J.M.G. Le Clézio, Omwentelingen

Leven op proef

Over een jongen voor wie woorden niet genoeg zijn zolang hij de dingen waar ze op doelen niet gezien, gevoeld en geproefd heeft. Een jongen met werkelijkheidshonger.

Een goed idee om de titel Révolutions met Omwentelingen te vertalen. Het is de eerste betekenis van revolutie: omwenteling van de aarde om de zon, terugkeer naar het beginpunt. Dat beeld moet Le Clézio (1940) bij het schrijven ook voor ogen hebben gehad. Een paar dagen voor het eindexamen zit Jean, de hoofdpersoon van de roman, met zijn vriend Santos Balas, een Marokkaanse Andalusiër, in de Hof van Olijven, een braaklandje tussen twee betonnen flats, vlak bij de Middellandse Zee — Nice, de naam wordt niet genoemd, eind jaren vijftig, het jaartal wordt niet vermeld. Santos heeft Jean ingewijd in de presocratische wijsbegeerte en citeert Parmenides: «En voor mij komt het op hetzelfde neer waar ik begin, want daarheen zal ik terugkeren.» Als Jean ten slotte de zin voor zichzelf herhaalt, «Het maakt niet uit waar ik begin, want daar kom ik ook weer uit», lijken zijn omzwervingen een proef op de som te zijn geweest. Hij is na tien jaar weer terug in Frankrijk, na langere tijd in Londen en Mexico-Stad te hebben gewoond; de cirkel lijkt rond en niets is meer hetzelfde.

Is dit een filosofische roman? Ja, maar een tegendraadse. Gedachte-experiment en leven op proef zijn voor de adolescent praktisch hetzelfde. Als dertienjarige bezoekt Jean zijn blinde oudtante Catherine. Vanuit een onuitputtelijk geheugen sluist zij hun exotische familiegeschiedenis, die zich voor een deel op het eiland Mauritius heeft afgespeeld, naar hem door. Jean wil weten hoe de tante leeft. Hij loopt rond zonder het licht aan te doen om te zien of hij zich herinnert waar de dingen staan. Daarna zet hij het experiment op straat voort en plakt zelfs pleisters over zijn ogen. Ook tijdens de geschiedenisles gaat hij ermee door: aan het eind van de les had hij alles kunnen herhalen. De jongen wordt gedreven door een behoefte aan werkelijkheid, zo noemt hij het zelf; noem het rustig werkelijkheidshonger.

Woorden zijn voor hem niet genoeg zolang hij de dingen waar ze op doelen niet gezien, gevoeld en geproefd heeft. Het tweede grote hoofdstuk heet niet voor niets Oorlogsgeluiden, de echo’s zijn reëel genoeg, zeker als de jongen de haven en het vluchtelingenkamp ziet. «Er hing in die tijd echt een bijzonder gewelddadige sfeer in de stad. De enige vredige plek was de Hof van Olijven, met bomen van vijfhonderd jaar oud en met een tapijt van rotte bladeren en in de aarde gedrukte pitten, als een oude geurige pels. Bijna iedere middag zocht Jean daar zijn toevlucht, in de schaduw van de bomen, op het hoogste terras. De witte woonblokken neigden over naar de laatste vrije ruimte van de stad, die er bedroevend en tegelijk majestueus uitzag. De boomgaard was opgegeven. Iemand had dat gezegd, of misschien had Jean het in de krant gelezen. En nu was er dat grote bord aan de kant van de weg, ’s avonds verlicht door een lichtbak, waarop stond: ‹Op deze unieke locatie GETSEMANE komen 50 luxueuze appartementen gerealiseerd door D O M O onroerend goed›.»

Niet dat dit zo’n belangrijke passage is; ik citeer het omdat het een voorbeeld is van hoe bijna elke zin van Le Clézio laat zien wat ze zegt. De zin die volgt lijkt ermee in tegenspraak: «Het was abstract, bijna onwerkelijk.» Dat zegt hij van het braakland, maar ook van de lijst met eindexamenresultaten. Einde van de schooltijd, een oproep voor militaire dienst en alle kans om naar Algerije te moeten, abstract zijn die dingen niet, abstract zijn de woorden, omdat ze tot de wereld van de anderen behoren, en die is niet de zijne.

