Profiel: Teigetje & Woelrat

Leven met Reve

Je zou bij Gerard Reve de vraag kunnen stellen: wie is de Meedogenloze Jongen over wie hij regelmatig schreef? Is het de volmaakte jongen? Of is het «de Dood die waarheid zijt», zoals in het gedicht Herkenning:

Nu weet ik wie gij zijt,

de Jongen die ik eenzaam zag te Woudsend en daarna,

nog op dezelfde dag

in een café te Heeg.

Ik hoor mijn moeders stem.

O Dood, die waarheid zijt:

nader tot u.

We weten het niet precies. Wel heeft Reve hem eens gezien: «Opeens zag ik hem liggen, en dat was het wonderlijke: in een kleine kaki tent, in de tuin van zijn paleis. Ik zag verder niemand. Eén van de helften van de voorhang van het tentje was opgeslagen, en daardoor kwam het, dat ik hem duidelijk kon zien liggen, in zijn deken gerold, op het grondzeiltje, en zonder matras. Er was een teer, roerloos licht van een stormlampje, dat heel laag brandde. Eén van zijn armen was bloot, en zijn hoofd was iets opzij gezakt, half weggegleden van de opgerolde trui die hem tot kussen diende. Zijn wimpers waren neergeslagen en hij sliep, zijn mond iets geopend.»

Reve kan hem niet benaderen. Wel weten we wat hij allemaal met de Meedogenloze Jongen wil doen: een sado masochistisch spel dat we vanaf nu «het revisme» zullen noemen, want dat is de naam die Reve er zelf aan heeft gegeven en waarover we straks iets meer zullen vertellen.

Het citaat van de Meedogenloze Jongen is het einde van het verhaal dat Gerard in 1964 schrijft: «Brief door tranen uitgewist» uit het boek Nader tot U. In het daaropvolgende verhaal, «Brief in de Nacht geschreven», komen we voor het eerst Teigetje tegen aan wie Nader tot U is opgedragen.

In het dagelijks leven heet Teigetje Willem Bruno van Albada. Reve beschrijft Teigetje eigenlijk niet — hij is wat ziekjes en drinkt daardoor aanmerkelijk minder in het verhaal dan Gerard. Wel weten we wat hij met Teigetje wil doen: zijn wil. Maar ook wil Gerard het revisme belijden.

Het revisme is ingewikkeld, want enigszins schizofreen, maar wel wezenlijk voor het werk en de opvattingen van Reve en zijn verhouding met jongens. Het revisme komt in het kort neer op het volgende: zodra Reve de Meedogenloze Jongen ziet, wil hij een andere, bijna nog mooiere jongeling aan die Meedogenloze Jongen offeren. Die Meedogenloze Jongen mag dus met de Mooie Jongeling doen wat hij wil, terwijl Gerard hierbij assisteert, de Mooie Jongeling martelt en hem tegelijkertijd wil redden. In de woorden van Reve zelf: «Ik wil aan de Meedogenloze Jongen allerlei jongens geven, die ik zelf eveneens begeer, maar die ik mijzelf bij voorbaat ontzeg, om ze hem te offeren. Het revisme bevat als bestanddelen, het sadisme en het masochisme, maar is een derde nog mysterieuzer vorm van het seksueel Mysterie, en is de voltooiing van een allergeheimste drievuldigheid van de Liefde.»

De reviaan Gert Hekma schetst in het artikel De Meedogenloze Jongen (1990) wat Reve eigenlijk met deze uitspraak beoogt, wat precies die allergeheimste drievuldigheid van Liefde beduidt. Hij komt tot de conclusie dat je voor het revisme in ieder geval twee jongens nodig hebt, de geofferde en de doomprins-martelaar. Hij gaat enigszins voorbij aan de tragiek van dit revisme, want het is een fantasie die alleen maar fantasie is en nimmer in de werkelijkheid kan plaatsvinden, immers: Reve zelf wil bij dit spel tegelijkertijd voyeur zijn van zijn eigen daden en meedoen; hij wil al die leuke jongens wel, maar dat kan dus niet. Nooit. Althans, niet in deze wereld. Maar toch…

