Amerikaans tv-drama als vergrootglas van de tijdgeest

Levenloos en witgewassen

Europese intellectuelen halen hun neus op voor Amerikaans televisiedrama. En dat terwijl de tijdgeest en de geestelijke conditie van de mens nergens beter zichtbaar zijn dan in nieuwe series als ‹Six Feet Under› en ‹Crime Scene Investigations›.

Net als de pelgrims van Geoffrey Chaucer boeien de figuren in modern Amerikaans televisiedrama door de kunst van het verhalen vertellen. In deze series overheersen literaire kwaliteiten: plot, karakterbeschrijving en intense relaties tussen personages, bijvoorbeeld Mulder en Scully in The X-Files. Maar daarmee houden de overeenkomsten niet op. Vormen de vertellingen in The Canterbury Tales reflecties op het middeleeuwse Engeland, de nieuwe televisieverhalen zijn een spiegelbeeld van de hedendaagse wereld.

De referentie naar Chaucer, afkomstig van de Britse journalist Andrew Billen, illustreert de Amerikaanse renaissance die zich afspeelt in het genre televisiedrama. Voor velen doet dat pijn. In een artikel in The Observer lamenteerde Billen vorig jaar over het einde van de Britse overheersing op dit gebied. Zijn bevinding werd bevestigd door Mark Thompson, de voormalige BBC-directeur die in de MacTaggartlezing op het televisiefestival in Edinburgh verklaarde dat Britse televisie «stom, mechanisch en meer van hetzelfde is».

Inderdaad, de echte innovatie op het gebied van televisiedrama voltrekt zich aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. Eén vijftig minuten durende aflevering van de maffiaserie The Sopranos, de hoge technologiethriller 24, de sciencefictionserie Taken, de politieserie C.S.I.: Crime Scene Investigations of het nieuwe Six Feet Under overtreft de gemiddelde Amerikaanse óf Europese speelfilm qua ideologische en esthetische complexiteit en thematische diepgang. De literaire aandacht voor plot, karakter en dialoog gecombineerd met radicale cameravoering en editing liggen ten grondslag aan die renaissance. Het gaat om de krachtigste vernieuwing van het genre sinds de revolutie die Steven Bochco begin jaren tachtig teweegbracht met de politieserie Hill Street Blues.

Vallen de Britten in katzwijm voor al dat moois, in Frankrijk, Duitsland en Nederland halen zowel intellectuelen als het grote publiek hun neus ervoor op. In Nederland is die weerstand bijzonder groot, maar hoe dat komt is nog een raadsel. Onlangs constateerde NRC Handelsblad dat het gebrek aan aandacht onder Nederlandse kijkers voor de nieuwe Amerikaanse televisie niet alleen te verklaren is door de nieuwe voorkeur van de Nederlander voor vaderlandse series, maar ook door «een malaise onder de Amerikaanse series»; een merkwaardige conclusie. Bevreemdend is verder de stelling dat de Amerikaanse series simpelweg te duur zijn geworden en dat men er liever voor kiest het geld te besteden aan het maken van een aflevering van Westenwind.

Het nieuwe navelstaren in Nederland is zeker een reden, maar er is meer aan de hand. Dat heeft te maken met verschillen in cultuur en smaak. Nederlandse intellectuelen schaarden zich van oudsher liever bij de Britse populaire cultuur dan bij de Amerikaanse. Ze keken traditioneel graag naar klassieke series als I, Claudius, Brideshead Revisited, The Rise and Fall of Reginald Perrin en Fawlty Towers. Het cynisme van een Basil Fawlty of de levensmoeheid van een weergaloze everyman als Reggie Perrin sloten goed aan bij een soort nuchterheid in de Europese cultuur, dat zich manifesteert in een beweging weg van het fantastische in de richting van cynisme en realisme en waarvan ironie een wezenskenmerk is.

