Srebrenica: 25 jaar na het bloedbad

Leven tussen de genocide-ontkenners

Slechts drieduizend Bosniakken keerden na de genocide van 1995 onder achtduizend moslimmannen terug naar Srebrenica. Hoe is het voor hen om te leven onder Bosnisch-Servisch bestuur? ‘Als ik kon, zou ik morgen mijn hotel verkopen.’

De begraafplaats bij het ­Srebrenica-Potočari ­Genocide Memorial Centre, augsustus 2017 © Bieke Depoorter / Magnum / HH

De ranke minaret van de moskee in het centrum van Srebrenica torent hagelwit boven de bebouwing uit. Iets hoger reikt de even witte kerktoren van de Servisch-orthodoxe kerk erachter. Maar die staat dan ook hoger op de helling, langs de smalle vallei waarin het stadje ligt.

‘Toen ik hier voor het eerst terug was, in 2001, stond er geen steen meer overeind van de moskee’, wijst Hasan Hasanović (44). ‘Zelfs het puin was weggeruimd. Er stonden alleen verrijdbare afvalcontainers.’

Jaren later, na de herbouw van het gebedshuis, sprak een dronken Serviër hem er aan, zegt hij met een lachje. ‘Hij had de Bosnisch-Servische strijders nog zó gewaarschuwd, zei hij: breek die moskee niet af, want als de moslims hem terugbouwen, maken ze de minaret alleen maar hoger.’ Hasanović kijkt even omhoog en grinnikt. ‘Ik denk dat hij gelijk had. De minaret ís iets hoger dan hij voor de oorlog was.’ Hasanović, zijn zwarte haar in een rechte scheiding, is de auteur van Srebrenica overleven, dat vorig jaar in Nederlandse vertaling verscheen. In sobere zinnen beschrijft hij daarin zijn verblijf in de overbevolkte enclave tijdens de Bosnische burgeroorlog (1992-1995) en zijn vlucht op 11 juli 1995, de dag dat de Bosnische Serviërs Srebrenica innamen.

Met zijn tweelingbroer en vader voegt hij zich dan bij de vijftienduizend moslimmannen die dwars door Servisch gebied willen trekken om Tuzla te bereiken, destijds in handen van de Bosniakken, zoals Bosnische moslims zich noemen. Al op de eerste dag van wat nu de Dodenmars heet, raakt de dan negentienjarige Hasanović zijn vader en broer kwijt. Wanneer hij zes dagen later uitgeput en uitgehongerd Tuzla binnenstrompelt, na vooral ’s nachts door bossen en over bergen te zijn getrokken, soms wegduikend voor Servische kogels, blijkt ruim de helft van de moslimmannen die aan de mars begonnen het niet te hebben overleefd. De Bosnisch-Servische troepen hebben hen gevangen genomen en daarna vermoord, of meteen al doodgeschoten. Ook zijn vader en broer komen niet uit de bossen.

In en om Srebrenica vallen 8372 slachtoffers, staat in grote cijfers op een manshoog rotsblok van wit natuursteen op de begraafplaats bij Potočari, vier kilometer buiten Srebrenica. Daarachter lange rijen witte grafzerken. Iets verderop, in de fabriekshallen van een voormalige accufabriek, de voormalige basis van Dutchbat. Hier waren de uiteindelijk vierhonderd Nederlandse blauwhelmen gelegerd die de VN-taak hadden de enclave te beschermen. Inmiddels is er het Srebrenica-Potočari Genocide Memorial Centre gevestigd. Hier geeft Hasanović dagelijks rondleidingen. Deze middag is hij mijn gids in Srebrenica zelf, waar hij zich in 2009 vestigde.

De gemeente heeft een Servische burgemeester en ligt in de Republik Srpska, het door Bosnische Serviërs bestuurde deel van de federatie Bosnië-Herzegovina dat uit twee ‘entiteiten’ bestaat. Hoe is het voor Hasanović en andere teruggekeerde moslims om hier te leven, wil ik weten. Hoe zien ze de toekomst?

