Het is zonnig en koud en ik ben buiten – als altijd een beetje verbaasd over niets in het bijzonder en alles in het algemeen. De reden voor dit rondje is nogal prozaïsch, maar waarom niet van de gelegenheid gebruikmaken en iets belangrijkers doen? Waarom niet proberen dat gevoel van inertie van je af te schudden? Als je te lang te weinig mensen ziet beginnen eerst de ideeën op te drogen en gaandeweg ook de gevoelens.

Langs de plas waarop een scherpe wind rimpels trekt. Langs het oude huis waar nu iemand anders een even klein leven leidt.

Ik luister naar een gesprek met een Amerikaanse vertaalster van Poolse poëzie. Als de interviewster zichzelf voorstelt maakt haar ongedwongen Engels bij het uitspreken van haar eigen naam plots plaats voor kleiig Vlaams – onverwachte intimiteit. Als ze het werk van de vertaalster introduceert rollen de Poolse namen als tot de kern ingedikte dichtregels van haar tong.

De vrouw vertelt over een leven gewijd aan het ontsluiten van Czesław Miłosz, Wisława Szymborska en Adam Zagajewski. Het is de dood van die laatste, een paar dagen voor de opname, die de droeve aanleiding vormt voor dit warme gesprek. Het verdriet van de vertaalster is vers, maar telkens wanneer haar stem breekt is dat eerder uit dankbaarheid dan van pijn, zo lijkt het.

Over het hoge, magere bruggetje rechtsaf. Voorbij de paintball-schuur van Fundustry en langs het in de wind schommelende bordje waarop in sierlijke letters ‘Le Jardin d’Artiste’ is geschreven – god weet wat ze daar uitspoken. Iets verderop, dicht bij het water, staat achter een omheining in het hoge gras al jaren het roestige karkas van een vijftien meter lange boot weg te teren. In mijn hoofd heb ik het ding ‘de Tantalus’ gedoopt.

‘De dag was vriendelijk, het licht welgezind./ Die Duitser op het terras van het café/ Zat met een klein boek op zijn knieën./ Ik kon nog net de titel zien:/ “Mystiek voor beginners”’, dichtte Zagajewski, in de vertaling van Gerard Rasch. Hij was geen ironicus, maar hij liet in zijn poëzie extase en ironie soms prachtig samenvallen. Hij keek naar de schoonheid van al het nietige om hem heen en sprak in alle ernst en zonder schroom over de ziel en het eeuwige.

Een kinderfiets, rolschaats. Spullen waaruit leven en kleur zijn weggetrokken

Onder het viaduct speur ik vergeefs naar het in metershoge kapitalen op de muur gekalkte woord LOSERS. Zijn de letters vlak voordat ik hier aankwam voorgoed vervaagd? Of heeft iemand deze muur, die zo duidelijk van niemand is, toch maar een keer schoongespoten?

De vertaalster vertelt hoeveel ze van Zagajewski’s elegieën hield. Hij schreef ze niet alleen voor beroemde collega’s, maar ook voor gewone stervelingen: iemand als zijn kapper of een buurvrouw. Ruth Buczyńska was een advocate die de holocaust had overleefd. In de vertaling van Clare Cavanagh eindigt het gedicht zo: ‘Maybe that was why she lived so long./ Because there are so many others, and they need defending./ Prosecutors multiply like flies, but defenders are few./ She was a good person. She had a soul. We seem to know what that means.’

Ze leest de laatste vertaling voor die ze Zagajewski voor zijn dood toestuurde. Het is een gedicht voor Szymborska waarin de regels zijn gevuld met de stemmen van toeristen die voor een schilderij van Caravaggio staan. De dingen die ze zich laten ontvallen terwijl ze in een basiliek in Rome naar De roeping van Matteüs kijken.

Langs de begraafplaats en de woonboten, over het stenen bruggetje waarop de restanten van een kleine dregoperatie als besmeurde koopwaar staan uitgestald: een kinderfiets, kleren, een rolschaats. Spullen waaruit leven en kleur zijn weggetrokken. Langs het terras dat weken geleden al werd neergezet maar dat nog een paar dagen geduld moet hebben.

Terwijl je je vrienden en collega’s mist is het gemakkelijk te vergeten hoe graag je vooral ook weer wat vaker wildvreemden zou willen horen. Niet die ruis die het dagelijks bestaan nu is gaan vullen, de ruis die het gevolg is van de algoritmen die in je onderbewuste behoeften proberen te voorzien, maar gewoon weer de absolute willekeur van de gedachten die huizen in hoofden waarop je ogen voor het eerst rusten.

Kun je het gewone leven verleren? Kun je op een wezenlijke manier opnieuw moeten beginnen? Want zo voelt het. Over twee dagen is het Koningsdag en het enige wat ik ervan zal meekrijgen is dit: door mijn raam zal ik een man zien met een klein meisje aan de hand. Hij draagt een oranje T-shirt, zij een oranje jurk. Ze zien er in deze stille straat verdwaald uit. Boven op zijn kale hoofd dansen twee rood-wit-blauwe banieren sierlijk om elkaar heen, alsof ze wapperen in de wind. Hij ziet eruit als een man op zoek naar een terras. Als een man die niets liever wil dan onder de mensen zijn. Ik denk aan de vrouw die die ochtend heel secuur zijn schedel heeft geschminkt, die de deur achter hem heeft dichtgeduwd en die zelf niet heeft gemerkt hoe op dat moment aan haar lippen een zucht ontsnapte. De man en het meisje blijven een tijdje voor mijn deur staan terwijl ze naar het einde van de straat kijken. Ik hoor niet wat ze zeggen. Het raam is dicht.