Leven met een kloof

J. W.Oerlemans, hoogleraar politieke geschiedenis, had een brief geschreven waarin hij de hoop en verwachting uitsprak dat het Thorbecke-symposium over de kloof tussen burger en bestuur niet in de gebruikelijke ‘dagelijkse braafheden’ zou verzanden. ‘Met een vriendelijke groet, ook aan de inleiders Bolkestein en Van Thijn…’ Die speelden een centrale rol in het debat en bleken andermaal politici (respectievelijk ex-politici) die geneigd zijn over de grenzen van het Binnenhof heen te kijken.

Zelf was Oerlemans verhinderd, wat jammer was, want hij was de man die het gesprek heeft geactiveerd door middel van een paar vinnige stukken in NRC Handelsblad over de wijze waarop - naar zijn mening - de ‘eenpartijstaat’ Nederland in een hoog tempo in een benarde oligarchie verandert.
Hij bleek een gevoelig onderwerp te hebben aangesneden. Sedertdien is het gesprek over de kloof tussen burger en bestuur een regelmatig opduikend thema in dagbladen en weekbladen, meestal op een toon van grote bezorgdheid.
De politiek heeft voor velen iets van een doorlopende cabaretvoorstelling, met doorgaans slechte teksten, zei de een. Er is sprake van een repeterend politiek onvermogen, gepaard gaand aan een mateloze politieke pretentie, klaagde de ander. Hadden wij nog maar de regent van vroeger! Hij is vervangen door laffe praatjesmakers, die zich verschuilen achter modieuze managementfilosofietjes. Politici zijn in rep en roer als de gulden een deukje oploopt. Maar aan een ander tekort, met ingrijpende gevolgen voor de bestaanszekerheid van de burgers, lijken zij schouder ophalend voorbij te gaan. Het draagkrachtbeginsel is geperverteerd. De sociale zekerheid verkeert in een vrije val en het zijn alleen de bestbetaalden die nog in een rechtsstaat leven. Het democratisch gehalte van onze natie is op een bedenkelijk laag peil terecht gekomen, maar voor de politici heeft deze gedachte nog altijd iets onfatsoenlijks, zo niet iets krankzinnigs.
Samenvattend: Er zit rot en bederf in het publieke domein. Politici en burgers leven steeds meer in gescheiden werelden. Het parlement bestaat uit blinde sluiswachters en onderwijl verlaten de burgers de staat.
De critici zijn zonder uitzondering hooggeachte en hooggeleerde dames en heren. Dus er moet iets waars aan hun klachten zijn. Of is het allemaal cultuurpessimistisch gepraat van een overgevoelige intellectuele avant-garde, die niet beseft dat Plato al meer dan tweeduizend jaar is overleden en sowieso nooit veel heeft willen weten van het moeizame geschipper dat nu eenmaal een kernmerk van de westerse democratie is? Zoals eveneens niet valt uit te sluiten - de constatering is recentelijk gedaan door de socioloog A. C. Zijderveld - dat er sprake is van een 'mentale reprise’ van het revolutiejaar 1968, geentameerd door lieden die zich nog niet met hun middelbare leeftijd hebben verzoend.
Wellicht wijst het feit dat zo weinig mensen zich voor politiek interesseren, op een zekere mate van tevredenheid, zoals Frits Bolkestein meent. Misschien valt de burger dichter bij het bestuur te brengen door het instrumentarium van de staat te moderniseren door een gekozen burgemeester, een kiesdrempel, een districtenstelstel, zoals Van Thijn - zij aan zij met de coalitiegenoten van D66 - bepleit. Wellicht… Misschien… Iedere betrokkene lijkt sceptisch over zijn eigen voorstellen in de wetenschap dat slechts vier procent van de kiezers lid is van een politieke partij, waarvan slechts tien procent politiek actief is, zodat Nederland in de praktijk in handen is van 0,4 procent vergadertijgers en partijbaronnen.
Wat valt daaraan te doen? Een commissie dan maar? Zoals de commissie-Deetman, die na vier jaar beraadslagen tot de conclusie kwam dat er eigenlijk niets aan de hand is. Of de commissie-Biesheuvel, die wel degelijk met een aantal ingrijpend ogende voorstellen kwam, die vervolgens beleefd door regering en parlement onder het vloerkleed werden geschoven.
Nee, het is niet veel, die 0,4 procent. Maar tussen 0,4 en 4 procent politiek actieven bestaat weinig principieel verschil. En veertig procent politiek actieven vindt men in geen natie ter wereld, zelfs niet in Utopia. Afgezien van het feit dat de natie waarschijnlijk in een totale chaos zou worden gestort als inderdaad bijna de helft van de bevolking zich met ons aller welzijn zou bemoeien. Verder moet worden geconstateerd dat de massale aanhang voor organisaties als Greenpeace en Amnesty International wijst op het feit dat er, dwars tegen de politieke lethargie in, van maatschappelijke versuffing geen sprake is.
Nederland is geen bananenrepubliek, maar een natie wiens bestuurders het beste ervan proberen te maken. Het geschiedt helaas op een wijze die de burgers inderdaad zelden voor het bestuur pleegt te enthousiasmeren. Borssele ja, Borssele nee. Een minderhedendebat dat bestond uit twee ambtelijke nota’s en drie publieke discussies. Een belastingstelsel dat inmiddels zo is vereenvoudigd dat ook de belastinginspecteur bijles is gaan nemen. Een boerenklompenpolitiek jegens de AOW die ertoe heeft geleid dat zelfs onze dociele ouders inmiddels hun getaande knuistje schudden. Een WAO-politiek die heeft geleid tot blinde paniek benevens een massale wegloop van de WAO-artsen. Een privatiseringsoperatie die in feite een verkapte - en bovendien mislukte - bezuinigingsoperatie was. Een visie op het hoger onderwijs die… Visie? Welke visie? Dat aanstaande leger van kwartintellectuele bachelors, waarvoor er straks trouwens toch geen betrekking vacant is?
Ja, er bestaat een kloof tussen burger en bestuur, een verschijnsel waarmee - in alle redelijkheid gesproken - voor de beter bedeelden onder ons best te leven valt. Over die kloof moeten zeker nog veel symposia worden gehouden en veel bezorgde artikelen worden geschreven. Een slechte methode om die kloof te dichten wordt gevormd door de diverse cosmetische ingrepen, van kiesdrempel tot disctrictenstelsel. Een betere methode is het streven naar kwaliteitsverhoging van het bestuur.