De «nuchterheid» openbaart zich op dit ogenblik op geopolitiek gebied. Zij is de kern van de meningsverschillen tussen enerzijds Amerika en anderzijds Duitsland en Frankrijk over een mogelijke militaire aanval op Irak. In het Groene-essay van twee weken geleden poneert John Gray de stelling dat de verschillen tussen de Verenigde Staten en Europa te verklaren zijn door een ketterij, namelijk dat de mens een en al goedheid is. Gray verwijst naar een ontmoeting tussen een onbekende Amerikaan en de filosoof Jean-Paul Sartre, die achteraf zei: «Ik geloof in het bestaan van het kwaad, en hij niet.» Het Amerikaanse optimisme — pijler van het buitenlandse beleid van het Witte Huis — is slechts mogelijk in de intense religiositeit die de Amerikaanse cultuur overheerst. Amerikanen geloven dat zij het kwaad kunnen uitwissen. Alleen in deze sfeer kan men Hoessein of de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie afschilderen als de personificatie van het kwaad.

Europeanen kijken niet op deze eenduidige manier tegen het kwaad aan. Geen continent is immers zo getekend door oorlogen en massamoord als Europa. Daarom is het begrijpelijk dat het typische gelukkige einde in de Amerikaanse populaire cultuur er zo moeilijk bij Europeanen ingaat. Ook verbaast het niet dat Europese intellectuelen de archetypische strijd tussen goed en kwaad — kernelement van het populaire western- en sciencefictiongenre — als kinderachtig ervaren. Veel eerder zoeken deze intellectuelen de nuance en waarderen ze de reflectieve teksten van bijvoorbeeld Dennis Potter (The Singing Detective), Mike Leigh (diverse bijdragen aan Play of the Week van de BBC), Monty Python en Alan Sillitoe. Maar tegelijkertijd dreigt elitarisme bij de intellectuelen. Andrew Billen wijst op «het onwaarschijnlijke verhaal» van televisie in Amerika: «Wanneer de massa’s iets van grote kwaliteit krijgen voorgeschoteld, hebben ze nu en dan het verstand dat te omarmen.»

Over Chaucer schrijft de Engelse dichter William Blake: «Zijn personages, onaangetast door tijd, geven gestalte aan het universeel menselijk leven», want «every age is a Canterbury age». Ook de huidige. Want wie goed kijkt, ziet het universeel menselijke aan het nieuwe televisiedrama, bijvoorbeeld in het schitterende Six Feet Under, een serie die als The Sopranos afkomstig is van de onafhankelijke Amerikaanse televisiezender Home Box Office. Qua morbiditeit, zwarte humor en magisch-realistische stijlvormen doet de serie denken aan Twin Peaks, het grote meesterwerk uit de geschiedenis van het medium. Opvallend is dat Six Feet Under, The Sopranos, The X-Files, C.S.I. en Taken in navolging van Twin Peaks een Europese sensibiliteit tentoonspreiden als het gaat om het karakter van het kwaad. Sterker nog, deze series ontlenen hun bestaansrecht aan de alomtegenwoordigheid van het kwaad en het gevoel van machteloosheid dat effectief te bestrijden. Sartre zou er met veel interesse naar hebben gekeken, temeer daar in geen van de genoemde series sprake is van een gelukkig einde.

Six Feet Under is in de traditie van Hill Street Blues — en tevens The Canterbury Tales — een ensemblestuk. In alle drie vertelt een scala aan personages eigen verhalen en is het aan de kijker/lezer die in te passen in het grotere geheel. Chaos is schering en inslag. In de eerste aflevering van Six Feet Under komt Nathaniel Fisher, pater familias van het gezin Fisher en eigenaar van een begrafenisonderneming, om bij een auto-ongeluk. Door die tragedie ontmoet de kijker de overspelige moeder Ruth en haar kinderen: Nate, een oversekste niksnut, zijn neurotische homoseksuele broer David en hun drugsverslaafde zusje Claire.

