Leven in tekst

‘Mensen die beweren dat taal ontoereikend is, hebben gewoon niet genoeg geleerd.’ Voor A.S. Byatt is schrijven een noodzaak; met tachtig jaar werpt ze zich nog altijd in bergen tekst.

Medium 20161113spe2 76

‘Hoe ouder ik word, hoe meer ik mijn eigen leven beschouw als een relatief korte episode in een lang verhaal. Darwin en Freud – en Tennyson en zelfs Swedenborg – schijnen me belangrijker toe in dit verhaal dan wat op televisie te zien is, of zelfs de dagelijkse ontwikkelingen in Koeweit of Sarajevo’, schreef de Britse schrijfster A.S. Byatt in een essay begin jaren negentig. De tegenstelling tussen literatuur als onmisbaar en integraal onderdeel van het leven en de alledaagse, politieke werkelijkheid vat het omvangrijke oeuvre van Byatt mooi samen. Een oeuvre dat ondertussen bestaat uit bijna een dozijn, doorgaans vuistdikke romans, vijf verhalenbundels en enkele essaybundels.

Byatt heeft al vele prijzen en eredoctoraten ontvangen en is sinds 1999 Dame Antonia. Op 8 december ontvangt Byatt de Erasmusprijs voor haar bijdrage op het gebied van Life Writing en daarom was ze begin november al een week in Nederland. Ondanks haar tachtig jaar en frêle gezondheid maakte ze een uitgebreide tour door het hele land en nam de tijd voor een interview in haar hotel aan het einde van haar verblijf. Dezelfde week verscheen ook haar laatste boek Pauw en wijnrank in de Nederlandse vertaling. Een boek over de socialist en oprichter van de arts-and-craftsbeweging William Morris en de Spaanse ontwerper Fortuny. Die laatste werd beroemd met zijn op de Griekse oudheid geïnspireerde gedrapeerde jurken, bekend van de beroemde foto’s van de danseres Isadora Duncan en gedragen door Albertine in Prousts romancyclus De verloren tijd. In haar essay dringt ze met haar vergelijking dieper door in het leven van beide kunstenaars.

Antonia Susan Drabble (1937) groeide op in het Noorden van Engeland, Yorkshire, en bezocht, net als haar twee zussen, de Quaker-school waar haar moeder les gaf. Zowel haar moeder als vader was de eerste in hun familie die gestudeerd had en verwachtte hetzelfde van hun drie dochters en zoon. De dochters Drabble gingen allen naar Cambridge. De jongste werd kunsthistorica, de twee oudsten werden schrijfster. Beiden debuteerden midden jaren zestig. De zeer productieve en gelauwerde schrijfsters worden sindsdien – de eerste roman van Margaret Drabble en de tweede van A.S. Byatt (The Game) gaan beide over rivaliserende zussen – achtervolgd door het gerucht van een familievete. Margaret Drabble had vanaf het begin succes, Byatt brak door in 1990 met haar met een Booker Prize bekroonde roman Possession.

Possession is het verhaal van twee romances: tussen de literatuurwetenschappers Maud Baily en Roland Michell en de Victoriaanse dichter Randolph Henry Ash en Christabel LaMotte. Roland en Maud zijn gespecialiseerd in de respectievelijke auteurs en ontdekken het bestaan van een buitenechtelijke affaire tussen de negentiende-eeuwse schrijvers. Als twee literaire detectives volgen ze het spoor dat zou moeten leiden naar de correspondentie, op de hielen gezeten door de sinistere Amerikaanse Ash-biograaf en -kenner, die alles van Ash opkoopt om naar de VS te exporteren. De historische romance wordt verteld vanuit de twee dichters zelf door middel van hun correspondentie en eigen werk. Het werk bestaat uit gedichten die bijna bezwijken onder verwijzingen naar mythologie, kinderverhalen gebaseerd op gruwelijke sprookjes en dagboekaantekeningen.

Ook in de verhaallijn in het heden heeft Byatt een grote verscheidenheid aan soorten teksten en personages weten te verwerken. Generaties literatuurwetenschappers komen voorbij, zoals de repressed Beatrice Nest die verliefd wordt op het werk van Ash, maar als vrouw in de vroege jaren vijftig de taak krijgt om de dodelijk saaie en omvangrijke dagboeken van mevrouw Ash te onderzoeken. Zij wordt door de opeenvolgende generaties van vrouwelijke studenten aanvankelijk als moederlijk en vervolgens, met de ontwikkeling van het vakgebied van de vrouwenstudies, met medelijden, verachting en angst bezien.