Voorafgaand aan onze ontmoeting was ik Srebrenica uitgelopen, omhoog, richting de bossen. Voorbij Hotel Domavia, waarvan de verkruimelende verdiepingen al jaren leegstaan, na de laatste woningen van het stadje, stuitte ik op een onaf bouwwerk, omringd door bomen, langs een klaterend beekje. Daar verhieven zich zeven verdiepingen rood gemetselde muren. Het was alleen nog wachten op sponningen, ramen en stucwerk, leek het. Hier moet het ‘Guber Resort’ de deuren openen, meldde een bordje in het Servo-Kroatisch en het Engels. Hogerop langs een bospad stonden meer gebouwen, bij bronnen met ‘water for healing skin ailments’, ‘beauty water’ of ‘eye water’.

Srebrenica was ooit een vermaard kuuroord, legt Hasanović later uit. Huidziektes, longziektes: hotel Domavia floreerde dankzij de gasten die op het geneeskrachtige water afkwamen. Tijdens de Bosnische oorlog (1992-1995) zat het gebouw vol gevluchte moslims, ná de val van Srebrenica met Servische ontheemden – en nu staat het alweer jaren leeg. ‘De eigenaar ziet er geen toekomst in’, vermoedt Hasanović.

Van het nieuwe Guber Spa Resort kent hij de details niet, maar hij twijfelt er niet aan dat het project stil ligt om ‘politieke redenen’. ‘De Republika Srpska wil niet dat Srebrenica weer opbloeit tot wat het vroeger was.’

Hasanović praat vol nostalgie over die tijd. ‘Mensen wedijverden hier met elkaar wie de mooiste tuin had, wie het mooiste balkon. Er was een gevoel van togetherness, we vormden echt een gemeenschap. Kijk hoe dicht de orthodoxe kerk bij de moskee staat! Tijdens de belegering heeft niemand de kerk aangeraakt, terwijl er toen alleen nog moslims woonden.’

Tijdens de oorlog, toen de Bosnische Serviërs schietend en brandschattend moslims uit hun dorpen verdreven, groeide het aantal inwoners van 36.000 naar 60.000. Met zijn arm gebaart Hasanović naar nu lege straten, destijds waren ze overvol met rondslenterende, zich stierlijk vervelende ontheemden. De markt naast de centrale rotonde, waar nu twee vrouwen wat kleren verkopen, was altijd druk. ‘Zout was zeldzaam: één kilo kostte honderd Duitse mark. Ook meel was schaars: een kilo was evenveel waard als een kilo vlees.’

Dan gebaart Hasanović naar een met gras overgroeid stukje land langs de straat. ‘Hier stonden kleine winkeltjes, allemaal van moslims. Na de val van Srebrenica zijn ze met de grond gelijk gemaakt en nooit herbouwd.’

Hotel Domavia, voormalig kuuroord, tijdens de oorlog bewoond door gevluchte Bosnische moslims, later door Bosnische Serviërs, nu leeg © Foto‘s Marnix de Bruyne

We lopen langs nieuw ogende gebouwen, zoals de supermarkt, ‘herbouwd na de oorlog’, en een groot hotel, enkele jaren geleden voltooid. ‘Nooit geopend’, zegt Hasanović. Verderop liggen vijf gloednieuwe basketbal- en voetbalveldjes, waarop druk balletje wordt getrapt. Een gift van Asmir Begović, destijds de Bosnische doelman van Chelsea. ‘We speelden hier basketbal en volleybal. Zie je die betonnen traptreden, waar het beton lichter is? Daar kwamen in 1993 de granaten neer.’

Het is een van de heftigste scènes uit Srebrenica overleven: Hasanović verliest het bewustzijn als vlak voor hem granaten inslaan, afkomstig uit de heuvels. Er vallen 74 doden, vooral jongeren en kinderen. ‘Ik werd wakker te midden van een bloedbad’, schrijft hij. ‘Om mij heen lagen de jongens – zonder hoofd, zonder armen, zonder benen. De dichtstbijzijnde omheining zat vol bloed, mensenvlees en haarresten. Ik zette enkele passen op het voetpad bij de tribunes en liet me weer op de grond vallen om me tegen een volgende granaat te beschermen.’

