Ryan Adams de Lankmoedige

Leven zonder voorbehoud

Hij was het grootste muziektalent van de laatste tien jaar, maar hij werd de man die niet paste in de muziekindustrie en die moest lijden om te creëren. Nu rekent Ryan Adams af met de clichés en met zichzelf. En dat viert hij op het podium.

OP ZONDAGAVOND 28 JUNI stond Ryan Adams (36) op het podium van het Concertgebouw in Amsterdam. De kaarten waren binnen een paar minuten uitverkocht. Een groot deel van Adams’ publiek was hier duidelijk voor het eerst. De sfeer was plechtstatig. Er ging iets intimiderends uit van de zaal. Alsof je hier niet mocht joelen. Wel klappen, maar netjes, afgemeten, zodat je iedere klap hoort wegsterven. Adams kwam op – het halflange haar slordig, tattoo’s zichtbaar onder de opgerolde mouwen van zijn rode hemd – en pakte zijn rood-wit-blauw geschilderde gitaar. Het was muisstil. Hij keek de zaal in. Hier moest een spanning worden doorbroken, zoveel was duidelijk, en dat was aan hem. Hij boog zich voorover, zijn lippen tegen de microfoon, en fluisterde, op een toon van paranoia: ‘Why are you staring at me?’ Een bulderlach galmde door de zaal, het ongemak was weggelachen, Ryan Adams kon beginnen. Wat volgde was een proeve van niet alleen een haast intimiderend talent (want wat kan hij zingen, en wat kan hij gitaar spelen), maar minstens zozeer ook van speelplezier. Urgentie, noodzaak, dat soort altijd wat gewichtige termen: jazeker, ze slaan allemaal op Ryan Adams, zonder reserve, hij staat daar omdat hij moet, omdat hij niet anders kan.

Maar minstens zozeer omdat hij niet anders wíl.

Hij heeft een zeer ongebruikelijke route doorlopen: gedebuteerd op een klein, onafhankelijk platenlabel, met zijn alom bejubelde debuut Heartbreaker. Vervolgens opgepikt door major platenmaatschappij Universal. Die wisten zich al snel geen raad met die eigenzinnige, grillige artiest, die niet alleen in een ontzaglijk tempo nieuwe nummers bleef schrijven, maar die ook wilde uitbrengen. Bleken ze met de man die country en Americana een jong gezicht wist te geven opeens hun eigen Prince te hebben binnengehaald: de man die zoveel uitbracht dat niemand het nog kon bijhouden of uiteindelijk kon schelen. Dat duurde dus niet erg lang, Ryan Adams bij een major platenmaatschappij. Hij ging naar een kleiner label, en deed het uiteindelijk zelf. De afgelopen jaren verscheen ieder jaar minstens één album van Ryan Adams, soms zelfs twee, of een dubbel-cd. Die laatste waren altijd wat overdadig, maar albums als 29, Easy Tiger en Cardinology waren weldadig, monumenten voor de weemoed, vol nummers die al bij de eerste beluistering klonken als het prettig weerzien met een oude, verloren gewaande vriend.

Het viel alleen steeds minder mensen op. Ryan Adams dook onder de radar, hij werd de held van zijn eigen subcultuur. Een kleine, trouwe groep fans bleef al zijn albums kopen, en wellicht zal een nog kleiner deel daarvan zich nog hebben uitgeput in de krankzinnige hoeveelheid werk in andere genres dat hij onder allerlei pseudoniemen op internet liet lekken. De man was onstuitbaar, zoveel was duidelijk, manisch in zijn scheppingsdrang. Alsof zijn hoofd zou overstromen als hij al die nummers geen ruimte zou geven. Hij stond voor de artiest op wie de platenindustrie niet is ingericht met haar traditie van een release per twee, drie jaar, daaromheen interviews, twee singles, een grote tour, en vervolgens weer twee of drie jaar rust. De moderne manier van muziek verspreiden past meer bij Adams, al ondervond hij ook het nadeel ervan: alleen wie zoekt zal je vinden.

Zijn optredens waren tamelijk schaars, en zijn ambacht stond tijdens die optredens geregeld in de schaduw van zijn grilligheid. Had hij goede zin, dan hadden de bezoekers een mooie avond. Had hij slechte zin, dan hadden ze een avond met mooie muziek, waarbij ze zich wel door de performer daarvan heen moesten werken. Nummer na nummer spelen, maar geen woord zeggen – in Vredenburg hield hij dat eens ruim twee uur vol, waardoor zijn gebrek aan communicatie het hoofdonderwerp van de avond werd, in plaats van zijn muziek. Dat hij in de toegift opeens Muppet-personage Grover imiteerde, en als Grover een volledig nummer zong, gaf vooral te denken over de kennelijke gebeurtenissen in zijn kleedkamer tussen optreden en toegift. In Paradiso liep hij een keer zonder een woord te zeggen tijdens een nummer van het podium, een verbijsterende zaal en band achterlatend. Het was mooi geweest, vond Adams, en dus was hij weg. Hij werd de artiest die eerlijk wilde zijn, en eerlijkheid invulde als het opheffen van het verschil tussen zijn gemoed die dag en zijn gemoed op het podium. Daar zijn er meer van, van Bob Dylan tot Van Morrison: artiesten bij wie de fans vooral opletten met wat voor gezichtsuitdrukking ze het podium oplopen: ah ja, heeft hij zo te zien vandaag een nukkige dag – dan wordt het een nukkige show.

