Levenskunst

BUITEN EEN KRING van ingewijden zullen weinigen de naam Jules Chapon in verband brengen met een begaafd beeldend kunstenaar. De nu 82-jarige Chapon emigreerde in 1973 naar Frankrijk en trad sindsdien weinig naar buiten. Zijn werk wordt nog maar zelden gepubliceerd in vakbladen, een catalogus of monografie met een overzicht van zijn artistieke arbeid bestaat niet.

Voor zijn vertrek naar de Dordogne, waar hij zich tot de lyrisch-abstract werkende kunstenaar ontwikkelde die hij uiteindelijk is geworden had hij naam gemaakt met enkele belangrijke opdrachten voor monumentale wanden in gebouwen in Amsterdam en Haarlem. Verder was hij, samen met zijn toenmalige vrouw Polly en met Eva Bendien, oprichter van de nog altijd bestaande Galerie Espace. Ook was hij actief in de legendarische Haarlemse kunstenaarssociëteit Teisterbant, samen met onder anderen Godfried Bomans, Anton Heyboer en Harry Mulisch.
WIE OP ZOEK gaat naar documentatie over Chapon, merkt dat het meeste over hem is geschreven in de jaren vijftig en zestig. Begonnen als een sobere realist, werkend in de traditie van zijn leermeesters Kees Verweij en Henri Boot, kwam hij tijdens regelmatige bezoekjes aan Frankrijk in contact met de Deense Cobra-kunstenaars Egill Jacobsen en Ejler Bille. Dank zij beeldhouwer Ossip Zadkine werd hij in het Parijse galeriecircuit geïntroduceerd, waar hij met een zorgeloos gevoel voor kunsthistorische verhoudingen ook wel als een ‘tweede Van Gogh’ werd omschreven. Chapon ontdeed zich van zijn sombere kleurenpalet en maakte zich de spontane expressie van de moderne, abstracte kunst meester. Zijn schilderijen, gouaches en tekeningen wonnen geleidelijk aan helderheid en beweging. Ze werden vrijer en opener.
Jules Chapon is een overlevende. Sommige van de schilderijen die hij vlak na de oorlog maakte behoren tot de indringendste getuigenissen van de holocaust. Enkele daarvan, zoals Concentratiekamp I en II, kunnen worden opgevat als universele iconen van vernietiging en verschrikking. Andere doeken zijn persoonlijker, zoals het verstilde portret van de rabbijn Philip Frank, die samen met Chapons vader in 1943 werd gefusilleerd. Chapons zelfportret en ook het portret dat hij van zijn vader maakte, sluiten hier stilistisch bij aan: de figuren zijn beperkt tot hun essentie binnen eenvoudige contouren, het kleurge neigt naar monochroom, details zijn naïef uitgewerkt of geheel weggelaten.
Het is in dit verband typerend dat de kunstcriticus Hans Redeker Chapon in de jaren vijftig neerzette als 'een bespiegelende, gesloten en ingekeerde figuur’. Chapon, nu: 'Toen hij dat opschreef was ik dat ook, waarschijnlijk. Mijn bevrijding eigenlijk pas gekomen toen ik definitief naar Frankrijk verhuisde.’
Daar ging een lange geschiedenis aan vooraf, die hij bijna van minuut tot minuut weet te reconstrueren.
Chapon: 'Mijn familie werd aangegeven door het hoofd van de WA in Noord-Holland, Jan Nederkoorn, de vader van de latere president-directeur van Fokker. Dat was begin 1943, toen als represaillemaatregel voor het doodschieten van een Duitser in Haarlem honderd burgers werden vastgehouden op het politiebureau. Ook mijn vader, Barend Chapon, en de opperrabbijn van Noord-Holland, Philip Frank, waren daar bij. Toen ze gearresteerd werden, was Nederkoorn op het politiebureau aanwezig. Tien gevangenen werden kort daarop in de duinen bij Bloemendaal gefusilleerd, ook mijn vader en de rabbijn. Dat was op 2 februari 1943.