Als we een wit flatgebouw passeren, wijst Hasanović naar de negende en bovenste verdieping. Daar woonde hij met zijn twee broers en ouders in het appartement van een oom, die al in mei 1992 in Tuzla was vermoord. Voor de ingang waren altijd twee broodmagere jongens in de weer, een tweeling, vertelt hij. ‘Uiterst traag zaagden ze brandhout in kleine stukken. We plaagden hen, maar hadden ook met ze te doen. Eén heeft de oorlog overleefd, de ander is vermoord tijdens de genocide.’ Nu wonen er alleen moslims in de flat, wat geldt voor de hele wijk.

Het Vredesverdrag van Dayton, dat in 1995 de oorlog beëindigde, gaf alle vluchtelingen en ontheemden het recht naar hun huizen terug te keren. In 2000 kwamen de eerste twee moslims terug naar Srebrenica, een bejaard echtpaar, daarna druppelden drieduizend anderen binnen – van de 27.000 die er ooit woonden.

Zoals Mujo Gušić, een 66-jarige man met dikke bril en een bos grijs haar, die op het terrasje naast de moskee koffie drinkt. ‘Hier groeide ik op, alleen hier kan ik gelukkig zijn. Ik móest terugkeren, al moest ik droog brood eten. Net als de hond Lassie, die altijd terugkomt’, zegt hij met een luide stem die doofheid verraadt.

Hasanović zelf huurt sinds 2009, toen hij zijn baan kreeg bij het Memorial voor de genocide, een flat aan de andere kant van het stadje. In het begin was hij ‘bang en gespannen’, schrijft hij in Srebrenica overleven. Maar nadat er meer moslims terugkwamen, verbeterde de situatie. ‘De lokale autoriteiten moesten de terugkeerders wel accepteren, onder druk van de EU en de VS, er werd enorm op ze gelet. Nu kan ik naast je lopen en met je praten, ik voel me vrij en ben niet bang meer.’

Serviërs wonen op hun beurt ook vooral bij elkaar. Hasanović wijst op de rijtjeshuizen langs de hoofdweg, ooit gebouwd voor de mijnwerkers van de lood- en zinkmijn. ‘Daar wonen alleen Servische ontheemden.’ Zelf gaat hij wel om met de Serviërs, maar hij vermijdt de oorlog als gespreksonderwerp. Servische vrienden heeft hij niet.

De twee bevolkingsgroepen leven gescheiden, maar hebben dezelfde kritiek op de Servische autoriteiten vanwege de economische stagnatie. ‘De Bosnische politici zijn allemaal kleine Donald Trumps, of het nu Kroaten, moslims of Serviërs zijn’, zegt Avdo Purković, eigenaar van pension Misirlije, aan de rand van het centrum. De EU lijkt ondertussen het politieke systeem te accepteren waarin beide entiteiten elkaar in een houdgreep houden, waar stagnatie en corruptie heerst, en besluiten afhangen van politieke connecties.

Purković gelóófde in een toekomst voor Srebrenica, vertelt hij aan de ronde houten tafel bij de receptie. De afgelopen twaalf jaar bouwde hij zijn zalmroze gestucte pension steeds verder uit, elke cent die hij verdiende stak hij erin. Maar veel plezier bracht het hem niet, vertelt hij. Hij wijst naar zijn oorspronkelijk blonde kuif en kapsel. ‘Het is helemaal grijs, terwijl ik 34 ben. Acht mensen heb ik in dienst, van wie hele gezinnen afhankelijk zijn – maar ik moet me in vele bochten wringen om hen te kunnen betalen.’ In de julimaand gaat het nog, dankzij het ‘zwarte toerisme’ rond de herdenking van de genocide. Maar daarna… Er is nauwelijks economische activiteit en alle jonge mensen vertrekken, zegt hij. ‘Zes voormalige werknemers heb ik uitgezwaaid, ze gingen naar Duitsland of elders in de EU. Het is moeilijk nieuwe mensen te krijgen.’

‘Hier groeide ik op, alleen hier kan ik gelukkig zijn. Ik móest terugkeren, al moest ik droog brood eten. Net als de hond Lassie, die altijd terugkomt’

Miljoenen euro’s zijn na de oorlog in Srebrenica gestoken, voor projecten die niets opleverden, filosofeert hij verder. Na 25 jaar verliest de internationale gemeenschap haar interesse, en dat begrijpt hij eigenlijk wel. ‘Als je 25 bent, moet je op eigen benen staan, toch?’