En nu heeft hij opeens weer een contract bij een major platenmaatschappij, Sony BMG. Daar moeten ze er zelfs een beetje aan wennen, zo’n bereidwillige artiest met het arbeidsethos van de man die het allemaal jarenlang zelf heeft moeten doen, die ’s ochtends heel vroeg zonder mokken bij Giel Beelen aanschuift in diens radioprogramma, en die zijn nummer inkort tot een minuut omdat dat de enige manier is waarop je in Nederland prime time op tv kan met muziek.

Een deel van het grote publiek herontdekt Adams, een deel ontdekt hem nu pas. De dag na zijn Nederlandse tv-optreden staat hij op 2 bij iTunes. De eerste internationale recensies van zijn nieuwe album Ashes & Fire komen binnen, en ze zijn zeer lovend. Terecht, het is een van zijn beste albums. En voor Ryan Adams blijkt te gelden wat ook voor onder meer Pearl Jam geldt, de band over wie zojuist de door Cameron Crowe geregisseerde documentaire PJ20 is verschenen: stug doorgaan zonder hits betekent dat de grote massa van het begin na een tijdje afhaakt, maar ook dat kentert op een gegeven moment weer, en dan spreekt het simpele gegeven dat je al die tijd bent doorgegaan opeens in je voordeel, en omarmt een nieuwe generatie je. Zelfs AC/DC werd weer hip. Tijd werkt in de popcultuur beurtelings tegen je en voor je. Rustig laten verstrijken dus.

ASHES & FIRE is een album dat bevestigt wat Adams’ optreden in het Concertgebouw al aankondigde: Ryan Adams is niet meer de wegduwer maar de omhelzer. De verhalen over zijn tumultueuze privé-leven, zijn worsteling met verslaving, het afkicken, de verloren liefdes, ze hielden de afgelopen jaren aan, waardoor het idee ontstond dat Adams’ ontzaglijke talent werd gevoed door leed, en vervolgens verdriet en een scheut medelijden met zichzelf. Veelzeggende Adams-zin van vroeger: ‘True love ain’t that hard to find/ Not that either one of us will ever know.’ Ryan Adams belichaamde het cliché van de lijdende artiest – van wie we het stiekem maar goed vinden ook dat hij lijdt, want het levert zoveel moois op. En dan maar hopen dat die artiesten hun 28ste verjaardag halen.

Maar Ashes & Fire is juist een album dat het leven viert, de liefde, en het gebrek aan voorbehoud. Het is het album van Ryan de Lankmoedige, die gerust een nummer schrijft over de weldaad van aardigheid: ‘Kindness don’t ask for much/ But an open mind.’ Onvermijdelijk heeft hij trekken van de verse bekeerling, nog in de ban van zijn nieuwe evangelie, in Adams’ geval het levensgeluk, de optelsom van een grote liefde, het einde van zijn verslavingen, een medische ingreep aan zijn gehoorproblemen, een nieuwe start als artiest zonder zijn band The Cardinals met wie zijn verhouding steeds getroebleerder werd (op Ashes & Fire zingt en speelt onder anderen Norah Jones mee) en de terugkeer naar producer Glyn Johns, die ook zijn debuutalbum produceerde. Veelzeggende zin van de Ryan Adams van nu: ‘Nobody has to cry/ To make it seem real.’

In een T-shirt van een black metal-band (‘Als ik het soort muziek wil horen dat ik zelf maak, schrijf ik zelf wel een liedje’) zegt Ryan Adams zelf: ‘Als ik nu speel, sta ik op het podium om te delen. In het verleden was mijn opvatting over waarachtigheid er een die neerkwam op rauwheid. Of nee, dat is niet eens waar. Ik hád geen opvatting over waarachtigheid, ik was wie ik was, en wat gebeurde, dat gebeurde. Dat is veranderd. Het is een eer om te spelen, zo voel ik dat, het is nobel, zelfs in enige mate heilig om daar te staan en die nummers de behandeling te geven die ze verdienen. Als ik me een dag niet goed voel, is het podium niet de plek waar ik dat deel met het publiek, nee, het is juist de plek waar ik de misère uit stap, de muziek in. Los van het feit dat ik me heel gelukkig voel, wat erg fijn is, realiseer ik me de laatste tijd dat het op het podium niet gaat om controle over de muziek. Het is een viering, door mij, en door het publiek. Dat is wat we daar doen, we vieren de muziek.’


Bekijk de eerste single van Ashes & Fire, Lucky Now:


Ryan Adams, Ashes & Fire, label: Sony BMG