Dezelfde dag nog werden mijn moeder en zuster thuis opgepakt; mijn andere zuster, Selma, was niet thuis. Zij zou de oorlog overleven. Mijn broer en ik wisten te ontvluchten via de achtertuin, maar mijn broer wilde de vrouwen niet alleen laten en keerde terug. Ook hij werd weggevoerd naar het politiebureau. Ook toen was Nederkoorn weer present. Ze werden via de Hollandse Schouwburg in Amsterdam en Westerbork naar Auschwitz vervoerd, waar ze zijn vermoord.
Een paar dagen voor de arrestatie van mijn vader had Nederkoorn nog samen met de NSB-burgemeester van Haarlem, Plekker, voor ons huis aan de Spaarnelaan staan kijken. Toen dat leeg kwam te staan, trok hij er onmiddellijk in. Nederkoorn is op Dolle Dinsdag naar Duitsland gevlucht, maar na afloop van de oorlog is hij gearresteerd. Hij werd ter dood veroordeeld, maar die straf werd teruggebracht tot twintig jaar. Na vijf jaar kwam hij vrij.
Na de oorlog betrok ik een oud pand aan het Klein Heiligland in de binnenstad van Haarlem, dat ik eigenhandig restaureerde en tevens als galerie gebruikte (Galerie Espace, die later naar Amsterdam verhuisde - WDW.) Het toeval wilde dat Nederkoorn daar vlak bij zat. Elke keer als ik hem tegenkwam keek hij mij brutaal aan, alsof ìk degene was die schuldig was, en niet hij. Het was niet meer te harden. Ik heb twee keer geprobeerd hem met mijn auto aan te rijden. De eerste keer miste ik hem, maar de tweede keer scheelde het maar een haartje. Mijn tweede vrouw zat toen naast me. Ik was helemaal overstuur.
Mijn huisarts adviseerde me na die gebeurtenis om naar Frankrijk te emigreren. “Morgen raak je hem echt”, zei hij, “en dan heb je eigen rechter gespeeld. Men zal daar wel begrip voor hebben, maar je zal er toch last mee krijgen.” Goed, ik heb zijn raad opgevolgd. In de Dordogne bezat ik toen al een minuscule ruïne, die ik op de kop had weten te tikken ten tijde van mijn monumentale opdracht voor De Nederlandsche Bank. Dat was mijn belangrijkste motivatie om in Frankrijk te gaan wonen. Daar kwam bij dat ik vijftien jaar lang monumentale opdrachten had uitgevoerd. Een vreselijk tijdrovend en intensief werk. Ik had echt zin om weer vrij te gaan werken.’
NA DEZE RADICALE stap heeft Chapon de Nederlandse kunstwereld geen moment gemist. Chapon: 'De vercommercialisering was ook toen al afschuwelijk. Bij de grote galeries gaat het in de eerste plaats om de centen. Het zijn net bedrijven.
Zelf ben ik in een kunstzinnig milieu opgegroeid. Mijn vader had een collectie schilderijen uit de Haagse, Amsterdamse en Bergense School. Hij was bovendien oprichter van de Haarlemse woningbouwvereniging Tuinwijk en goed op de hoogte van toenmalige architectuur. Mijn zuster was danseres. Nee, het was bepaald geen burgerlijk milieu. Toen ik een jaar of tien was, kreeg ik mijn eerste schilderkist. Maar omdat men dacht dat ik astmatisch was, ging ik voetballen bij HFC. Daar ben ik een uitstekend voetballertje geworden, al zeg ik het zelf.
Tijdens de mobilisatie kwam ik als soldaat in Rotterdam terecht, waar ik het bombardement meemaakte. Eind 1941 werd mijn vaders zaak, een beleggingsmaatschappij, geconfisqueerd. Om toch iets om handen te hebben greep ik terug op mijn oude hobby en begon weer met schilderen en tekenen. In 1942 kwam ik terecht in het verzet, waar ik onder meer joden aan vervalste persoonsbewijzen hielp. In september 1943 werd ik opgepakt, na een tip van mensen die voor zeveneneenhalve gulden joden aangaven. In Amsterdam ben ik regelmatig verhoord en in elkaar geslagen. Toen ik samen met andere gevangenen in de gang moest gaan staan om weggevoerd te worden, ben ik ontsnapt. We moesten namelijk wachten op iemand die nog even naar de w.c. moest en ik was de laatste in de rij. Via de fietsenberging kon ik wegglippen.
