Levende doden

Foto’s van Georg Hendrik Breitner en Harold Strak, Hortus Botanicus, Amsterdam. Tot en met 20 maart.
Verschillende brieven had Dr. Jekyll geschreven aan de fabrikanten van een niet eens zo belangrijk ingrediënt van zijn verjongingsdrank, maar de onontbeerlijke onzuiverheid van hun zout was inmiddels verdwenen. Met de vooruitgang van de wetenschap was hij onherroepelijk gevangen in het lichaam van Mr. Hyde, eeuwig jong, dat wel, maar met een onzuiverheid die door het nageslacht met afgrijzen zou worden bekeken.

The Strange Case of Dr. Jekyll and Mr. Hyde is een van de vele negentiende-eeuwse griezelromans die een probleem hebben met de voortschrijdende moderne samenleving. Hoewel de meeste van die romans de verdubbeling van de mens tot onderwerp hebben, in de vorm van tot leven komende spiegelbeelden of schaduwen, levende doden en handgemaakte mensen, is er niet één rechtstreeks gewijd aan fotografie. Terwijl een foto volgens de negentiende-eeuwse opvatting de meest ware en ondubbelzinnige reproduktie denkbaar was, een Dolly. Het probleem zat hem waarschijnlijk destijds al in de techniek, die lang niet zulke letterlijke reprodukties maakte als het toenmalige enthousiasme ons nu doet geloven. Zwart-witfoto’s werden ingekleurd en desnoods van echt haar voorzien, maar het gebrek aan scherptediepte en de minuscule afdrukken die met de kwetsbare glasnegatieven konden worden gemaakt, deden griezelschrijvers de voorkeur geven aan beproefde reproduktietechnieken. Dorian Gray laat zijn konterfeitsel niet fotograferen, maar schilderen.
In 1961 en 1995 werden honderden glasnegatieven gevonden van de schilder en fotograaf George Breitner, die vorig jaar in opdracht van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie werden gedupliceerd. Harold Strak maakte daar afdrukken van, die nu tentoongesteld worden in het Amsterdams Gemeentearchief en in de Hortus Botanicus. Aan het kleine aantal afdrukken in de Hortus voegde Strak nog zeven foto’s toe die hij met een zelfgebouwde camera op zelf geprepareerde glasnegatieven heeft gemaakt.
Het resultaat van deze confrontatie is verbluffend leerzaam. Alle onzuiverheden op de foto’s van een eeuw geleden (Breitners foto’s zijn rond 1895 gemaakt) blijken er niet door de tand des tijds ingebeten, maar zijn het resultaat van de gebruikte techniek.
Naast zwarte gaten en groezelige vlekken, blijkbaar onomzeilbare gevolgen van de glasnegatieftechniek, is het opvallendste anachronisme in Straks foto’s de arbitraire scherpte. De zeer grote (33 x 44 cm) maar erg laaggevoelige glasnegatieven vereisen belichtingstijden van enkele seconden en maken bewegingsscherpte onvermijdelijk, maar de dieptescherpte lijkt volgens een heel eigen logica mensen en voorwerpen van elkaar los te maken. Mensen doemen uit de wazigheid op om er onmiddellijk weer in te verdwijnen, als door een onzuiver werkende tijdmachine heel eventjes aan ons meegedeeld. Deze optische roulette staat in een eigenaardige tegenstelling tot de uitgewogen composities van de fotograaf. Weinig heroïsche stukjes Amsterdam legt hij zo monumentaal vast dat zelfs een onooglijk, door graffiti getekend, tijdelijk politiebureau in de gracht tot een waardige sokkel wordt voor de middeleeuwse Waag. Een grote boom in het Vondelpark, door een rupsenplaag met witte webben bekleed, steekt door de uitverkoren scherpte groots en eeuwig af tegen de wazige mieren in vrijetijdskleding onder zijn spookachtige takken.
Ook Breitner monumentaliseerde alledaags Amsterdam: een compositie met paard en ladder wordt door zorgvuldig disponeren een icoon van rust na en voor de arbeid; een zwaarbeladen lier krijgt door licht-donkereffecten en symmetrie een symbolische zwaarte mee. Van een spoorkarretje met hoog opgetaste lading onder een zwart doek, zo te zien in een nog kaalgeslagen oostelijk havengebied, maakt Breitner een mysterieus kunstwerk als van Christo; de lage horizon, de diagonaal die van middenvoor wegloopt naar linksachter en de donkere coulisse rechts zijn barokke compositie-elementen die hij ontleende aan de zeventiende-eeuwse landschapsschilderkunst.
Maar met de onmisbare onzuiverheden van zijn techniek blijft Breitner hoe dan ook gevangen in het lichaam van de negentiende eeuw. Nieuwe afdrukken kunnen de eenmaal vastgelegde wereld wel verjongen, maar niet meer terugveranderen.