Neem het Guber-kuuroord. Dat moest het toerisme weer op gang brengen, waarvan hij veel klandizie had verwacht. ‘We wachten al acht jaar op de opening.’ Waarom de bouw stil ligt? Politieke onwil, zegt hij gelaten. Zijn hotel zou normaliter een half miljoen euro waard moeten zijn, zegt hij. Maar ‘als iemand morgen de helft biedt, mag hij het hebben’.

In Srebrenica overleven beschrijft Hasanović de Dutchbat-soldaten als ‘fotomodellen, met kortgeknipt haar, een geparfumeerde huid en een stijlvolle zonnebril’ die de indruk wekten ‘dat ze gekomen waren om vakantie te vieren’.

Straatbeeld in Srebrenica. De wegwijzers op de muurschildering wijzen naar ‘vrede’, ‘succes’, ‘toekomst’ en ‘geluk’; © Foto‘s Marnix de Bruyne

Achter een stoofschotel met kip, rundvlees en groenten, een specialiteit van pension Misirlije, probeert hij mild te zijn over de Dutchbatters. De graffiti in het Memorial Centre, waarin een Dutchbatter afgeeft op Bosnische vrouwen (‘No teeth? A moustache? Smell like shit? A Bosnian girl!’) was maar ‘één soldaat’, zegt hij. ‘En gekken vind je overal.’

Wat betreft de vraag of de Dutchbatters hadden kunnen terugvechten toen de Serviërs de enclave binnenvielen, waarmee wellicht vele levens gered hadden kunnen worden – hij beseft dat de meningen erover verdeeld zijn. In zijn boek rept hij er ook niet over. Maar dat de Nederlanders in Potočari slechts toekeken terwijl de Bosnische Serviërs de mannen van de vrouwen scheidden, is een ander verhaal. ‘Er verbleven vijfduizend mensen op de basis. Die zijn allemaal weggestuurd, inclusief de 350 mannen en jongens tussen de vrouwen, kinderen en bejaarden. Terwijl de Dutchbatters wisten van de schietpartijen buiten de basis… Ze dachten: als we de vluchtelingen uitleveren, kunnen we morgen weg. Ze wilden hun eigen vertrek versnellen. Zo zie ik het.’

Zijn oordeel sluit naadloos aan bij de uitspraak van de Hoge Raad in Nederland in juli vorig jaar, en die van het Gerechtshof eerder, in de zaak die de Moeders van Srebrenica tegen Nederland hadden aangespannen. Nederland heeft onrechtmatig gehandeld doordat de Dutchbatters de vluchtelingen in groepen via een soort sluis naar klaarstaande bussen lieten gaan. Daardoor was het voor de Bosnische Serviërs extra gemakkelijk de mannen van de vrouwen te scheiden. En de Nederlanders waren óók nalatig omdat ze de 350 mannelijke vluchtelingen die zich op de basis bevonden niet de kans gaven op de compound te blijven.

Volgens het hof zouden die mannen dan een kans van dertig procent hebben gehad om te overleven. De Hoge Raad, die het qua verwijtbaarheid met het hof eens was, schatte die kans echter in op tien procent, ‘in het licht van alle omstandigheden’, aldus het arrest, waarin verdere toelichting over de berekening ontbreekt. Wat betekent dat Nederland slechts tien procent zal betalen van de financiële compensatie voor nabestaanden die gebruikelijk is in dit soort gevallen. En dan moeten de nabestaanden van die specifieke 350 mannen daar zélf een claim voor indienen.

Het vonnis laat zien ‘hoe wreed staten kunnen zijn’, zegt Hasanović. ‘Ze willen zonder emotionele betrokkenheid rechtspreken, maar om zich te beschermen dichten ze zichzelf de kleinst mogelijke aansprakelijkheid toe.’

