Levensglimp

Aan het begin van de dansvoorstelling Still/Here van de Amerikaanse choreograaf Bill T. Jones klinkt op de geluidsband een rij namen. Het geluid is niet al te best, het verandert ook steeds van kwaliteit. Je hoort dat er in het geluidsmateriaal is geknipt. De boodschap is meteen duidelijk. Dit wordt geen dansvoorstelling die de oren en de ogen zal strelen. Ruw materiaal krijgen de bezoekers voorgeschoteld, geen gepolijste dansesthetiek. De meeste toeschouwers in het Muziektheater weten dat die namen worden uitgesproken door mensen met een dodelijke ziekte. Het zijn mensen die de choreograaf bijeenbracht in workshops, waar hij het materiaal voor Still/Here verzamelde. Maar als de eerste passen op het grote podium zijn gezet, kunnen de dansliefhebbers onder het publiek gerust ademhalen. Er wordt wel degelijk gedanst in Still/Here. En mooi ook, zo nu en dan.

Bijvoorbeeld in de scene waarin de namen terugkeren die op de geluidsband klonken. Om beurten nemen enkele dansers het woord. Ze richten zich tot het publiek, als ze een paar namen noemen. Bij iedere naam hoort een beweging, en een kort zinnetje ter verklaring. Met die fragmenten in woorden en bewegingen worden een heleboel associaties opgeroepen. Je krijgt een glimp te zien van het leven dat schuilgaat achter zo'n naam. En je krijgt het sterke vermoeden dat de bewegingen en de zinnetjes zelf bedacht zijn door de ‘namen’.
Het is een mooie, ontroerende scene. Niet alleen vanwege de 'echtheid’ ervan. Wat deze scene ontroerend maakt, is de manier waarop de choreograaf en zijn dansers dit ruwe materiaal hebben verwerkt. De liefde en precisie waarmee de bewegingen worden uitgevoerd, maakt de meest simpele vleugelslag (I’m flying) tot een citaat uit Het Zwanenmeer. Clichegebaren worden gestileerd tot iconen. Bewegingen worden herhaald, door de groep dansers overgenomen of in een keer krachtig neergezet. Het belangrijkste is misschien dat hier de optelsom werkt van geluid en beeld, woord en daad. Leven en kunst vallen samen in een metafoor. Die metafoor is gevoed door de werkelijkheid, maar laat ruimte over voor de verbeelding.
Dit geldt echter niet voor de hele voorstelling. Still/Here lijdt onder een overdaad aan letterlijke vertalingen. Alles wordt driedubbel uitgelegd. Zie je op de video een vrouw uit de workshop haar armen spreiden, dan maken ook de dansers op het podium een vlieggebaar en hoor je bovendien een klassieke zangeres zingen: 'I’m flying.’ Zie je op de video de mensen uit de workshop vervormen tot een soort waterdruppels, dan klinkt er 'Will I be part of the water?’ Grote stukken choreografie zijn te letterlijk een uitbeelding van therapeutische cliches als afwijzing, ontkenning, verwarring of acceptatie.
In zijn column in de Volkskrant van afgelopen week schrijft Stephan Sanders dat hij nog geen recensie heeft gelezen waarin met steekhoudende argumenten wordt uitgelegd waarom Still/Here een goede voorstelling is. Ik zou zeggen: dat komt omdat het ook geen goede voorstelling is. Maar dat heeft niets te maken met het feit dat Bill T. Jones gebruik maakte van de getuigenissen van terminale patienten. En dat was wel de reden waarom Sanders de voorstelling bij voorbaat afwees, in het spoor van de Amerikaanse danscritica Arlene Croce. Still/Here is niet goed omdat de choreograaf niet brutaal genoeg met die getuigenissen aan de haal gaat. Hij blijft te dicht bij zijn oorspronkelijke materiaal.
Het is tekenend dat het tweede deel van de voorstelling beter is dan het eerste. De moderne operamuziek van Kenneth Frazelle heeft dan plaatsgemaakt voor de muziek van Vernon Reid, de gitarist van Living Colour. Hij verhief de getuigenissen van de patienten niet tot kunst door ze op muziek te zetten en ze te laten vertolken door een geschoolde stem. Reid gebruikte de originele stemmen en verknipte ze ruw door zijn gitaarcomposities. Maar de woede, het verdriet en het woeste leven dat in die muziek zat, die kun je in een recensie niet beschrijven. Je moet het hebben gehoord, en wel binnen de context van die voorstelling. Maar daarvoor is het nu te laat.