Dilemma’s in de dierentuin

Levende monumenten of ambassadeurs van de soort?

De dierentuin wordt wel een moderne Ark van Noach genoemd, een baken van biodiversiteit in een kaalgeslagen wereld. Kunnen de dieren nog terug aan land?

Zoologischer Garten Paris II, 1997 © Candida Höfer / VG Bild-Kunst, Bonn and DACS, London 2018 / Pictoright

Het is tegen sluitingstijd en het reptielenhuis van Artis is praktisch verlaten. De laatste bezoekers zitten gehurkt bij de Aldabra-reuzenschildpad voor de ingang van het verblijf, een van de eerste beschermde dieren ter wereld, met de sporen op zijn dikke schild een haast mythisch wezen. Binnen in het huis ligt de onechte gaviaal, een krokodillensoort van ruim vijf meter lang, loom in een plas water. Op een bord staat dat hij wel honderd jaar oud kan worden en ook dat hij deel uitmaakt van een natuurbehoudproject in Indonesië. Wetenschappers twisten nog altijd over zijn exacte familiale verwantschap, vandaar zijn naam.

En in een van de oude terraria tegenover de krokodil leeft de komodovaraan, een landgenoot, een van de snelste reptielen op aarde met een dodelijke beet. Het dier ligt onbeweeglijk tegen het glas van zijn verblijf aangedrukt, uitgestrekt van kop tot staart, ingekaderd door de houten rand van zijn verblijf. Waarom hij hier zit wordt niet direct duidelijk, vandaag zal hij weinig beweging hebben gehad en ook voor morgen is het vooruitzicht niet gunstig.

Twee toeristen komen het reptielenhuis binnen. Ze snellen langs de bakken tot een van hen het beest opmerkt en stilhoudt. Een komodovaraan. Ze moeten lachen, om iets in zijn kop, en, aangemoedigd door de geëtaleerde machteloosheid van zo’n gevaarlijk dier, rammen ze een vuist tegen het glas, erbovenop. De komodovaraan verroert geen vin. Dan lopen ze door.

Een bezoek aan de dierentuin is niet meer wat het geweest is. Niet wat het was als kind. Een primair gevoel van dierenliefde heeft plaatsgemaakt voor medelijden met hun situatie of in het beste geval voor een schurend begrip voor de noodzaak ervan. Aan het vermaak knaagt bewustwording, verwondering over schoonheid eindigt steevast in mineur.

De dierentuin is de wereld in het klein: de mens regeert er over het dier. Als tuin met dieren is het een typisch negentiende-eeuws fenomeen, ongeveer tegelijkertijd ontstaan met het moderne museum toen de mens zijn leefgebied drastisch begon uit te breiden. De moderne dierentuin kwam tot bloei in een tijd dat de wereldwijde biodiversiteit daalde: sinds het uitbreken van de industriële revolutie gaat de dierenpopulatie hard achteruit.

De dierentuin is, als een van de weinige ontmoetingsplaatsen tussen mens en dier, een goede graadmeter voor veranderende inzichten in die omgang. Vermaak met een individueel dier is niet langer de norm, conservatie van de soort en educatie van de bezoeker zijn leidend. Het dier moet zo veel mogelijk natuurlijk gedrag kunnen vertonen, de bezoeker mag daar zo veel mogelijk bij aanwezig zijn. In de verblijven vind je steeds meer bedreigde soorten en ‘klimaatvluchtelingen’, dieren op drift door klimaatverandering, opgenomen in de dierentuin als deel van zogenaamde ‘ex situ-conservatie’, afgeschermd van soortgenoten in het wild die daar met ‘in situ-programma’s’ worden gemonitord.

De dieren dragen namen uit de regio waar ze oorspronkelijk vandaan komen of juist van hun nieuwe plek (in Diergaarde Blijdorp woont een familie okapi’s bestaande uit moeder Kamina met kinderen M’buti en Gerrit). De huidige tendens is om ze helemaal geen namen meer toe te kennen. De dieren zijn dan op de eerste plaats uithangborden voor hun soortgenoten elders.