Toch zijn er ook ‘veel dingen waar we blij mee moeten zijn’, reflecteert hij. ‘Dat de hele wereld weet van “Srebrenica” is een groot succes. Dankzij het tribunaal, door de Moeders van Srebrenica, de activisten. Vooral de Amerikanen gaven veel steun. Deels uit schuldgevoel: we hebben het niet tegengehouden, nu proberen we iets te repareren, met vervolgingen, met het vastleggen van de waarheid. Dat geldt ook voor Nederland, dat een paar miljoen betaalde voor ons Memorial, waarmee het de grootste donor is. Uiteindelijk vormen we maar een kleine groep slachtoffers: achtduizend, terwijl bij de genocide in Rwanda een jaar eerder achthonderdduizend doden vielen. Het had zomaar vergeten kunnen zijn.’

Hasan Hasanović voor de flat in Srebrenica waar hij tijdens de oorlog woonde. Nu wonen er alleen teruggekeerde moslims © Foto‘s Marnix de Bruyne

Desondanks ontkennen veel Bosnische Serviërs dat er sprake is van genocide. Een van de prominentste is burgemeester Mladen Grujičić, een late dertiger. ‘Hij zegt dingen waardoor moslims zich afvragen of ze niet een vluchtkoffer naast hun bed moeten hebben staan, om op elk moment te kunnen vertrekken’, zegt pensionhouder Purković.

Vorig jaar juli, vlak voor de jaarlijkse herdenking van de genocide bij Potočari, liet de burgemeester in een interview weten daar niet bij aanwezig te zullen zijn. Het aantal van achtduizend doden zou ‘verkeerd’ zijn en hij weigerde van een genocide te spreken. Op de vraag waarom, zei hij: ‘Wie heeft de Serviërs vermoord?’ Serviërs ‘hebben zich duizend keer verontschuldigd en toegegeven dat er een misdrijf plaatshad’, vervolgde hij, maar degenen aan de ‘andere kant’ hadden dat nooit gedaan.

Nedžac Avdić (42), voorman in een fabriek voor auto-onderdelen in Srebrenica, genocide-overlever en vriend van Hasanović, is ‘enorm teleurgesteld’ in Grujičić. ‘De Serviërs hebben altijd ontkend oorlogsmisdaden te hebben gepleegd, laat staan genocide’, zegt hij over diens uitspraak. ‘Pas nadat al die massagraven werden geopend en alle bewijzen voorbij kwamen bij het Joegoslavië-tribunaal, gingen ze beetje bij beetje erkennen dat er is gemoord.’

Dat Srebrenica een Bosnisch-Servische burgemeester heeft, is op zich geen probleem, vervolgt Avdić, die als vijftienjarige aan de genocide ontkwam maar zijn vader verloor tijdens de Dodenmars. ‘Maar laat het er een zijn die tolerantie promoot. Je kunt de vonnissen van de internationale tribunalen niet ontkennen, we moeten érgens beginnen.’

Vorig jaar maart ging Avdić naar de boekpresentatie van Slag om Srebrenica: Oorlog voor de beschaving, van ‘genocide-ontkenner’ Dušan Pavlović, in de bibliotheek van Srebrenica. De burgemeester was er, evenals vertegenwoordigers van buurland Servië, van de regeringspartij snsd van de Republika Srpska en hoge vertegenwoordigers van de Servisch-orthodoxe kerk.

Tot zijn verbijstering hadden de sprekers het niet alleen over de Servische slachtoffers van de oorlog en hoe ze waren vergeten – dat had hij wel verwacht – maar vielen ze het Memorial Centre aan. De aantallen slachtoffers zouden niet deugen, de meeste doden zouden tijdens de gevechten zijn gevallen door onderlinge strijd ‘of zelfmoord’, waardoor je de rijen graven in Potocari moest zien als een soldatenkerkhof.

‘Ze prezen het optreden van de Bosnische Serviërs, die de Serviërs hadden “beschermd”. Dat er mannen waren geëxecuteerd nádat ze zich hadden overgegeven, dat zou spontaan zijn gebeurd, als wraakactie voor gedode Serviërs. Ratko Mladić of zijn officieren zouden er niets mee te maken hebben. Het Memorial zou tot terrorisme aanzetten, zei ook iemand. Het was walgelijk, walgelijk.’

Avdić móest aan het eind wel opstaan en het woord nemen, vond hij. ‘Ik zei dat ik, als Srebrenica-overlever, geschokt was. Dat al die leugens onacceptabel waren. Als die moorden verzonnen waren, vroeg ik, waar waren dan mijn leraren van de middelbare school gebleven? “Jullie kenden hen allemaal. Zeg me, waar zijn ze?” riep ik. De burgemeester stond op en zei “Waar zijn de Servische slachtoffers die zijn vermoord door de moslims?”’