Dat doet me denken aan vroege titels van Le Clézio: Le livre des fuites, La guerre, Voyages de l’autre côté en vooral L’inconnu sur la terre — over mensen die op aarde rondlopen alsof het een vreemde planeet is. Jean is er ook zo een, voortdurend op zoek naar iets: «dezelfde dingen als waarover de mensen uit de tijd van Anaxagoras spraken op het stadsplein». Net zo’n gewelddadige wereld, zegt hij en dat woord gebruikt hij ook voor de doorgangsstad Londen, «die kwaadaardige, eenzame, aandoenlijke, anonieme stad», het tegendeel van de «misselijkmakende zachtheid» van de Middellandse Zee. Op die anonieme plaatsen voelt hij zich niet thuis maar wel in zijn element, net als in Mexico-Stad, een Londen ter grootte van een land.

Nog een voorbeeld uit de schooltijd van de filosoof in wording, het tegendeel van een schoolse filosofie. Het typeert de contramine die bijna instinct is geworden — wat niet wil zeggen dat Jean een geboren revolutionair is, zelfs geen dwarsligger: hij is een buitenstaander, hij registreert. De leraar Frans geeft aan het begin van het jaar de opdracht een «schrift met kristallen» te maken — een verwijzing naar de zoutmijnen en de met kristallen bedekte takjes in De l’amour van Stendhal. De leerlingen plukken overal hun culturele stijlbloempjes vandaan, sommige pikken ze uit de Larousse. Jean vult een zwart schrift met berichten over de Algerijnse oorlog: «Het waren ook gedachten, de enige gedachten over zijn eigen tijd, die dienstdeden als kunst, wijsheid en zelfbeschouwing.» Hij bladert het «dagboek» door alsof het gevuld was met wijsheden, gebeden of liefdesgedichten.

Voor Jean is iets concreet wanneer hij het ziet; abstract is de vreemde buitenwereld, welke dan ook. De roman mag dan twee eeuwen beslaan zodat het al gauw een historisch fresco heet, maar Le Clézio geeft geen beelden van een tijdperk, wat men zich bij het woord tijdsbeeld ook moge voorstellen. Het gaat in het geval Jean om een bewustzijn waar alles bij en door elkaar een dichte wolk vormt.

Inleving is Jeans manier om contact met mensen, dingen, feiten en het verleden te krijgen — inleven is zijn vorm van leven of althans van beleven. In feite vervolgt hij het blindemannetjes experiment wanneer hij zich zodanig in de verhalen van zijn tante inleeft dat hij in de ik-vorm beleeft hoe zijn naamgenoot in 1792 uit Bretagne wegtrekt en zich bij het leger meldt dat tegen de Pruisen slag zal leveren. Het opmerkelijke daaraan is dat juist de episodes die Jean verzint concreter zijn dan wat hij zelf meemaakt, duidelijker of liever gezegd: overzichtelijker. Dat kan geen toeval zijn. Het zou wel eens de zwakte kunnen zijn van wat het werk van Le Clézio zo sterk maakt: de plastische stijl. Wat als een schrijver het onbekende al schrijvend beter kent dan het bekende?

De hoofdpersoon leeft zich in zijn naamgenoot ten tijde van de Franse Revolutie in, wat er in die jongeman gebeurt als hij ziet dat de revolutie in een geweldsmachinerie verandert en vaststelt dat meelopers zoals hij in de oorlog op slag andere mensen worden. Hij komt na de revolutieroes tot bezinning, en emigreert, uit teleurstelling en armoede. De jongen in Nice kan zich daar bijna méér bij voorstellen dan bij zijn eigen leven. Die inleving bestaat uit beelden waarin de geschiedenisboeken tot leven komen, zo ziet het er misschien uit, maar daarmee is wat mij betreft meteen alles gezegd. Ook de episodes op het paradijselijke eiland Mauritius zijn me te veel plaatjes bij praatjes, hoe knap ook; net zoals de inleving van een opstandige vrouw uit het leger van opstandige slaven.