Steeds weer probeert hij in de werkelijkheid het revisme in praktijk te brengen. Hij spoort mooie jongens op en wil die dan aan zijn liefdesvriend geven nadat hij die jongens zelf ook neemt — wat hem niet altijd bevalt. Dat levert, hoe pijnlijk soms ook, af en toe aardige verhalen op bij voormalige «vriendjes» van Gerard. Ooit sprak ik een van die vriendjes, die anoniem wil blijven. Die vertelde dat Gerard hem met een lederen riem tamelijk hard op zijn billen sloeg terwijl hij riep: «Beken! Beken!» De jongen wist niet wat te bekennen en riep in zijn nood: «Ik beken, ik heb het gedaan!» Waarna Reve ophield met slaan, huilde, de jongen in zijn armen sloot en zei: «Ik zal voor je getuigen dat jij het weliswaar hebt gedaan, maar dat het mijn schuld is.» Bijna revisme, maar nog niet echt.

Eind jaren zestig, begin jaren zeventig gaat het niet goed met Gerard. Tijger is dan, zoals we hebben gezien, nog in zijn leven, maar wat Gerard precies wil en moet, weet hij niet. Hij ervaart tal van paradoxen. Hij is volbloed homo, maar heeft eigenlijk een hekel aan de homowereld, hij wil katholiek worden, maar worstelt met de katholieke praktijk, hij worstelt met zijn verleden en met de drank. Hij zuipt zich een delirium, komt in het ziekenhuis terecht en wil dood, omdat hij niet meer weet hoe hij leven moet. Moeizaam kruipt hij erboven op, maar goed gaat het niet. Hij slikt pillen. Veel pillen. En die vallen soms niet goed met de drank, die hij niet laat staan. Hij is al van Amsterdam naar Friesland gevlucht, maar daar wil het ook niet lukken. Wel heeft hij enig succes als schrijver, maar ook dat succes bevalt hem niet. Het bestaan is hard, de verdiensten zijn gering. De uitgever Johan Polak zoekt contact met hem. Die vertelde mij: «Gerard was er slecht aan toe. Een wrak. Ik heb toen alles wat ik aan geneesmiddelen bij hem thuis vond bij elkaar geraapt en weggegooid.»

Gerard moet weer gaan schrijven. Dat wordt het boek De Taal der Liefde. In dat boek komen we voor het eerst Woelrat tegen.

Woelrat is onder de indruk van de sfeer in Greonterp, in het kleine huisje van Gerard en Tijger. Zijn eerste gedachte bij binnenkomst is: «Hoefde ik hier maar nooit meer weg.» Aldus vertelde hij op 25 oktober 2001 in het programma Barend en Van Dorp waar hij en Tei getje te gast waren.

Het was Tijger die aan Gerard vroeg of het goed was dat Henk bij ze bleef. Wat was die sfeer die Woelrat zo aantrekkelijk vond? Teigetje was in ieder geval niet meer zo enthousiast. Na een verhouding van zo’n zes jaar kon hij Gerard bijna niet meer aan. Hij vertelde dat hij zich opgesloten voelde in Greonterp en verder had Gerard depressie op depressie en deed hij niet rustig aan met de drank. Henk was een welkome afwisseling, iemand die de sfeer doorbrak.

Woelrat zag Gerard iets anders. Hij bewonderde de grote schrijver. Bij de Amsterdamse Werkgroep voor Homosexuelen van de Universiteit van Amsterdam was hij «kandidaat katholiek A» tegengekomen van wie hij wist dat die Reve kende. Hij vroeg of A hem bij Tijger en Gerard wilde introduceren.

Gerard werd na enige tijd verliefd op Woelrat. «Gerard had moeite met de kunst toen ik kwam», zei Woelrat in Barend en Van Dorp. «Hij wilde veel waarmaken, maar dat lukte hem niet. We maakten wel heel veel liefde in die tijd.» Gerard vertelde hem steeds geile verhalen — en dat zou later de basis vormen voor De Taal der Liefde.