Byatts moeder had voor de oorlog in Cambridge gestudeerd, maar zat, zoals de meeste vrouwen in dat tijdperk, na een korte periode van vrijheid en intellectuele uitdaging, in het keurslijf van moederschap en huishouden. Deze diepe frustratie was niet bevorderlijk voor een harmonieus familieleven, maar zorgde er wel voor dat geen van haar dochters uitsluitend huisvrouw werd. Ook Byatt was na haar studie aan Cambridge bang voor dat lot. Ze deed eerst academisch onderzoek in de VS en begon bij terugkomst aan een dissertatie aan de universiteit van Oxford. In die tijd kregen mannen een ruimere toelage wanneer ze trouwden, om hun gezin te kunnen onderhouden, Byatts beurs werd stopgezet omdat ze trouwde. Zoals ze zelf schrijft in het latere voorwoord bij haar debuut, The Shadow of the Sun (1964), verwachtte geen enkele jonge vrouw van haar generatie dat een echtgenoot in zijn carrièrekeuzes rekening zou houden met het eventuele werk van zijn echtgenote.

Desondanks slaagde ze erin haar eerste roman te voltooien op haar 25ste, nadat ze getrouwd was met de econoom Ian Charles Rayner Byatt, twee kinderen had en de tijd voor vrijheid en denkwerk voorbij leek. Haar zoon stierf op jonge leeftijd in een verkeersongeluk, Byatt hertrouwde met haar huidige echtgenoot Peter Duffy en kreeg nog twee dochters.

Ze begon de roman in haar eerste jaar in Cambridge en had ondertussen Proust en Iris Murdoch gelezen. Murdoch werd haar grote voorbeeld en mentor en Byatt publiceerde twee studies over haar werk. Wat Byatt absoluut niet wilde was een roman schijven over uitsluitend haar eigen beperkte ervaringen. In The Shadow of the Sun probeert de jonge Anna Severell uit de schaduw van haar vader te komen, een schrijver, een wild genie, die bereid is alles opzij te schuiven voor zijn werk.

‘Ik ben geshockeerd door jongere schrijvers die tevreden zijn met de gedachte dat je juist aan jezelf zou moeten denken’

Zoals bij alle schrijvende vrouwen komt vroeg of laat de vraag hoe ze staan tegenover feminisme. Byatt is daar altijd duidelijk over geweest en ook in dit interview zegt ze hierover: ‘Ik ben tot in mijn vezels een feminist. Zo diep, dat ik simpelweg niet alleen wil schrijven voor vrouwen, over vrouwen. Ik ben erg gelukkig, als feminist, dat veel mannen mijn werk lezen en waarderen. Toen ik begon met schrijven waren alle belangrijke Engelse schrijvers op dat moment vrouwen: Iris Murdoch, Doris Lessing en Muriel Spark. Nu is dat zeker niet het geval. En dit komt doordat vrouwen geloven dat ze zouden moeten schrijven over vrouwen voor vrouwen. Iris, Doris en Muriel werkten gedurende een tijdperk waarin het simpelweg nooit in hen op zou zijn gekomen dat grote schrijvers niet ook vrouwen konden zijn. Doris schreef inzichtelijk over de problemen van vrouwen maar zonder een moment te denken dat ze niet zou kunnen schrijven. Maar toen ontstond het politieke feminisme, wat geweldig was en erg succesvol, maar het had als nadelige bijwerking dat vrouwen dachten dat ze alleen boeken door vrouwen over vrouwen mochten lezen en schrijven.’

Sinds haar jeugd is Byatt gefascineerd door de Noorse mythes en in 2011 herschreef ze de Ragnarok, het verhaal over het einde van de goden. In de vertelling combineert Byatt de angst van een mager kind dat opgroeit tijdens de Tweede Wereldoorlog met de eindtijd van de Noorse goden en het uitsterven van de soorten, in onze eigen, hedendaagse eindtijd. Byatt was nog jong tijdens de oorlog en vanwege haar astma moest ze veel in bed blijven, waar ze haar dagen lezend doorbracht. In haar werk probeert ze iets van de gruwelijke kracht van die sprookjes weer te geven in onze gedemystificeerde wereld.

Een andere obsessie van Byatt is kleur, vooral duidelijk in de korte verhalen. De schrijfster komt uit een weinig muzikale familie en is zelf toondoof. In haar werk lijkt ze deze lacune opgevuld te hebben door de exacte beschrijving van kleuren. In een van de verhalen in Elementals (1999) laat een Engelse landschapschilder in zijn huis in Zuid-Frankrijk het zwembad betegelen in een specifieke kleur blauw: ‘It was a recalcitrant blue, a blue that asked to be painted by David Hockney and only by David Hockney.’

Een opvallend aspect van Byatts fascinatie voor het visuele is de overvloed aan ekphrasis – precieze beschrijvingen van schilderijen. Ze schreef zelfs een dun boekje, Portraits in Fiction, waarin ze geschreven en geschilderde portretten vergelijkt. Bij Byatt kun je het woord beeldspraak letterlijk en figuurlijk opvatten. ‘Het fijne van boeken, in tegenstelling tot schilderijen, is dat ze altijd beschikbaar zijn. Je kunt ze mee naar bed nemen. Terwijl je niet altijd naar een schilderij kunt terugkeren. Ik zet beelden in mijn gedachten voortdurend om in woorden. Als ik begin met schrijven is het hoofdstuk waar ik aan werk al in mijn hoofd als een aaneenschakeling van beelden in een geometrisch patroon. Dus ik begin met beelden en vervolgens zet ik ze om in woorden. We hebben woorden en woorden en woorden. Mensen die beweren dat taal ontoereikend is, hebben gewoon niet genoeg geleerd.’