Tegelijkertijd wordt het houden van dieren in gevangenschap door een groeiend aantal mensen als ongemakkelijk of zelfs onethisch ervaren. Na het circus, dat een aantal jaar geleden in Nederland een verbod op het houden van wilde zoogdieren kreeg opgelegd, is de dierentuin doelwit van kritiek. In het publieke debat roeren zich de dierenactivisten, zij betwijfelen de rechtvaardiging én het nut van wetenschappelijke programma’s voor soortbehoud ten koste van welzijn op dierniveau. In de filosofie hameren de dierenfilosofen op de vrijheid van het individuele dier. Dierenrechtenfilosoof Eva Meijer schreef in een stuk naar aanleiding van de dood van de ontsnapte leeuw Rani uit de dierentuin in Mechelen: ‘De individuen die gevangen zitten, hebben namelijk niks aan soortbehoud. Dat is iets wat mensen belangrijk vinden – wij zijn de soortfetisjisten, niet zij.’ (Knack, ‘Dierentuinbezoeker, kijk naar jezelf’, 24 juni 2018).

De meeste discussies in de afgelopen jaren kwamen voort uit incidenten op precies dat snijvlak, wanneer wetenschappelijke bedoelingen stuitten op de grens van het individuele dier. Zoek op internet naar giraffe Marius en je vindt een pasfoto van het dier dat zijn kop tussen twee touwen van zijn verblijf door steekt, zo ver als zijn hoorns toelaten. Marius, Somalische giraffe, geboren in 2012 in de dierentuin van Kopenhagen, gestorven aldaar op 9 februari 2014.

Marius was een gezonde giraffe, maar van het mannelijke geslacht en daarmee overbodig, een zogenaamd ‘surplus’-dier dat in dit geval een bedreiging vormde voor de genetische diversiteit van giraffen in de dierentuinpopulatie. De dierentuin van Kopenhagen oordeelde, met goedkeuring van de European Association of Zoos and Aquaria, dat hij moest sterven en liet niets van de giraffe onbenut: na zijn dood werd hij in een educatieve sessie ontleed en daarna gevoerd aan de leeuwen, alles voor het oog van het publiek. De kwestie lokte tienduizenden handtekeningen en dreigementen aan het adres van de directeur uit, iemand zou een miljoen dollar hebben geboden om de giraffe te adopteren.

Want alle wetenschappelijke feiten ten spijt, de bezoeker van de dierentuin ziet tijdens zijn bezoek alleen dat ene dier, geïsoleerd in een kooi, ver verwijderd van de rode stip op de wereldkaart voor zijn hok die naar het oorspronkelijke leefgebied verwijst. De bezoeker kijkt in zijn ogen en ziet niet een Somalische giraffe, maar Marius, niet een westelijke laaglandgorilla, maar Harambe, niet een ijsbeer, maar Knut.

Over Knut werd tijdens zijn leven al een documentaire gemaakt: Knut und seine Freunde. Maar wie houdt er eigenlijk meer van het dierentuindier, de mens die hem uit zijn hok zou willen bevrijden of zij die hem er koste wat kost in proberen te houden?

De bezoeker ziet niet een westelijke laaglandgorilla, maar Harambe, niet een ijsbeer, maar Knut

Tijdens de Earth Summit van 1992 in Rio de Janeiro werd door leiders van 150 landen het Biodiversiteitsverdrag ondertekend, een eerste officiële erkenning van de gevolgen van economische ontwikkelingen voor ecologische systemen. In 1993 volgde de World Zoo Conservation Strategy. ‘Captivity for Conservation’ was toen al de slogan en onderscheid tussen in situ- en ex situ-conservatie was gangbaar, maar deze strategie keek naar de toekomst van alle dierentuinen. ‘Het zorgen voor de biologische systemen van onze planeet is een van de grootste uitdagingen voor de mens. In navolging daarvan wordt conservatie gezien als het centrale thema van dierentuinen en zouden dierentuinen zich verder moeten ontwikkelen tot conservatiecentra.’