Als het boek af is en uitgegeven wordt door Johan Polak ziet Gerard dit als een wending in zijn leven. Hij is oprecht gelukkig en kondigt «via de Verrekijk» in een interview met Aad van den Heuvel aan dat hij met Tijger en Woelrat gaat trouwen. Het komt voor de jongens als een verrassing. Een paar dagen later worden er ringen gekocht in Sneek. Woelrat herinnert zich dat de man het maar vreemd vond dat er drie ringen gekocht moesten worden.

«Er zouden nog makkelijk vijftien boeken met die verhalen kunnen verschijnen», volgens Woelrat. Maar met hem in de hoofdrol verscheen alleen nog het boek Lieve Jongens. Tijger nam in die tijd meer afstand van Gerard.

«Hoe is het verder gegaan?» vroeg Woelrat. Met deze zin wordt Woelrat in de literatuur geïntroduceerd. Reve beschrijft hem wel: «Ik aanbad hem, in een welhaast radeloze, ademloze aanbidding, waarbij ik voor altijd geknield voor hem zou willen liggen en hem alles ter wereld geven wat ik voor hem zou kunnen bemachtigen, maar tegelijkertijd wilde ik hem, in allerzondigste wreedheid, alle verhalen vertellen van wat ik met Jongens en mannen had uitgevoerd, hen vele malen mooier en begeerlijker voorstellend dan ze ooit in werkelijkheid waren geweest, en soms zuchtend in de trant van: ‹Een erg lieve jongen. Ik was echt helemaal van de kook. Nee, niet zo maar een of andere onbenullige jongen. Hij had iets teders, iets liefs, iets echts.› Oud en verzopen, maar ik kon het niet laten Woelrat te tergen.»

Het revisme krijgt zijn beslag. Reve kan zijn fantasie waarmaken, maar weer niet helemaal. Hij kan de jongen offeren, maar eigenlijk wil hij dat niet, want hij is ook verliefd op hem. Het huisje in Greonterp wordt al snel te klein. Het is een komen en gaan van Jongens, maar Gerard wordt er niet vrolijker van. De Jongens besluiten in Veenendaal te gaan wonen bij de moeder van Woelrat. Reve heeft niet veel nodig. Hij bouwt er een hok waar hij kan schrijven en een brits waarop hij kan slapen en zijn fantasieën kan uitleven. «In de bioscoop van je eigen geest, zijn alle films gratis», zegt hij in die tijd.

Hij weet zijn somberheid te overwinnen door regelmatig naar Lourdes te gaan. Tijdens een van die reizen heeft hij zijn oog laten vallen op een huis in Poêt Laval in Frankrijk.

Het wordt steeds duidelijker: de driehoeksverhouding lost niets op. Er komen verwijten en ruzies. Woelrat en Teigetje trekken steeds meer met elkaar op. Gerard wil naar Frankrijk. Hij wil rigoureus breken met het leven hier. Hij wil rust, en niets anders. In het vervolg op De Taal der Liefde en Lieve Jongens komt Tijger alleen nog voor in een herinnering. (In een verhaal overigens waarin Gerrit Komrij en diens liefdesvriend Charles Hofman een grote rol spelen.)

Gerard wil in Frankrijk een eigen huis bouwen. Een Zomerpaleis. Daartoe woont hij met Woelrat en Tijger enige tijd in een tent. Maar de ruzies en de verwijten worden erger. Ze besluiten in 1973 uit elkaar te gaan. De Meedogenloze Jongen die ooit in een tent was waargenomen, verdwijnt op het moment dat het allemaal in orde leek.

Het huwelijk wordt ontbonden. De «allergeheimste drievuldigheid van de Liefde» vindt geen voltooiing.

Gerard is tijdelijk alleen.

Tijger en Woelrat storten zich in de brei- en wolmode. Op 22 juli 1999 trouwen zij. Ze verklaarden onlangs nog steeds van Gerard te houden. Ze zien het zo, dat Gerard eigenlijk van hen is weggelopen.

Gerard heeft ze altijd aangeraden om een boek te schrijven over hun driehoeksverhouding. Dat moet dan heten «Ons Leven Met Reve». Ze zijn hier onlangs aan begonnen.