Het opvallendste aan Byatts, veelal geheel of gedeeltelijk historische romans is de rijke textuur van de verschillende soorten teksten, ieder in een eigen vorm en register. Tussen 1978 en 2002 verscheen de vierdelige serie over de ambitieuze en koppige Frederica Potter wier leven veel overeenkomsten vertoont met dat van de schrijfster. Ook deze romans zijn doordrenkt van andere teksten, bestaande en bedachte. In het eerste deel, The Virgin in the Garden, is dat een toneelstuk over Queen Elizabeth I, in de stijl van haar tijd; in Still Life, de net heruitgegeven brieven van Van Gogh, wiens werk in de late jaren vijftig, wanneer de roman zich afspeelt, bij een groter publiek bekend wordt. En ook in Babel Tower en A Whistling Woman worden kinderboeken en romans van de hoofd- en bijpersonages moeiteloos opgenomen. Voor Byatt beantwoordt die manier van schrijven aan ‘de morele overtuiging dat er meer, tegenstrijdige dingen bestaan in de wereld. En dat er meer dan één manier is om een verhaal te vertellen en meer dan één gezichtspunt. Er zijn ook schrijvers die simpelweg korte, heldere romans over één ding schrijven. Dat is ook goed, maar het is niet wat ik tracht te doen. Ik probeer een grotere wereld te scheppen.’

In 2001 noemde de Amerikaanse schrijver John Updike in The New Yorker Byatt een magneet die zich in een berg teksten werpt met de overtuiging dat door het volgen van haar instinct ze de obscure informatie en details die nodig zijn voor haar werk zal aantrekken. Zo maakt ze boeken waarin ondanks de uiteenlopende bronnen alles verband lijkt te houden met alles. Volgens Updike wordt de massa aan geleend materiaal en imitaties in haar boeken bijeengehouden door ‘an Iris Murdochian belief in the momentousness of sexual attraction (usually described from the male point of view), and by a fine eye and ear for natural detail as well as for footnotes’.

En inderdaad, Byatt werkt, ondanks haar leeftijd, nog steeds op deze manier aan een nieuw boek. Ze is bezig met een roman over Freud waarvoor ze allereerst alles van en over Freud leest, maar ook van de figuren om hem heen, zoals de correspondentie van zijn Engelse vertalers en het werk van beroemde en minder beroemde psychoanalytici. Byatt is een schrijver, maar toch ook vooral een onvermoeibare lezer. Ze houdt er niet van haar personages te baseren op één bestaande historische figuur; in haar fictie is altijd sprake van vervlechting en verdichting van meerdere historische figuren. Want als je bestaande personen gebruikt ‘is het bijna zeker dat je liegt. Wat goed is wanneer je fictie schrijft – dan vermeng je jezelf met bestaande personen. Mettertijd vind ik het makkelijker om fictie te schrijven wanneer de personages bedacht zijn. En bij voorkeur beschrijf ik personages met twee of meer originelen in de werkelijkheid.’

Na de jaren zeventig en tachtig is het idee dat de mens uit het verleden niet werkelijk kenbaar is voor ons gemeengoed geworden. Byatt gaat hier niet in mee, niet alleen onze voorouders zijn met genoeg kennis kenbaar, dat geldt ook voor onze tijdgenoten. Daarom begrijpt ze ook niet zoveel van hedendaagse fictie van jonge schrijvers die steeds meer over zichzelf en hun eigen wereldje schrijven. ‘Ik ben geshockeerd door jongere schrijvers die tevreden zijn met de gedachte dat je juist aan jezelf zou moeten denken. En dat is waarom Freud zo belangrijk is. Hij leerde ons zeer, zeer diep over onszelf na te denken. Hij praatte voortdurend met mensen over henzelf, terwijl ze bij hem op de bank lagen. Maar tegelijkertijd probeerde hij ze te ontlasten van het zelf. Hij zei niet tegen zijn patiënten dat ze de meest interessante persoon op aarde waren.’

Byatts schooljaren bij de Quakers lieten een diepe invloed op haar na. ‘Ze waren christenen, ze waren goed, ze geloofden dat men zich moest bekommeren om anderen. En ergens, fundamenteel, accepteer ik dat. Maar het glorieuze moment is wanneer je echt niets anders meer in je leven kan en het niet langer een serieuze optie is iets anders te doen dan schrijven. Ik werd schrijver en voelde me lange tijd schuldig als vrouw en moeder die eigenlijk zou moeten werken in een ziekenhuis. Nadat mijn zoon was gestorven, kon ik niet meer schrijven en hielp ik op de kinderafdeling van een ziekenhuis, maar ik was helemaal geen goede verpleegster. Ik ben een goede schrijfster. Dus na een poosje begon ik weer met schrijven.’


Beeld: A.S. Byatt – ‘Ik ben erg gelukkig, als feminist, dat veel mannen mijn werk lezen en waarderen’ (Ineke Oostveen)