‘We ontkennen niet dat moslimstrijders ook slachtoffers maakten, helemaal niet. Maar je kunt niet doen alsof beide groepen slachtoffers elkaar in evenwicht houden, alsof het vergelijkbare grootheden zijn’, zegt hij nu. ‘Ik ben echt bang voor de jongeren. Alles wordt doorgegeven, oorlogsmisdadigers als Mladić worden verheerlijkt. En de burgemeester doet eraan mee.’

Zonder een begin van erkenning dat er van genocide sprake was, kunnen moslims een rustig bestaan in Srebrenica vergeten, is zijn overtuiging. ‘Ik denk dat hier over tien, vijftien jaar geen moslims meer wonen. Economische perspectieven zijn minder belangrijk dan de vraag of je je veilig voelt.’

Zou het uitmaken als het Memorial Centre een hoekje had ingeruimd voor de slachtoffers van de moslimstrijders, vraag ik op een ander moment aan Hasanović. Zoals de doden die vielen op 7 januari 1993, kerstavond voor de Serviërs? Moslimstrijders, opererend vanuit het belegerde Srebrenica, overrompelden en vermoordden die avond zeker 46 Serviërs in het dorp Kravica: een kwart burgers, driekwart soldaten. Bosnische Serviërs verwijzen er vaak naar.

‘Ik ben echt bang voor de jongeren. Alles wordt doorgegeven, oorlogsmisdadigers als Mladic worden verheerlijkt. En de burgemeester doet eraan mee’

Hasanović reageert resoluut. ‘Dit is óns Memorial, óns verhaal. Je gaat in het herdenkingscentrum van Auschwitz-Birkenau ook geen hoekje inrichten over het bombardement op Dresden door de geallieerden. We ontkennen dat andere niet, maar de Bosnische Serviërs kunnen er hun eigen monument voor oprichten.’

een lokaal in de muziekschool ‘Huis van de goede tonen’ © Foto‘s Marnix de Bruyne

Waar hij moedeloos van wordt, is als mensen zeggen dat de moslimmannen een legitiem militair doelwit waren. ‘Natuurlijk namen de Bosniaks in de Dodenmars wapens mee, als ze die nog hadden. Maar ons enige doel was te vluchten, weg van de hel, en onzichtbaar te blijven. Elke confrontatie met de Servische troepen zouden we verliezen. Dat wisten we. Bij de genocide ging het ook niet eens om een colonne vluchtende mannen die is beschoten, maar om gevángenen. Al die mannen gaven zich over, zijn ontwapend en vervólgens vermoord en in massagraven gegooid – alleen omdat ze moslim waren. Dat is wat de Serviërs niet begrijpen als ze spreken van een legitiem militair doelwit.’

Het doel van het Memorial is ook niet om verzoening tot stand te brengen, benadrukt hij. ‘Dat komt er pas als de leidende politici daartoe besluiten, eerder niet. Zelfs niet als je een toverstokje hebt.’

Toch is er één succesvol verzoeningsproject in Srebrenica: de muziekschool in het centrum, waar jonge Bosnische Serviërs en Bosniakken na schooltijd muziekles krijgen. De school draait sinds 2012 met steun van het Oostenrijkse Bauern für Bauern, tot grote tevredenheid van de ouders en ruim 350 leerlingen.

Op de muren van dit ‘Huis van de goede tonen’ zijn muzieknoten geschilderd, door de gangen klinkt gepingel van een elektrische piano, en in een kamer boven, achter de oefenruimtes met nieuw ogende gitaren en een drumstel, hangt een poster vol Engelse teksten als ‘wees jezelf’, ‘iedereen is anders’ en ‘je toekomst is mogelijk zonniger dan je denkt’.