Op mijn onderduikadressen ben ik vervolgens filosofie gaan lezen. Dat heeft me steun gegeven en daar had ik ook tijd om na te denken. Mijn vader was gefusilleerd, zijn zaak gejat. Wat er met de rest van mijn familie gebeurd was, wist ik op dat moment nog niet. Ik kwam tot de conclusie dat de materiële kant van het leven onzinnig was. Goed, ik kwam dan uit een redelijk welvarend gezin, maar wat bleef ervan over? Als ik levend uit de oorlog zou komen, zo nam ik me voor, wilde ik me met met iets wezenlijks gaan bezighouden. Maar over een loopbaan als beeldend kunstenaar dacht ik nog niet na. Stel, mijn familie keert terug, dacht ik. Dan heb ik misschien de verplichting om voor ze te zorgen en dat kan niet als ik kunstenaar ben.’
NA DE OORLOG leerde Chapon tijdens jaarlijkse, lange reizen naar Zuid-Frankrijk kunstenaars en dichters als Nicolas de Staël en René Char kennen. Zij waren van invloed op zijn beslissing om zijn verdere leven aan het schilderen te wijden.
Chapon: 'In Frankrijk voelde ik me thuis. Nederland was nog in opbouw. Daar werd ik steeds geconfronteerd met een wereld van ellende. Toen ik na de oorlog naar mijn ouderlijk huis terugkeerde, verweet de gemeente mij “eigenmachtig optreden”. “Ben ik er dan rechtmatig uitgezet?”, vroeg ik. Die afschuwelijke bureaucratie en vormelijkheid staan me nog altijd tegen als ik in Nederland terugkom. Niet dat ik nou zo'n idioot ben die alles aan Frankrijk geweldig vindt. Maar de Dordogne meet tweederde van de oppervlakte van Nederland, terwijl er maar 400.000 mensen wonen. Er heerst vrijheid en er is geen bemoeizucht. In Nederland weet iedereen alles van elkaar, er wordt gouwehoerd bij het leven. Ik zou er niet meer kunnen leven. Al die plekken en confrontaties met mensen die me aan het verleden herinneren.
Het heeft ook te maken met de mentaliteit van de Nederlander. Vlak na mijn emigratie, in mei 1973, raakte ik in een barretje in een Frans dorp aan de praat met een man. Ik vroeg hem wanneer het bevrijdingsdag was in Frankrijk en of er hier nog foute mensen rondliepen. Hij keek me heel lang aan, zonder iets te zeggen. “Foute mensen?”, antwoordde hij toen. “Die gingen er allemaal aan.” Dat was een ware bevrijding voor me. Want wat die man zei is geen fantasie, maar realiteit. Natuurlijk, het barst in Frankrijk van de extreem-rechtse lieden. Rassenhaat leeft er sterk. Maar ergens is de Nederlander daar slimmer in. Hij uit zich niet zo duidelijk over dat onderwerp als de Fransman.’
Onlangs kreeg Chapon weer te maken met de door hem gewraakte bureaucratie: de driedelige monumentale wand die hij in de jaren zeventig voor de Bijlmerbajes had gemaakt, werd verwijderd zonder dat men hem daarin kende.
Chapon, grinnikend: 'Toen mij gevraagd werd voor de Bijlmerbajes zo'n wand te maken, zei Sandberg van het Stedelijk Museum tegen me: “Dat mag je niet weigeren, waarschijnlijk is dit de eerste keer dat er monumentale kunst in een gevangenis wordt toegepast.” Nu hebben ze achter mijn rug om de hele boel weggehaald. Ze konden zogenaamd mijn telefoonnummer niet vinden.’
Eerder al trof zijn wand in het hoofdkantoor van de scheepswerf NDSM hetzelfde lot. Dat valt te betreuren, omdat Chapons oude scheepsplaten met daarin gekleurd glas voor de tijd waarin ze gemaakt werden, uniek zijn. Ook buiten Nederland trok zijn originele, ambachtelijke methode de aandacht. Verder fabriceerde hij zulke wanden, die soms geweldige afmetingen hebben, onder meer voor de vestiging van Fokker op Schiphol-Oost, het hoofdkantoor van De Nederlandsche Bank en het bedrijf Merck Sharp & Dohme in Haarlem.