Het verhaal over de emigratie in 1798 naar Île de France, het latere Mauritius, in 1810 door de Engelsen veroverd, wordt in geuren en kleuren, zoals dat heet, verteld, en hoewel of juist als beelden uit de tweede hand zijn ze gedetailleerder en zelfs echter dan iemand die het zelf had meegemaakt het had kunnen vertellen. Daar wordt de kwaliteit van de verteller een probleem.

Hoe voelt geschiedenis aan? Le Clézio is een te bewuste auteur om niet zelf te weten dat er problemen rijzen zodra hij de grote geschiedenis in beeld brengt om daarin de wegen van persoonlijke geschiedenissen te volgen. Geschiedschrijver én romanschrijver staan dan voor de vraag hoe je de verhouding van gebeurtenissen en beleving recht kunt doen.

Ik heb onlangs van De kartuize van Parma van Stendhal beweerd dat de Waterloo- scène niet alleen voor Tolstoj model heeft gestaan. Wanneer Jean in 1968 de studentenopstand in Mexico-Stad meemaakt, is het hem net zo te moede als Stendhals Italiaan op Napoleons slagveld. Midden in het strijdgewoel weet hij in de verste verte niet wat er gaande is. In een brief aan zijn vriendin Mariam in Frankrijk bekent Jean dat hij niets wist, niets heeft gehoord, niets heeft gezien. Het is dan dubbele ironie, neem ik aan, dat hij daarna terug in Frankrijk aan een oud-klasgenoot precies weet te vertellen dat de meirevolte in Parijs pure nep was. Is die vergelijking van de revolutie in Mexico en de opstand in Parijs niet net zo goed nep? In Mexico zag hij een vriendin voor het laatst toen ze na de gewelddadig neergeslagen studentenopstand met haar broertje de wijk naar het noorden nam. «Ik weet niet wat er terecht is gekomen van Joaquin en Pamela», zegt hij, om vervolgens te beschrijven hoe ze met behulp van mensensmokkelaars de grens naar de Verenigde Staten oversteken en naar Colorado gaan. Wat hij niet kon weten zag hij tot in de kleinste details.

«Zo lang geleden. Wat geweest is, kan dat nog steeds bestaan? Kun je in verschillende tijden tegelijk leven?» is een vraag in een van de laatste hoofdstukken, wanneer Jean met zijn Mariam op huwelijksreis naar het Mauritius uit de verhalen van zijn oudtante gaat. Het antwoord van de roman die eraan voorafgaat is zowel bevestigend als ontkennend. Ja, voorzover Jean zich in de geest minstens even goed verplaatst als lijfelijk. Omdat hij nergens echt thuis is kan hij overal provisorisch, en in schijn definitief, leven. In Londen en Mexico-Stad dwaalt hij net zo rond als toen hij in zijn schooltijd door Nice zwierf. Zoals dat ook op papier kan. Is Jean ooit ergens echt? En wat is dan echt? Na twee eeuwen geschiedenis en verschillende steden verkend te hebben, zegt Jean gelukkig niet dat hij op Mauritius de oorsprong van het verhaal (be)zoekt, laat staan dat hij eigenlijk daar thuishoort: wortels heeft een mens niet, het eiland is mooi maar geen verloren paradijs, het is voor hem bron van legenden en fantasieën. De geschiedenis herhaalt zich niet, of zoals de oude wijsgeer zei: «Het maakt niet uit waar ik begin, want daar kom ik ook weer uit.» En zo simpel is het: de enige plek die over en open blijft is het moment, het heden.

Of deze grootse roman ook in alle opzichten een grote roman is, weet ik niet, maar er gaat nog dezelfde bevreemding vanuit als van de eerste roman waarmee Le Clézio in 1963 niet alleen op mij indruk maakte, Het proces-verbaal, over een jongeman die door Nice dwaalde, eind jaren vijftig, leeftijd genoot, soortgenoot en net zo’n afzonderling als de Jean in Omwentelingen, levend op proef, zich in zelfgekozen rollen inlevend. De cirkel is na veertig boeken rond, maar ook dit is geen herhaling.