In een lokaal op de begane grond laat Almir Dudić, leraar Duits, op zijn laptop beelden zien van een tournee van het zangkoor, met optredens voor Bosnische notabelen. En van een zomerkamp in 2018, waar 150 kinderen kwamen: vijftig Kroaten, vijftig Serviërs en vijftig Bosniakken. ‘Het veranderde hun leven’, zegt een begeleidster op de video. ‘Pas hier op school leren ze kinderen kennen uit de andere groep’, legt Dudić uit. ‘Er is hier bovendien amper aanbod voor hobby’s, sport of andere vrijetijdsbesteding. De muziekschool voorziet in een grote behoefte.’

Onderzoek van de Universiteit van Banja Luka bevestigt dit. In het begin was het ‘erg moeilijk’ om de ouders te overtuigen hun kinderen naar de muziekschool te brengen. Te vaak waren goed bedoelde projecten in Srebrenica na een paar maanden weer opgehouden. Maar Bauern für Bauern garandeerde jarenlange steun, waardoor de school kon uitgroeien tot een ‘stabiele organisatie, volledig gesteund door de gemeenschap en de ouders’.

‘Erg bemoedigend’, concluderen de onderzoekers, is dat maar liefst 79 procent van de ondervraagde kinderen door de muziekschool voor het eerst ‘contacten legde met kinderen van andere etnische groepen’. Want al doen zich in Srebrenica geen interetnische botsingen meer voor, er is wel veel sprake van ‘wantrouwen en vooroordelen’, vatten ze de antwoorden van 250 respondenten samen.

Dudić zelf bracht de oorlog door in Tuzla, maar zijn opa, destijds 69 jaar oud, kwam om bij de genocide, vertelt hij terwijl vanuit de laptop het kinderkoor ‘All You Need Is Love’ zingt en ‘What a Wonderful World’. Hij voelt geen haat, wil geen vergelding, maar vindt wel dat de daders verantwoording moeten afleggen over het geweld dat ze pleegden. ‘Het is gevaarlijk alleen naar de toekomst te kijken en niet naar het verleden. Dan kan alles opnieuw gebeuren. Er hoeft maar een kleine vonk te ontbranden en mensen voelen zich niet meer veilig.’

Als ik zijn mening vraag naar de burgemeester, reageert hij fel. ‘Dit gesprek zou over de school gaan, niet over politiek! Mijn vrouw en ik zijn hier komen wonen met onze kinderen, nu zes en drie, omdat we gelóven in dit project. We móeten met elkaar verder leven, we hebben geen keus. Daarbij draait het niet per se om verzoening. Ik wil kinderen vooral helpen in hun ontwikkeling, zodat ze voor zichzelf leren denken, en niet zomaar achter iedereen aan lopen.’

Pal naast de muziekschool ligt het bastion van de burgemeester, het stadhuis van Srebrenica, een gerestaureerd geelrood pand uit de Habsburgse tijd. De burgemeester zelf is niet beschikbaar, zegt een tolk. Maar wil ik misschien met Cvijetin Maksimović praten, ‘burgemeester’ voor economische ontwikkeling?

Op zijn kleine, smalle kamer, zegt Maksimović even later dat de economische situatie ‘moeilijk’ is voor Srebrenica. ‘Mensen verlaten Srebrenica en komen niet terug, scholen krijgen hun klassen niet meer vol. Maar dat is zo in heel Bosnië-Herzegovina, dankzij de open markteconomie.’ Hoeveel inwoners zijn eigen gemeente telt, durft hij dan ook niet met zekerheid te zeggen. Zijn ‘persoonlijke schatting’ is zevenduizend, van wie de helft moslim.

Maar hij wil niet te somber zijn: de laatste twee jaar zijn er 150 banen bijgekomen in de gemeente, zegt hij, bij twee fabrieken voor auto-onderdelen, één bedrijf dat containers maakt en een textielfabriek. En de bouw van Banja Guber, het kuuroord buiten het dorp, waarom ligt dat stil? Zelfs het hoofd economische ontwikkeling van Srebrenica weet het niet, zegt hij. ‘Volgens mij, maar dat is echt mijn persoonlijke mening, is dat om politieke redenen.’

Over de opmerkingen van de burgemeester wil Maksimović niets zeggen. Wel wil hij zijn eigen mening geven over het Memorial en de genocide op de moslims. ‘Ik ben hier geboren, maar moest Srebrenica in 1992 verlaten’, begint hij. ‘Niemand heeft ooit erkend dat ik verjaagd ben. Ik ben Serviër, heb alles verloren, mijn bezit én familieleden. Het is de verkeerde benadering om steeds maar één kant te beschuldigen van alle misdaden. Ik was destijds in Srebrenica en voelde me niet beschermd.’