Het ouderlijk huis is een mortuarium, vol ijskasten met kadavers en tafels waar lijken worden voorbereid voor begrafenissen. Het is eigenlijk een gotisch horrorhuis waarin een verrot, disfunctioneel gezin woont en waar je ieder moment een omgeklede Norman Bates of een klussende Victor Frankenstein verwacht. Deze setting is symbolisch voor de westerse maatschappij, een psychologische ruimte waarin de moderne mens stuurloos is als gevolg van gebrek aan sociaal bewustzijn, leiderschap en morele autoriteit. Het gezin in Six Feet Under moet zich nu zien te redden zonder de patriarch, maar zijn dood lijkt juist de bevrijding van de gezinsleden in de hand te werken.

Een leiderschapscrisis is een belangrijk gegeven in modern Amerikaans televisiedrama, bijvoorbeeld in C.S.I., waarin rechercheur Gil Grissom slechts een bijrol speelt terwijl zijn «kinderen» (de jongere rechercheurs) zich maar moeten redden in de boze buitenwereld. Nathaniel en Gil Grissom zijn net als hun figuurlijke blauwdruk — kapitein Frank Furillo uit Hill Street Blues — stuntelige vader-helden zonder wie de anderen heel goed kunnen functioneren, of misschien nog beter.

Het ondermijnen van het vaderschap is in Six Feet Under deel van een aanklacht tegen burgerlijkheid en goede smaak. In de eerste aflevering keert Nate zich tegen de hypocriete maniertjes die horen bij een christelijke begrafenis. «Fuck fatsoen!» roept hij uit terwijl zijn vader tegen over hem ligt opgebaard in de woonkamer van huize Fisher. Op dit punt krijgt de serie een universele betekenis; ze gaat over angst voor het leven. Door in opstand te komen tegen de regels die horen bij een begrafenis keert Nate zich ook tegen de restrictieve burgerlijke illusie dat de mens voor eeuwig leeft. Hij zegt: «Ik weiger dit (de dood) nog langer te steriliseren.» De zin van zijn uitbarsting komt later, als vader Nathaniel vanuit het hiernamaals verschijnt voor dochter Claire en zij ineens beseft waarom hij er zo gelukkig uitziet. Zij zegt: «Je hoeft niet meer te wachten om dood te gaan.» De implicatie — angst voor de dood staat het leven in de weg — is geen moment moralistisch. Integendeel, te oordelen naar de eerste afleveringen slaagt geen enkel personage erin zich te ontworstelen aan deze angst.

De serie heeft dezelfde metafysische, existentialistische lading als The Sopranos, C.S.I. en Twin Peaks. Die werken draaien om een steeds terugkerend metaforisch beeld: levende mensen — begrafenisondernemers, rechercheurs, moordenaars — buigen zich met een uitdrukking van onbegrip op hun gezicht over een witgewassen, levenloos lichaam. Ze speuren naar informatie, naar de kennis die moet leiden tot het ontrafelen van een geheim. En wat vinden ze? Verloren onschuld en een vreselijke waarheid: dat het kwaad in de mens zelf zit — en dus nooit kan worden uitgewist. Zo is de geestelijke conditie van de moderne mens nergens beter zichtbaar dan in het lichaam van televisiedrama.

Misschien is Europa klaar met het onderzoeken van het lichaam dat levenloos en witgewassen is en klaar ligt om ter aarde te worden besteld. Misschien begint Amerika nu pas met het opensnijden van het kadaver, opdat de horror van het leven en de machinaties van de ziel kunnen worden onderzocht. Hoe dan ook, op dit moment is het de Amerikaanse autopsie waar alles om draait. En het is huiveringwekkend mooi om naar te kijken.

Six Feet Under is op maandagavonden te zien bij de NPS op Nederland 3; RTL4 zendt C.S.I.: Crime Scene Investigations uit op zaterdagavonden