J.M.G. Le Clézio

Omwentelingen

Uit het Frans (2003) vertaald door Maria Noordman

De Geus, 477 blz., € 24,90

_______________________

Anoniem

Een vrouw in Berlijn

Een vrouw in Berlijn hield dagboek van de intocht van het Rode Leger in de maanden april tot juni 1945. Het verscheen in 1954 in de VS en pas in 1959 in het Duits. Recente heruitgave, na de dood van de schrijfster, wekte tumult door twijfel aan de authenticiteit. Dat luistert bij documenten inderdaad nauw. Na lezing van het verslag van de collectieve, massale verkrachting lijkt me elke verdachtmaking onterecht. Ook als roman zouden de scherpe observaties overtuigend zijn, alleen al wat de vrouw zegt over haar strategie van zelfbehoud. En waar las men ooit zo’n beheerste beschrijving van een verwoeste stad en de huis clos van een schuil keldergemeenschap? Hiermee vergeleken is Land, land!… van Sándor Márai, ook een dagboek over het rode bevrijdingsleger, heel wat gekunstelder. Het psychologiserende nawoord van de bezorger van het manuscript in 1954 is trouwens zelf ook een document, van hoe men zoiets toentertijd las en aanprees.

Uit het Duits (2002) vertaald door Froukje Slofstra. Cossee, 283 blz., € 22,90

Josef Skvorecky

De zevenarmige kandelaar

Ze had een ster op haar jas en was vijftien. Ze kwam een klasgenootje tegen op weg naar een afspraakje, zij naar Theresienstadt. «Waarom ik?» Rebecca vertelt haar verhaal aan Danny die op zijn beurt verhalen vertelt over de laatste oorlogsjaren in een Tsjechisch stadje, over zijn oom Khon, Dokter Strass, Meester Katz en andere levens die in de kampen eindigden. Maar ook het komische verhaal over een verwisseling van baby waardoor het blonde zoontje van een antisemiet vergast werd. Het boek uit 1964 was een vervolg op het indertijd wel vertaalde De lafaards. Van Skvorecky (1924), die in 1968 naar Canada emigreerde, is onder meer een grote roman over Tsjechische emigranten vertaald, Ingenieur van de menselijke ziel. Misschien is dit weemoedige boek het begin van andere vertalingen en heruitgaven, al was het maar ter ondersteuning van landgenoot Hrabal.

Roman uit het Tsjechisch (1964) vertaald door Edgar de Bruin. Ambo, 167 blz., € 17,95

Niels Fredrik Dahl

Op weg naar een vriend

«Ik begin met een jongetje dat Vilgot heet. Hij is mij, maar ik ben hem niet.» Een listige manier om een verhaal dertig jaar terug te spoelen. De roman begint met een olifant die op een uitvalsweg van Oslo bezwijmt nadat de verteller hem zes weken in een hooischuur heeft bewaard. En de colaman niet te vergeten, het zijn maar een paar uiteindes van allerlei geheimenissen in een ongewoon verhaal dat ongewoon verteld wordt. Misschien is het allemaal heel simpel: hoe een volwassene voorgoed het leven van een jongen laat ontsporen, een elfjarige die met een altijd zieke moeder en een alles ontkennende vader al moeite heeft om, zoals de titel zegt, alleen maar naar een vriendje te gaan. Weg wilde hij. Het is de tweede roman van de Noorse schrijver Dahl (1957).

