Interview met Freek de Jonge

Leven is lijden, maar wat doe je ermee?

Freek de Jonge speelt in het Amsterdamse Compagnietheater een toneelvoorstelling die soms op een conference lijkt en het toch niet is: De laatste lach. Een gesprek over de prijs van het leven en daar de prijs weer van.

‘Natuurlijk ben ik in de bevoorrechte positie dat ik zowel mijn vader als een zoon verloren heb.’ Freek de Jonge zegt het droogweg. Net als bij veel van wat hij ter sprake brengt in zijn theaterprogramma De laatste lach is eventjes niet duidelijk of het een grap is of iets diep tragisch. Het is natuurlijk allebei tegelijk. Het zou niet grappig zijn als het niet vreselijk tragisch was. En het is nog tragischer omdat het er droogkomisch uitkomt.

De laatste lach zou je als volgt kunnen samenvatten: de prijs van leven is lijden, maar de prijs die we daarvoor weer krijgen is inzicht, waardoor we verder kunnen komen. Dieren lijden niet, daarom komen ze ook, anders dan mensen, niet verder.

Freek de Jonge is in deze voorstelling achtereenvolgens een oude man die op zijn leven terugkijkt, iemand die een jonge Marokkaan heeft aangereden die in coma in een ziekenhuisbed ligt, een man die bidt tot Allah en een komiek die verhalen vertelt. Het publiek komt bevreemd uit de voorstelling. Was dit cabaret of iets heel anders? Het is alsof de theaterexperimenten van Freek uit de laatste jaren nu door elkaar heen zijn geweven. Hij heeft een onzichtbare vierde wand opgetrokken tussen hem en het publiek. Misschien om iets heel anders te vertellen, bijvoorbeeld een lijdensverhaal. In zijn voorstelling zegt hij, na een hilarisch verhaal over een verstoorde morgenwijding voor de radio, dat hij in zekere zin het werk van zijn vader, de Nederlands hervormde dominee, heeft overgenomen. Ook weer zo’n grap die niet grappig is, maar waarschijnlijk gewoon waar.

De Jonge geeft het toe: ‘Ja, het is natuurlijk heel protestants-christelijk om het lijden eruit te lichten en dat te zien als de aanjager van ons denken. Vroeger was het lijden deel van een mysterie, nu van een probleem. We denken nu dat we het lijden kunnen oplossen. Daarom zijn er op de televisie al die wanhopige consumentenprogramma’s en ziekenhuisprogramma’s waarin de suggestie wordt gewekt dat er een oplossing is voor alle problemen. Maar dat is niet zo. Uit de geschiedenis van de mensheid blijkt dat hoe groter onze inspanning is om dat lijden te verlichten, hoe groter het lijden uiteindelijk wordt.

In mijn voorstelling zet ik de oude Franse boer Francis af tegen de jonge moslim Mounir. Francis accepteert zijn lot volledig, hij is nooit meer dan drie, vier kilometer van zijn boerderij geweest. Mounir verzet zich totaal tegen zijn lot. Uiteindelijk pleegt hij een zelfmoordaanslag in Jeruzalem.

Bram Vermeulen en ik waren daar met Neerlands Hoop in Bange dagen niet zo ver van af. Wij wilden het cabaret weer tot een strijdbaar maatschappelijk instrument maken. We togen van absurdisme in het begin naar duidelijk politiek engagement in de tijd dat we actie voerden tegen de wereldkampioenschappen voetbal in Argentinië onder de militaire dictatuur. We hebben geroken aan wat de consequenties kunnen zijn van gelijk hebben en geen gelijk krijgen, zoals de Baader-Meinhof-groep. Nu wordt er een beroep op me gedaan me te bemoeien met de Olympische Spelen in China. Daar worden ook de mensenrechten met voeten getreden. Maar je kunt dat niet één, twee, drie oplossen. Misschien is het beter daar rond te kijken en met mensen in gesprek te komen. Bovendien denk ik dat die Olympische Spelen een schitterend gebeuren worden.

Er zit ook een verlangen in je naar de rust van zo’n Franse boer. Tussen die twee uitersten beweeg ik me. Accepteer je het lijden of ga je in verzet? Het gaat er volgens mij om het lijden te aanvaarden en er vorm aan te geven door middel van verhalen. Natuurlijk heeft het lijden geen betekenis, geen bedoeling, maar je kunt er wel betekenis aan geven. In Nederland heeft het lijden nu voornamelijk een ongelooflijke hoeveelheid gekanker tot gevolg. Als je kijkt wat dat schitterende medium internet aan bitterheid en stompzinnigheid oplevert, daar word je niet vrolijk van. Bij verschijnen op de televisie wil ik nog wel eens roepen dat de mensen dom zijn. Blijkbaar voelen mensen zich daarop aangesproken, want dan kríjg ik toch een emmer haatmail over me heen… Ik voel dat er in ons land van onderaf een ongelooflijke woede bestaat tegen intellectualisme. We hebben ook het idee losgelaten vanuit het socialisme de massa te stichten. Jammer, hele volksstammen worden meegetrokken naar een bedenkelijk peil. In de kerk kreeg die massa vroeger nog een verhaal en een moraal in zijn mik gepropt waar ze over konden nadenken. Straks groeien er generaties op die daar zelfs geen herinnering meer aan hebben.