Maarten Frankenhuis werd in 1990 directeur van Artis en herinnert zich de omslag goed. Hij ontvangt me thuis in Broek in Waterland, in een zitkamer met hoge ramen die uitkijken over groene weiden. Vóór zijn aanstelling bij Artis werkte hij als dierenarts en hoogleraar bedrijfspluimveegeneeskunde in Utrecht en was hij als dierenarts-onderzoeker verbonden aan Diergaarde Blijdorp. Daar deed hij zijn eerste dierentuinervaring op. ‘De samenstelling van de collectie in de meeste dierentuinen, vooral in de Duitse en die in Oost-Europa, was destijds een directe afspiegeling van de belangstelling van de directeur. Het waren daarnaast een soort postzegelverzamelingen. Op congressen zaten de directeuren tegen elkaar op te bieden: weet jij dat ik minstens acht toerakosoorten in de collectie heb? Alledrie de boomkangoeroes uit Nieuw-Guinea? Je ziet het verschil tussen de dieren amper en ze gedragen zich hetzelfde, maar toch was dat belangrijk. Het ging erom een zo groot mogelijke verzameling te kunnen laten zien.’

De dierentuinen puilden in de loop van de twintigste eeuw uit – zo ook Artis, totdat Bart Lensink, directeur vanaf 1973, daar de rem op zette. Een derde van de diersoorten ging er onder zijn directeurschap uit, de collectie zakte van 1529 soorten in 1972 naar 1051 in 1990.

Frankenhuis bouwde nog verder af. Hij informeerde eerst bij stafleden waarom ze een bepaald dier in huis hadden en hoe ze eraan kwamen. ‘Het antwoord was veelal: dat vind ik een interessant dier, dat vind ik een mooi dier, dat werd in de haven in beslag genomen, dat kwam uit een tros bananen kruipen, daar zat een handelaar mee in zijn maag, dat kregen we van een collega. Ik dacht: over zo’n collectie moet je toch nadenken?’

Zodra hij als directeur aan het werk ging, begon hij aan een ‘collectieplan’, een nieuw fenomeen in dierentuinland, iets waar door collega’s om werd gelachen. ‘Aan het eind van de rit wilde ik precies weten: waarom hebben we deze soort in huis, waarom in deze aantallen, leeftijdsopbouw en geslachtsverhouding? Waarom zit het dier op die plek? Wat voor rol speelt het in onze lesprogramma’s, in fokprogramma’s voor bedreigde diersoorten, wat is het belang voor natuurbehoud? Is het een attractieve diersoort? En heeft het dier überhaupt overlevingskansen in een dierentuin? Dieren, dat is onze core business, en je bent tegenover dat dier, tegenover het publiek en jezelf verantwoording schuldig.’

Zoologischer Garten Hamburg III, 1992 © Candida Höfer / VG Bild-Kunst, Bonn and DACS, London 2018 / Pictoright

Frankenhuis is bekend met het conflict tussen het welzijn van het individuele dier en het behoud van de soort in de collectie. In de dierentuin weten ze verdomd goed dat wanneer je een volwassen buffel op een rustig moment de kogel geeft, dat niets uitmaakt, zegt hij. Maar o wee als je dat bij een chimpansee of een olifant doet. De actie van de directeur in Denemarken vond hij overigens veel te ver gaan.

Voor de dieren die na zijn onderzoek in Artis moesten wijken – gesneden werd onder meer in het enorme palet van grote katachtigen – werd een plek in een andere dierentuin gezocht. Met dierenhandelaren, partners van dierentuinen tot ver in de twintigste eeuw, werd sinds de generatie van Lensink geen zaken meer gedaan. En er kwamen steeds meer dierentuinen die bereid waren een mannengroep van een dier te houden en zo onderdak boden aan het surplus-dier, toch ‘kostbaar genetisch materiaal’, aldus Frankenhuis.

Binnen een aantal jaar werden door de Nederlandse Vereniging van Dierentuinen cursussen in het opstellen van een collectieplan gegeven. Frankenhuis bleef directeur tot 2003, een periode waarin de collectie verder slonk, terwijl de dierentuin een historische uitbreiding kon ondergaan. Maar eigenlijk, zegt hij, begin je met het schrijven van een collectieplan altijd aan de ‘verkeerde kant’. Eigenlijk zou je eerst moeten nadenken over de boodschap die je aan de bezoeker wilt geven – en dan pas kijken aan de hand van welke dieren en planten je dat verhaal het best kunt illustreren.

