Leven met T

Lijkt het zo of lijden steeds meer mensen aan de gehooraandoening tinnitus? In De vorm van geluid beschrijft debutant Gregor Verwijmeren (1967) de eeuwigdurende nachtmerrie van geluid aldus: ‘Drie geluiden, mismaakte kopieën van die in de fysieke wereld. Een onwillige cirkelzaag, alsof de buurman het ook ’s nachts niet kan laten en de knop telkens even half loslaat. Daarboven zwevend: een geoefende vinger over een kristallen glas. (…) Daaronder: een ruis, een oude tv vergeefs zoekend naar een zender.’

Toch is het er de schrijver niet om te doen het leed van tinnituslijders objectief in kaart te brengen. Gregor Verwijmeren schreef een roman, die zich richt op hoe deze aandoening wordt ervaren door één individu: de naamloze verteller, die wat zijn persoonlijk leven betreft – schrijver, muziekcatalogiseerder in het Koninklijk Conservatorium, echtgenoot en vader – volledig samen lijkt te vallen met de figuur van Gregor Verwijmeren zelf.

Er wordt maar kort stilgestaan bij de symptomen en de ontwikkeling van de aandoening: de verteller beseft al snel dat hij zijn ziekte redelijkerwijs nooit helemaal zal kunnen begrijpen. Deze ondoorgrondelijkheid wordt weerspiegeld in de taal: het woord ‘tinnitus’ komt in deze roman vrijwel niet voor. Er wordt gesproken van ‘T’; de ziekte wordt gepresenteerd als een abstractie waar woorden geen vat op kunnen krijgen.

De vorm van geluid beschrijft vooral hoe de verteller met zijn ziekte probeert te leven. Zijn overpeinzingen leiden hem regelmatig terug naar zijn favoriete schrijvers en componisten: hij citeert grootheden als Homerus, Shakespeare, Kafka en Nietzsche, en refereert aan muziek van Debussy, John Cage en Schumann. Verwijmeren doet dat niet om deze kunstwerken al essayerend in een ander licht te zetten. Zijn benadering is strikt persoonlijk: hij gebruikt de kunst om de ervaringen van zijn verteller inzichtelijker te maken. Deze vindt vooral steun in het leven en werk van Robert Schumann (1810-1856), de romantische componist die aan gehoorhallucinaties ten onder ging. Niet alleen schrijft hij Schumann brieven waarin hij hun ervaringen vergelijkt, hij trekt ook naar het Kurhaus van Scheveningen om in de voetsporen van zijn lotgenoot te treden, tot een duik in de Noordzee aan toe: ‘Ik liep het water in tot boven mijn knieën, dook kopje onder en crawlde toen ik boven was om zo snel mogelijk buiten het bereik van de muziek te komen. Moeiteloos brak ik door de branding.’

‘Het zou vrijheid betekenen. Even, als maakt het droombeeld het waar, is het alsof ik word opgetild’

De vorm van geluid is bijzonder intuïtief geschreven. De verteller grijpt van alles en nog wat aan om de radeloosheid te bestrijden, en Verwijmeren beschrijft het allemaal met even veel belangstelling: discussies op internetfora, anekdotes van vrienden, therapiesessies, jeugdherinneringen. De schrijver probeert allerlei vormen uit, dompelt zich met overgave onder in nieuwe verhalen en registers. Dat heeft een rijk boek opgeleverd, vol prikkelende ideeën en wetenswaardigheden die nieuwsgierig doen doorlezen, steeds weer hongerig maken naar meer.

De andere kant van deze experimentele benadering is de ongefilterde, bijna manische schrijfwijze. Intense, persoonlijke passages vol woedeaanvallen en depressies alterneren met paginalange citaten uit medische naslagwerken, een reeks associatief aan elkaar geschreven woordenboeklemma’s en melige beschrijvingen van kindertenen. Ook op analytisch gebied draaft de verteller soms flink door: zijn gedachtengangen worden zo obsessief dat hij uiteindelijk het afgesneden oor van Vincent van Gogh aan tinnitus weet te verbinden. Voor hoofdpersonage en auteur zijn al deze fragmenten vast betekenisvolle onderdelen van een bewustwordingsproces, maar de lezer gaat bijna aan ruis ten onder.

Het boek is op z’n sterkst als de verteller geconfronteerd wordt met de hem omringende wereld, en gedwongen wordt om uit zijn eigen gedachten te treden. Zoals in een prachtige scène waar hij in de kantine van het conservatorium getuige is van een geïmproviseerde jamsessie: ‘En dan klinkt er plots iets overbekends in die blues, een melodielijn als een gestreken weeklacht, eerst stijgend en dan chromatisch dalend. (…) Er is oogcontact, herkenning, akkoorden veranderen na wat zoeken van kleur, het is of er iets verschuift en de blues is plotseling gypsy. Een metamorfose.’

Even lukt het de hoofdpersoon om zijn aandoening te vergeten. Hij gaat op in de muziek, die hij op magistrale wijze weet om te zetten in taal, en komt via die extase tot een epifanie: ‘De idee dat geluid van gestalte kan veranderen. (…) Opeens doemt een droombeeld op: de T zo onder je hebben, de T als materiaal voor spel en kunst en hem zo transformeren. Is het mogelijk? Het zou vrijheid betekenen. Even, als maakt het droombeeld het waar, is het alsof ik word opgetild.’

Het is inderdaad mogelijk, zo lijkt het. Met deze tastende, zoekende roman heeft Verwijmeren daar zelf overtuigend bewijs voor geleverd.