Niets in ons leven heeft betekenis, we geven er betekenis aan. De godsdienst kan je daar in trainen. Als dat wegvalt, worden we manipuleerbaar en robotesk in onze reacties.’

‘Er is niets nieuws onder de zon. Net als mijn vader wanneer hij preekte in It Heidenskip, bij Workum, in Friesland, doe ik aan exegese en tekstinterpretatie. Ik vertel verhalen in parabelvorm, net als hij. Mijn vader was student geweest bij professor Gerardus van der Leeuw, die na de oorlog nog even minister van Kunsten en Onderwijs is geweest. Die wilde de liturgie, het ritueel, weer een plaats geven in de protestantse kerk, omdat die een zuiverende werking kan hebben. Ik ben er net achter gekomen dat ik via mijn vader beïnvloed ben door Van der Leeuw en zijn besef dat alle religies teruggaan op dezelfde behoefte van de mens om zin te zoeken en vorm te geven aan zijn lijden. De kerk zegt dat je lijden een peulenschilletje is vergeleken met het lijden van Christus. Omdat dit is weggevallen is er misschien nu zo’n wildgroei aan holocaustmusea in de wereld. Want na het lijden van Christus komt de holocaust toch al gauw op de tweede plaats.

Maar is het menselijk lijden niet het begin van alle kunst? Als je creatief bent, kun je vorm geven aan je lijden. Het is niet zo dat we elke dag naar het graf van ons dode zoontje gaan kijken, zoals ik laatst in een EO-programma zag. Zijn dood mag niet bepalen hoe wij ons gaan gedragen. Maar het heeft Hella en mij wel iets van, ja, verantwoordelijkheid gegeven, en ook een soort morele richtlijn. Je kunt het je niet permitteren alleen maar flierefluiterig door het leven te gaan. Het geeft je een soort opdracht er iets van te maken.

Mijn vader had een enorme liefde en verbondenheid met het jodendom. Hij zou het prachtig hebben gevonden als hij geweten had dat ik met een joodse vrouw ben getrouwd en nota bene joodse kinderen heb en hij joodse kleinkinderen. Het is wonderbaarlijk. Door met Hella te trouwen ben ik niet blijven steken in wat ik in mijn jeugd heb geleerd. Mijn vader zat tijdens de oorlog in Groningen. Ik kreeg wel eens het gevoel dat hij wel iets gewild had met het verzet, maar twee van mijn ooms, broers van mijn moeder, waren fout. Daar kan tot de dag van vandaag niet over worden gesproken. Als zij niet zo fout waren geweest, had mijn vader ook wat meer kunnen doen.

Mijn vader is gestorven toen ik 24 jaar was, voordat ik met Hella trouwde en voordat Bram en ik doorbraken met Neerlands Hoop. Hij heeft ons alleen in een studentencabaret zien optreden. Dat vond hij maar niks. Zelf schreef hij ook af en toe gedichtjes. Er werd over het algemeen gezegd dat hij goed kon preken. Ik heb van hem natuurlijk de techniek van het woord geleerd, van de parabel, van de metafoor, dat is me met de paplepel ingegoten. Hij had het een keer in zijn preek over een persoon uit Genesis, Henoch, die wandelde met God. Elke dag liepen ze een stukje verder en op een gegeven ogenblik waren ze dichter bij het huis van God dan bij het huis van Henoch. Toen zei God: “Ga dan nu maar met mij mee.” Dat staat ook een beetje voor het leven van mijn vader. Als je veel mediteert, ben je op een gegeven moment zo onthecht dat je dichter bij God bent dan bij de mensen.’

‘Toen ik een jongetje van tien, twaalf jaar was merkte ik dat er om me gelachen werd. Dat heb ik ervaren als een genade. Maar aanvankelijk liet het zich helemaal niet aanzien dat mijn talent zo mega was. Bij Bram Vermeulen en Neerlands Hoop is dat talent ontloken. Het is pas echt opgebloeid toen ik alleen verder ging en samen met Hella in een drive kwam en alles mogelijk begon te worden. Mijn roman Door de knieën is ook in wezen een passieverhaal. Het eindigt in Lourdes. Dat einde is gruwelijk.

Dat de mensen elkaar weer te lijf gaan, daar kun je op wachten. Maar je wilt niet dat je eigen lieve kinderen of kleinkinderen daar het slachtoffer van worden. Onze kleindochter is nu veertien maanden. Dat is iets heel buitengewoons. Toen ik haar in haar wiegje zag liggen, dacht ik: hoe is het mogelijk dat zo veel zuiverheid onherroepelijk ook weer zal worden aangetast.’

De laatste lach. Extra voorstellingen:

12 februari t/m 8 maart 2008 in het Compagnietheater, Kloveniersburgwal, Amsterdam. www.freekdejonge.nl,

www.compagnietheater.nl .

De Toehoorder (2cd), € 10,-,

bij de voorstelling te koop.

Freek de Jonge, Door de knieën,

roman, Augustus