Roman uit het Noors (2002) vertaald door Paula Stevens. De Geus, 192 blz., € 19, 90

Michael Kumpfmüller

Dorst

Aan dorst sterven de twee kinderen die door hun moeder zijn opgesloten, waarna zij dertien dagen lang in de buurt vreugdeloos rond neukt, in de supermarkt hangt en ergens op schijnt te wachten. Een vrouw van begin twintig stelt vast dat alles moet veranderen, ze weet alleen niet hoe — zij is het dorstigste hert. Dat het echt gebeurd is, dat wil zeggen in de krant heeft gestaan, maakt er geen echte roman van. Geweld doe je of toon je, zó is het leven, zó is de mode in literatuur en film (zie Elephant van Gus van Sant). Commentaar wordt gelijkgesteld met moralisme. Houd dan in elk geval de politierapportstijl vol en bespaar de lezer intellectuele hoogstandjes. Waarom wordt zo’n even pretentieus als onbenullig boek vertaald? Omdat des schrijvers eersteling de «langverwachte roman over het nieuwe Duitsland» was. Wie zat dáár zo lang op te wachten?

Uit het Duits (2003) vertaald door Gerda Meijerink. Ambo, 179 blz., € 18,95

Tahar Ben Jelloun

Duivelse liefdes

Tahar Ben Jelloun heeft na een zware roman over een Marokkaans bagno gekozen voor een literaire vakantie. De twintig verhalen gaan over meer dan alleen liefde, zoals de titel zou kunnen doen denken. Het duivelse slaat behalve op dwaze passies ook op het aandeel van magiërs, op wie zelfs gestudeerde types een beroep doen. Die doorwerking van primitief denken is zelfs een thema van het boek. Er staan mooie verhalen in, zoals dat over de boer die van naam wil veranderen om uit de greep van zijn clan te geraken, een poging die eindigt in een huisje buiten het dorp waar hij de bijnaam Meneer de Wijze krijgt. Ben Jelloun is een vlotte verteller, maar ook hij ontkomt bij dit onderwerp niet aan de typetjes: gevaarlijk mooie vrouwen, blinde mannen et cetera.

Uit het Frans (2003) vertaald door Martine Vosmaer en Karina van Santen. De Bezige Bij, 303 blz., € 19,90

Paul Valéry

De macht van de afwezigheid

De naam Valéry wekt inmiddels enige asso ciaties, mag je aannemen, vooral met het woord Geest of erger, maar er is te weinig van hem vertaald. Zelfs de neoconservatieven hebben hem nog niet ontdekt. Interessanter dan zijn politieke opinies over de man van de daad, die hij met meer Franse intellectuelen indertijd gemeen had, zijn de ideeën over denken, geheugen, poëzie en het maken van kunst. Uit zijn ochtendlijke exercities vanaf 1894, tezamen dertig duizend pagina’s over van alles en nog wat, en op alles een eigen visie, heeft Maarten van Buuren een prikkelende keuze gemaakt, dat wil zeggen uit de tweedelige selectie die Valéry zelf ooit maakte. Daarbij staat de figuur Narcissus model voor reflectie en vorm. Een sieraad voor de reeks essays van Historische Uitgeverij.

Uit het Frans vertaald en ingeleid door Maarten van Buuren. Historische Uitgeverij, 275 blz., € 24,95

Roland Barthes

Het werkelijkheidseffect

Rokus Hofstede & Jürgen Pieters (red.)

Memo Barthes

Van sommige boeken is het al van belang te melden dat ze er zijn. Tegelijkertijd verschenen er twee uitgaven van en over Roland Barthes. De titel van de bundel met elf grotere essays, Het werkelijkheids effect, is typisch Barthes en typisch afstotend voor lezers die zijn werk niet kennen. De stelling dat het realisme niet het resultaat van een perfecte weergave is maar van bewuste, op effect berekende ingrepen, mag inmiddels gesneden koek zijn, maar niet iedereen wil die op zijn bordje. De keuze toont meerdere gedaanten van Barthes, tot en met de autobiograaf tegen wil en dank. De ruime inleiding is van Jürgen Pieters, die ook samen met Rokus Hofstede de presentatie voor zijn rekening nam van het parallelboek met een bloemlezing korte essays van Barthes en een tiental Nederlandse antwoorden op de vraag of en hoe Barthes nu gelezen kan worden. De boeken zijn er, nu nog de lezers.

Het werkelijkheidseffect. Vertaald door Rokus Hofstede. Historische Uitgeverij, 214 blz., € 24,95

Memo Barthes. Vantilt en Tijdschrift Yang, 238 blz., € 18,80