In 2012 volgde het nieuwste inzicht op het gebied van conservatie: de One Plan-aanpak van de International Union for Conservation of Nature. Het onderscheid tussen in situ en ex situ wordt daarin losgelaten, de nieuwe norm is een ‘inter situ’- of ‘pan situ’-vorm van conservatie: een actieve uitwisseling van dieren in gevangenschap met dieren in het wild. In situ-conservatie op lokaal niveau blijft een belangrijk speerpunt.

Frankenhuis lepelt ze zo op, de geslaagde voorbeelden van ‘opnamen’ uit de dierentuin. De Amerikaanse whooping crane, een kraanvogel, was zo goed als uitgestorven toen hij tot leven werd gewekt door wilde exemplaren te kruisen met die in gevangenschap. De nieuwe vogels, een ‘hybride’ soort, hadden geen idee dat ze in de winter naar een overwinteringsplaats moesten vliegen, maar een oppasser ging hen voor in een ultralight-vliegtuigje en het jaar daarop deden ze het zelf. De laatste exemplaren van de Californische condor werden gevangen en weer succesvol uitgezet, het lukte ook met de Arabische oryx en met het przewalskipaard.

Bijzonder is de Europese bizon: in 1921 werd het laatste exemplaar geschoten in het Woud van Białowieza in Polen. Armand Sunier, Artis-directeur tussen 1927 en 1953, bracht samen met een consortium van collega’s alle overgebleven dieren in gevangenschap en hun verwantschappen in kaart, wist de bizon aan te kweken en uit te zetten in de gebieden waar hij het laatst was voorgekomen. De bizon groeide uit tot een flagship species: een dier dat door zijn beschermde status de omgeving met zich mee beschermt. De lokale bevolking zag dat met de komst van het dier geld in toerisme te verdienen viel, het gebied werd met rust gelaten en in het kielzog van de bizon bleven ook duizenden planten en hagedissen, kikkers, vogels en insecten overeind.

Volgens het nieuwe plan zitten dieren in dierentuinen als voorraden in een magazijn, als zaden in de wereldzadenbank, als goudklompjes in een kluis. Onlangs kwamen vier Antilliaanse leguanen per vliegtuig mee met premier Rutte vanuit Sint-Eustatius, bestemming Diergaarde Blijdorp. Met hengels waren de zeer bedreigde dieren daar uit diverse boomtoppen gevist, de een onder meer protest dan de ander (Trouw, ‘Jagen op de laatste leguanen van Sint-Eustatius, om ze te redden’, 18 mei 2018). In de dierentuin maken ze deel uit van een nieuw kweekprogramma. Van dieren in een boomtop zijn ze plots ambassadeurs van hun soort.

Een veelgebruikte metafoor is die van de dierentuin als een moderne Ark van Noach, een baken van biodiversiteit in een kaalgeslagen wereld. De vraag is of de dieren ooit nog terug aan land zullen komen.

Vier Antilliaanse leguanen kwamen per vliegtuig mee met premier Rutte vanuit Sint-Eustatius, naar Blijdorp

Jozef Keulartz is kritisch op de netto behaalde resultaten van de dierentuin. In zijn lijvige bijdrage aan de Oxford Research Encyclopedia, Ethics of the Zoo (2017), benoemt hij de grootste beperkingen. Veel dieren die al in dierentuinen wonen, behoren niet tot groepen die bestemd zijn voor conservatie. Door ruimtegebrek alleen al is slechts plek voor een fractie van de bedreigde soorten en die groepen zijn vaak te klein om succesvol mee te fokken. Er is het dilemma van het surplus-dier en ook vaak tegenvallende cijfers bij herplaatsing in het wild. En toch ziet hij de dierentuin als een instelling waar we niet meer zonder kunnen.