HET ABSTRACTE werk dat Chapon tegenwoordig maakt, toont nog maar weinig verwantschap met de ingehouden doeken uit de jaren vijftig en evenmin met de Cobra-achtige oefeningen in ruige expressie uit zijn latere periode. Zonnige kleuren, loom slingerende lijnen die vervlochten zijn met stralende, bollende vlakken - de tamelijk forse doeken ademen een vrolijke, milde atmosfeer. Vergelijkingen met de werkwijze van Corneille en Roger Raveel dringen zich op.
Als ik Eva Bendien in Galerie Espace aan de Keizersgracht opzoek, noemt zij Chapon in de eerste plaats een 'estheet’. De kunstenaar is het daar niet mee eens. 'Dat zou betekenen dat ik alles even perfect wil maken en dat wil ik helemaal niet. Wel zet ik in mijn schilderijen de puntjes op de i, misschien wel meer dan vroeger. Een vlak dat als vlak bedoeld is kan mij storen als er vlekken in zitten. Nee, ik zou mezelf eerder willen omschrijven als een levenskunstenaar.
Het demonstreren van ellende in kunst beschouw ik als negativisme. Waarom zou ik dat doen? Toch niet om de ellende te continueren? De titels van mijn schilderijen komen pas achteraf. Vaak bedenken mijn kinderen die. Ach, iedereen die mijn werk ziet mag ervan denken wat-ie wil. Wat dat betreft dring ik niets op. Dat is de vrijheid van de toeschouwer.
Schilderen en tekenen is voor mij een vorm van bestaan, ik zou niet anders meer kunnen. Als ik uit mijn atelier naar buiten kijk, zie ik de natuur en het landschap. Er is daar niets dat mij afleidt. Ik word er geconfronteerd met een eindeloze wereld, waarin ik de lijnen wil ontdekken. Toch is mijn werk niet geïnspireerd door de natuur, maar door de essentie van het leven. Wat dat is, de essentie? Eenvoud is er een heel belangrijk onderdeel van. Hoe stiller mijn werk wordt, hoe dichter ik de eenvoud benader. In afzondering hoop ik de essentie van mijn bestaan te vinden. Er rest mij niets dan afdalen in mezelf. Dat kan tot grote mislukkingen leiden. Alleen als je geluk heb, handhaaf je je.
Vergeten kun je natuurlijk nooit. Je zult het je hele leven met je herinneringen moeten doen. Daarmee moet je leren leven, je moet er iets mee doen. Mijn familie zou het afschuwelijk gevonden hebben als ik er onderdoor ging. Met mijn werk doe ik iets terug voor al degenen die vermoord zijn. En de ene keer lukt dat gewoon beter dan de andere. Toen ik in Frankrijk aankwam, had ik een jonge vrouw en een dochtertje van vier. Later kwam daar een tweede dochter bij. Ik heb dus een jong gezin. De injecties die ik van deze jonge mensen krijg, hebben me gered. Hun jeugdig elan heeft me helpen overleven.
Als ik in Nederland was gebleven, was mijn werk misschien wel een andere kant opgegaan. Maar ik had er niet kunnen loskomen van het verleden. De vorm van mijn bestaan was anders geweest. Bij ons komt soms maanden niemand op bezoek. Nu ben ik altijd al iemand geweest die langzaam de dag in moet komen. Bij mij is het niet: hup, om negen uur het atelier in. Ik ga eerst de boodschappen doen en maak met iedereen een praatje.’
DE KUNSTENAAR en criticus Otto de Kat schreef ooit naar aanleiding van een expositie van Chapons schilderijen: 'Er is een zekere langzaamheid in het werk van Jules Chapon.’
Chapon schudt het hoofd: 'Ofschoon ik De Kat goed gekend heb, heeft hij mij toch niet helemaal begrepen. Pas de laatste tien jaar heb ik een manier van werken gevonden die bij mij past. Misschien dat er nog iets aan verandert, maar toch zal ik tot het eind van mijn leven zo door blijven werken. Ja, in dat opzicht heeft De Kat toch wel een beetje gelijk gehad. Ik heb lang gezocht, het is een groeiproces geweest, net zoals ik mijn eigen huis en atelier in de Dordogne heb gebouwd: stukje bij beetje.’