdachte Hennie Avezaath aan het woord - blijft Albert Egberts toch het middelpunt van de duizelingwekkende werveling van gebeurtenissen. Na zijn kandidaatsexamen filosofie vertrekt hij naar Amsterdam om daar met zijn leven te gaan experimenteren. Al snel blijkt die locatie een tot dan toe nog niet gekende gevarendriehoek van grootsteeds dag- en nachtleven en een onderdompeling in de onderwereld. Van een voorgenomen studie komt niets meer, beter lijkt het om de suggestie van Thjum te overwegen en het in de schrijverij te zoeken. De vraag is in welk genre. Wil hij dat, dan komt het er voor hem op aan 'de nuchterheid van de wereld niet geruststellend te bevestigen, maar tot ieders verontrusting op de heffen. Een wak slaan, gaten boren, scheuren maken in de bobbelige korst van de banaliteit’. Hij zal tegels lichten, om vervolgens de alles en iedereen naar de laagste lagen van het aardse bestaan zuigende zomp met literair bladgoud te vergulden.

De daarbij behorende houding zoekt Albert in een conflictueus omgaan met de wereld om zich heen. 'Leven in razernij’ noemt hij dat en daarin moet de acceptatie van alcoholische katers vanzelfsprekend zijn. Want die slaan bressen in de werkelijkheid en scherpen de rontgenblik waarmee de door overmatig alcoholgebruik veroorzaakte ontluistering kan worden vastgelegd. Zijn belangrijkste medestrijder is hem maar al tezeer bekend: de dood, omdat 'die elk leven tot iets exotisch maakte, ook het meest banale’. Een stevige steun in de rug bij zijn komende escapades door de Big City is zijn onvermogen om zelfs maar een greintje verantwoordelijkheid te nemen voor zijn daden.

WAARTOE EEN EN ander leidt, is huiveringwekkend uitgetekend in de zogeheten sneeuwnacht in september, de nacht waarin Albert zijn tienduizendste levensdag zal vieren met de mooie Zwanet. Voordat hij beseft wat er gebeurt, maakt hij een dolle rit door de stad, geflankeerd door de criminele Krijn, een dealer in coke. Zijn ondoordachte solidariteit met deze onderwereldfiguur wint het van zijn liefde voor Zwanet. De daarop volgende namiddernachtelijke omzwerving door Amsterdam heeft iets van een tocht door de Hades en lijkt op een omgekeerde Orfeus-mythe.

Zwanet, de vrouw naar wie hij uiteindelijk op zoek is, zal tevergeefs op hem wachten in trefpunt Dogshit City. Ze had voor die nacht een 'roerloze paring’ met hem in gedachten, voor het eerst een bed-samenzijn. Dat Albert zijn belofte niet nakomt en haar schaamteloos in de steek laat, heeft gruwelijke gevolgen. Op haar eenzame rit door het Vondelpark naar huis wordt ze van haar fiets gerukt en verkracht.

Die nacht waarin hij in contact komt met heroinedealer Ali, markeert in feite het begin van het einde van zijn geexperimen teer met het bestaan in de breedte. Zijn leven glijdt hem uit handen. De verslaving zuigt Albert steeds dieper naar de bodem van een moeras. Illegale kinderhandel, kinderporno, winkeldiefstal en autokraken, hij schrikt nergens meer voor terug. Steeds vaker bevangt hem het gevoel een proefkonijn te zijn, 'slachtoffer van een laboratoriumexperiment met als uitkomst: de mens is het enige wezen op aarde met het vermogen tegen zichzelf te kiezen’.

VAN DER HEIJDEN volgt zijn belangrijkste protagonist overigens op meerdere routes dan die van zijn helletocht door dag en nacht, een zwerven dat hem in de gelegenheid stelt om de actualiteit van de jaren zeventig in Amsterdam tot in de faits divers opnieuw op te roepen. Hij richt de schijnwerper op Alberts opzichtige, taboedoorbrekende levenswandel, zijn spotten met het systeem van zeden en gewoonten onder meer tot uitdrukking komend in zijn godslasterlijke praat, zijn soms agressief en liederlijk gedrag en orgiastische escapades. Hiermee in verband staan Alberts werkzaamheden aan zijn 'Encyclopedie van de vulva’, een liefdeloze verzameling vulgariteiten over de mysterieuze plek die fascineert als het leven en de dood zelf.

De wereld van gedachten, stemmingen, dromen en zieleroerselen is een volgend niveau. Daarin passen bijvoorbeeld het verhaal over Hennie Avezaath en de discussie over kunst met Flix. De eerste is de hoofdpersoon uit de Lummelse moordzaak, een verhaal gruwelijker dan de Oedipus van Sophocles en Freud, meent Thjum. 'Het Oedipuscomplex van de jongen en het meisje ineen.’ De vrouw zou haar vader en enkele jaren later haar moeder hebben omgebracht. Daarmee volbracht ze iets wat Albert met zijn eigen 'vallende ouders’ nooit was gelukt. In werkelijkheid is ze echter onschuldig. Maar wat Albert nog het meest interesseert, is het web van roddels dat om haar heen geweven is omdat daarin 'een primitieve, orale vorm van literaire kunst’ in terug te vinden is.

In de gesprekken met Flix staat de vraag naar de mogelijkheden en grenzen van het realisme in de kunst centraal. Moet je de werkelijkheid bewerken, omsmeden tot iets moois waarin zelfs de herinnering aan de gruwel is opgenomen, of de beweging ervan vangen. Flix opteert voor mogelijkheid twee, maar acht alleen de 'laatste beweging van een mens’ de moeite waard. De slachtoffers van Pompei zijn zijn voorbeeld. Wanneer hij zijn plan in Napels volvoert op zijn proefkoning Thjum, stikt die in het gipsharnas dat om hem heen is gelegd. Inderdaad. Overal is de dood in het spel, steeds is er wel een martelaar.

Leven in de breedte is in dit deel van de cyclus vertellen in de breedte geworden. Oeverloos desnoods, als om de tijd te doden. Want zolang verteld wordt, lijkt de tijd opgeheven en daarmee de vernietigende werking er van. Vertellen kan Van der Heijden - gedreven, adembenemend en aangrijpend soms, bij vlagen briljant, met een vuurwerk van woorden, warmbloedig, en kleurrijk als het om milieutyperingen gaat. Bij de manier waarop hij dat doet ontstaat er altijd ruis: overlappingen, herhalingen, flauwiteiten. Er ontstaan dode momenten, er wordt geschmierd, de schrijver demonstreert breedsprakigheid en soms groteske mythomanie, waardoor de aandacht weleens verslapt. Ook dat hoort erbij.