Keulartz is milieufilosoof, als emeritus professor verbonden aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en Universiteit Wageningen en voorzitter van de Stichting Natuurlijke Processen, die tot doel heeft nieuwe natuur in Europa te brengen. Hij denkt vanuit een pragmatische filosofie, vanuit wat hij ‘grenswerk’ noemt waarbij hij strijdende partijen bij elkaar probeert te brengen. Dat valt niet mee in het huidige gepolariseerde klimaat, vertelt hij aan zijn keukentafel in Amsterdam.

Hij waarschuwt voor zwart-witdenken in het debat over dierenrechten en soortconservatie, dichotomieën over begrippen als wild en gevangen, instrumentele en intrinsieke waarde en moreel individualisme en moreel holisme. Ze drijven groepen uiteen die uiteindelijk een gemeenschappelijk doel hebben: het beste voor de dieren. Hij is al twintig jaar betrokken bij de Oostvaardersplassen en in dat verband een dag eerder nog uitgemaakt voor Josef Mengele. Dieren bevinden zich volgens hem op een ‘schaal’ van wildheid. Ze zijn minder wild of wilder en op de vlakten van de Oostvaardersplassen zijn ze al een heel eind op weg.

Het verschil in denken tussen soort en individu speelt het dier parten, op de Oostvaardersplassen maar ook in de dierentuin. Keulartz windt zich op over de geringe belangstelling voor biodiversiteit – in de politiek gaat het vooral over klimaatwetgeving en energietransitie – en hij stoort zich aan de onverschilligheid die met ‘uitsterven’ gepaard gaat, aan het relativeren van de ernst daarvan in bijvoorbeeld Bas Harings Plastic panda’s. We kijken naar de dierentuindieren zoals naar onze gedomesticeerde gezelschapsdieren, zegt hij. ‘Alle maatregelen van natuurbeschermers om soortbehoud van dieren te bevorderen, stuiten op bezwaren voor het individuele dier door dierenactivisten en dierenethici. Die zeggen “de soort heeft geen gevoelens” en “de soort lijdt geen pijn”. Het concept van uitsterven is volgens hen alleen wat lullig voor de laatsten van een soort. Ik haal graag een uitspraak aan van Koos van Zomeren: “Uitsterven is de ergste vorm van dood.”’

Keulartz is aanhanger van de nieuwe beweging ‘Compassionate Conservation’, een streven van een dierentuin naar een moreel acceptabele balans tussen dierenwelzijn en soortenconservatie, en ziet heil in de One Plan-aanpak. ‘In de huidige situatie kun je niet volstaan met in situ-conservering. Je moet de populaties die in het wild krimpen wellicht aanvullen en dat kun je doen vanuit de dierentuin. Anderzijds moet je de dierentuin ook genetisch en demografisch duurzaam houden. Dan kun je, waar het goed gaat, ook dieren uit het wild “gebruiken” om je dierentuinpopulatie in stand te houden.’

‘Natuurlijk zit de dierentuin in een spagaat. In Europa gaat één op de vijf mensen elk jaar naar de dierentuin, in Amerika bezoeken jaarlijks meer mensen een dierentuin dan alle balspelen bij elkaar. Sommigen zeggen dan ook: het potentieel voor dierbehoud zit niet zozeer in de dieren, als wel in het publiek.’ Desalniettemin pleit Keulartz ervoor om grote, charismatische dieren te vervangen door kleinere en meer lokale dieren. ‘Met kleine dieren waren dierentuinen altijd bang dat die minder interessant zouden zijn. Maar het sociale leven van die dieren is minstens zo interessant als dat van grote, die op een dag vaak maar weinig doen. Leeuwen liggen de hele dag te slapen, ook in het wild, terwijl bij kleine dieren veel meer sociaal gedrag waar te nemen is. Ook alles wat met soortbehoud te maken heeft is bij kleine dieren gunstiger: je hebt minder problemen met dierenwelzijn, ze reproduceren veel sneller, ze zijn makkelijker uit te zetten. Daar zouden ook dierenactivisten best wel voor moeten kunnen zijn, denk ik.’