En de genocide? ‘Ik heb nog onvoldoende bewijs gezien om te zeggen of er sprake is van genocide of oorlogsmisdaden. We moeten naar de toekomst kijken, niet alleen naar het verleden.’

het centrum van Srebrenica met de na de Bosnische oorlog herbouwde moskeeën © Foto‘s Marnix de Bruyne

De Bosnisch-Servische journalist Mladen Kojić herkent zulke reacties vanuit zijn vrienden- en kennissenkring. ‘Sommigen ontkennen de genocide. Maar ik wijs dan op de oordelen van het Joegoslavië-tribunaal en zeg: als het niet waar is, kom met bewijzen. Dan zeggen ze dat ik ben overgelopen naar de andere kant.’ Enig begrip heeft hij wel. ‘Voor de Servische slachtoffers waren er geen rechtszaken.’

Kojić zelf lijkt een zeldzaamheid in de Republika Sprska: een gematigde Bosnisch-Servische journalist die open naar het verleden kijkt, met als motto ‘feiten zijn feiten’. Hij runt de website eSrebrenica.ba, dat lokaal nieuws brengt, zolang het maar niet te politiek is. ‘Alle grote besluiten vallen toch in Banja Luka en Sarajevo, zij luisteren niet naar de mensen van hier’, vertelt hij in de muziekschool, waarvan hij onder meer de website verzorgt.

De journalist weet ook meer over het kuuroord Guber. ‘De huidige eigenaar kreeg geen vergunning om het geneeskrachtige water te exploiteren’, legt hij uit. ‘Die bevoegdheid hebben alleen de autoriteiten in Banja Luka, niet die in Srebrenica.’ De reden? Om te beginnen is de eigenaar geen lid van de regeringspartij van Srpska, ook al is hij een Bosnische Serviër – en ooit stelde hij zich zelfs vergeefs kandidaat voor het burgemeesterschap. ‘Dat helpt allemaal niet.’ Een tweede reden is dat er nog ‘twee of drie’ kuuroorden zijn in de Republika Srpska. De autoriteiten zijn bang dat Guber daarmee zal concurreren. ‘Ze hebben al geïnvesteerd in twee of drie andere spa’s. Alles is hier business.’

Kojić schreef erover op zijn nieuwssite, maar niet over de politieke aspecten ervan. Hij runt de site bijna als een vrijwilliger: de subsidie die hij er eerder voor kreeg, is opgedroogd. Ook hij denkt aan vertrekken. ‘Ik zie geen toekomst hier, ik ben bang dat de oorlog weer begint.’

Op mijn laatste middag toont het dorp zijn gemoedelijke gezicht. Voor de moskee ravotten meisjes met kleurige hoofddoeken, die net koranles hebben gehad. Scholieren van de middelbare school willen wát graag op de foto, waarbij de meisjes de lippen tuiten voor de camera.

In een lunchroom speelt een 23-jarige moeder met haar kleuter. Er zijn in Srebrenica vijftig kinderen geboren dit jaar, heeft ze gehoord op de crèche van haar dochtertje. ‘Valt mee toch?’ Maar, zegt ook zij, als haar man elders een baan krijgt, zijn ze weg. ‘Ik wil ’s avonds ook wel eens uitgaan, met mensen van mijn leeftijd. En die zijn er bijna niet.’

Als ik later mijn foto’s bekijk, blijken drie door mij gefotografeerde jongens hun duim, wijs- en middelvinger op te steken. Het is het symbool van de Heilige Drie-eenheid in de Servisch-orthodoxe kerk, legt Hasanović uit als ik hem de foto mail. In de context van de Bosnische geschiedenis staat het symbool voor Servisch nationalisme, een teken dat genocide-ontkenners maken.


Marnix de Bruyne bezocht Srebrenica vóór de coronacrisis, toen de lessen in de muziekschool nog niet waren opgeschort. Srebrenica overleven van Hasan Hasanović is uitgegeven door Polis