Hij laat enkele foto’s zien van in zijn ogen geslaagde vernieuwingen in dierentuinen. In de Bronx Zoo voert een monorail bezoekers geruisloos door een groot woud met Aziatische dieren. In Philadelphia kunnen roofdieren door een gebied ter grootte van zo’n zeven kilometer vrij bewegen. Dieren wisselen er gedurende de dag van plek, hier om te rusten en daar om te foerageren. Ze trekken eigenlijk van de ene kooi naar de andere, maar de beweging maakt voor hun welzijn toch een enorm verschil, aldus Keulartz. In Zürich bewondert hij het Madagaskar-verblijf, een nabootsing van het ecosysteem van het Masoala-regenwoud, een voorbeeld van de internationale trend van mixed enclosures, waarvan hij ook die in Artis bewondert.

De dierentuinen ontwikkelen zich zo naar centra voor natuurbehoud. ‘Steeds vaker worden het dierenparken die óók een dierentuin hebben, in plaats van andersom. De dierentuin is dan een element waar de dieren zichtbaar kunnen worden.’ De netto opbrengst van de dierentuin kan omhoog en Keulartz denkt dat dierenactivisten het in de toekomst steeds moeilijker krijgen om tegen die dierentuin te ageren.

In het essay Why Look at Animals werpt John Berger de vraag op waarom een bezoek aan de dierentuin uiteindelijk alleen kan tegenvallen. ‘Hoe je ook kijkt naar deze dieren, zelfs als het dier tegen de spijlen omhoog staat, minder dan een voet bij je vandaan, met de blik in de publieke richting, kijk je naar iets dat absoluut gemarginaliseerd is; en alle concentratie die je kunt verzamelen zal nooit genoeg zijn om het te centraliseren. Waarom is dat?’ Het is omdat alles om het dier heen onnatuurlijk is: de omgeving, aangekleed met elementen uit een gebied ver van het verblijf vandaan, het gedrag, onachtzaam op de omgeving buiten de kooi, onverschillig voor welke ontmoeting. Berger: ‘Overal verdwijnen dieren. In dierentuinen vormen ze het levende monument voor hun eigen verdwijning.’

Dat schreef hij in 1977. Vier decennia later is aan die blikken weinig veranderd – zie de onverschillige komodovaraan – en ook de kunstmatigheid is ondanks alle nieuwe verblijven een blijvend feit. Maar meer dan hun eigen verdwijning zitten de dieren vandaag hun eigen soort te vertegenwoordigen. De ‘collectie’ van de nieuwe dierentuin is grofweg dat wat overblijft na een zorgvuldige afweging tussen individu en soort. De dierentuin van Barcelona kondigde onlangs aan binnen tien jaar af te willen van uitheemse diersoorten, de bedreigde uitgezonderd. Artis wil de collectie, die nu nog bestaat uit 521 diersoorten, verder inperken om meer ruimte te bieden aan minder soorten. Diergaarde Blijdorp broedt op de toekomst. De twee grootste dierentuinen van Nederland kregen vorig jaar een nieuwe directeur, die hun visie op de dierentuin voor dit artikel overigens niet wilden delen. Voor hen komt een blik op de toekomst nog te vroeg.

Het ongemak van een bezoek aan de dierentuin lijkt inherent aan het instituut, het knagende gevoel dat mogelijk iets schort aan ook de nieuwste inzichten. De noodklok wordt momenteel geluid over de giraffe, de aantallen liepen terug van 160.000 in 1985 naar 97.560 in 2015, bericht het magazine van Blijdorp, De Giraffe. Marius was toch ook een giraffe?

En de actieve uitwisseling tussen dieren in gevangenschap en dieren in het wild kan een uitkomst zijn, maar draagt als concept ook een stuitende omkering van de wereld in zich mee. De aarde dreigt te verworden tot één grote dierentuin, deze keer niet ter vermaak van de mens maar uit bittere noodzaak voor het dier – met onze dierentuin daar nog op als een glazen stolp. De dieren trekken er van kooi naar kooi.


De beelden bij dit artikel zijn uit de tentoonstelling Animals & Us, in de Turner Contemporary, Margate, Kent; turnercontemporary.org