Joke Hermsen

Levenslang geëxcommuniceerd

In «Tweeduister» maakt Joke Hermsen historische namen als T.S. Eliot en Virginia Woolf tot haar romanfiguren. Volgens critica Elsbeth Etty mag dat niet zomaar. Waarom niet? Woolf deed het zelf ook.

Joke J. Hermsen, I>Tweeduister. Uitg. De Arbeiderspers, 468 blz., ƒ 49,90

Er zijn weinig dingen die ik zeker weet over Virginia Woolf. Maar wel dat ze nooit in haar lange carrière als literair critica voor de Times Literary Supplement een stuk geschreven zou hebben zoals Elsbeth Etty in de nrc-boekenbijlage van afgelopen vrijdag. Haar vernietigende bespreking van Joke Hermsens roman Tweeduister is een voorbeeld van het soort recensie waar Woolf al aan het begin van de vorige eeuw niets van moest hebben. Om esthetische en humane redenen. Want het is zo’n geijkte, ongenuanceerde manier van afkraken dat er meer kapot wordt gemaakt dan een boek.
Het wonderlijke is dat Etty ook uit naam van «haar» Virginia Woolf («Handen af») denkt te spreken. Hermsen heeft een personage van Woolf en andere beroemde interbellumschrijvers gemaakt en dat mag niet van Etty, zeker niet zonder voetnoten en verantwoording. Die verantwoording is er overigens wel, Hermsen noemt aan het eind haar bronnen, maar sinds wanneer moet een roman van voetnoten worden voorzien? Die ontbreken ook in het hogelijk door Etty bewonderde Orlando van Virginia Woolf. Daarin worden ook allerlei gecanoniseerde schrijvers sprekend en handelend opgevoerd. Hoe kon Virginia Woolf weten dat Christopher Marlowe in de Cock Tavern in Fleet Street dronken was en hikkend tegen Shakespeare zei: «There’s a great wave coming and you’re on it»? Niet, dat verzon ze gewoon.
Als Virginia Woolf al vond dat je met protagonisten mocht doen wat je wilde, schrijft Etty, «dan betrof dit ongetwijfeld het gedrag van fictieve personages». Nee, in haar essay The New Biography schrijft ze bijvoorbeeld: «In order that the light of personality may shine through, facts must be manipulated; some must be brightened, others shaded.» Schrijvers zijn van niemand. Of van iedereen die zich in hen verdiept of zich door hen geïnspireerd voelt.
Dat is bij Joke Hermsen ontegenzeggelijk het geval. Zij heeft het werk van Woolf en T.S. Eliot zodanig geïnternaliseerd dat er voor de kenner allerlei verrijkende echo’s meeklinken, zonder dat het daardoor een moeilijk, ontoegankelijk boek wordt. Literatuur was voor Woolf en Eliot een kwestie van «a voice answering a voice», een gebied waar stemmen elkaar opzochten, met elkaar in gesprek raakten, elkaar tegenspraken, weer kwijtraakten. Een gebied waar voetnoten absoluut niets te zoeken hebben. Dat hebben schrijvers als Michael Cunningham, Martha Cooley en Joke Hermsen heel wat beter begrepen dan Elsbeth Etty. Cunningham maakte Virginia Woolf in The Hours (1998) ook een personage en in The Archivist (1998) van Martha Cooley wordt de krankzinnigheid en opsluiting van Eliots vrouw ook ter discussie gesteld, net als in Tweeduister. Het ene boek is geslaagder dan het andere, maar ze gaan alledrie een gesprek aan met bewonderde schrijvers en de interpretatie van hun levens.
Het wonderbaarlijke van Virginia Woolfs literaire kritieken is dat zij er altijd weer een nieuwe vorm voor wist te vinden. Dat kwam doordat zij eigenlijk alleen inzoomde op wat haar de moeite waard leek om energie aan te besteden. Hoe malicieus zij in het werkelijke leven ook kon zijn, haar kritieken zijn bijna zonder uitzondering genereus. Als zij tot niets anders in staat was dan een vernietigend oordeel besprak zij het boek niet.




Laat ik proberen mij voor te stellen hoe een genereuze woolfiaanse bespreking van Tweeduister eruit zou zien. Die zou nooit een flaptekstachtige samenvatting van de inhoud bevatten in de trant van dat het verhaal zich gedurende de jaren twintig en dertig afspeelt rond de Bloomsbury-groep, dat we in dit fameuze gezelschap worden binnengevoerd aan de hand van de fictieve Martha Thompson, dochter van een Britse filosoof en een Nederlandse actrice die zich in 1924 in Londen vestigde met de bedoeling te achterhalen wat er met haar vermiste vader was gebeurd, enzovoort. Wie kan daar zijn gedachten bij houden?
Nee, je zou bijvoorbeeld kunnen schrijven dat Tweeduister vooral de moeite waard is wanneer je het leest als een lang onderschrift bij een foto uit 1932 waarop T.S. Eliot, Virginia Woolf en Vivien Eliot staan afgebeeld. Met Eliot en Woolf in de rol van buitensluiters en Vivien als de geëxcommuniceerde die hartverscheurend flink voor haar eigen bestaan opkomt. Een beetje terzijde staat ze, alsof ze op het laatste moment het beeld in is gesprongen, of er door de twee anderen juist uit wordt geduwd, wat postuum nog gelukt is ook, want de foto is herhaaldelijk zonder haar afgedrukt. Haar nadrukkelijke aanwezigheid leidde te veel af van de twee intellectuele reuzen die zo zelfbewust de camera in kijken. Het is alsof Vivien Eliot een onzichtbaar sandwichbord draagt waarop wordt uitgeschreeuwd: «IK BEN OOK IEMAND».
Joke Hermsen hangt haar daadwerkelijk zo’n sandwichbord om. Het doet er niet toe of dat historisch juist is (hoewel je daar wel nieuwsgierig naar wordt). Tijdens de première van Eliots toneelstuk Murder in the Cathedral loopt Vivien in de pauze langzaam, bijna plechtstatig op en neer met op de voorkant «I AM THE WIFE HE DESERTED» en «WHO MURDERED WHO?» op de achterkant. Dat past bij het personage dat hier wordt neergezet. En dan maakt het niet uit of het werkelijk gebeurd is, zoals de blooms buriaanse biograaf Lytton Strachey in een ander verband heeft opgemerkt.
Hermsen voorziet Eliot van zulke sinistere schaduwen dat hij iets monsterachtigs krijgt, maar dwars daardoorheen schemert toch zijn eigen tragiek, die het best is samen te vatten als de behoefte aan een kamer voor zichzelf. Vooral over zijn bovenkamer wilde hij zelf kunnen beschikken, en dat nu werd hem door zijn neurasthenische vrouw onmogelijk gemaakt, want die was uit op een dubbelcarrière.
De Amerikaanse dichter die zo ontzettend graag Engels wilde zijn dat hij het liefst in vierdelig grijs door het leven ging, had aan een Engelse vrouw en een Engels paspoort niet genoeg; hij bekeerde zich ook nog tot de Engelse kerk. Misschien wel om voor zijn schuldgevoel tegenover Vivien een oplossing te zoeken. In een vlaag van onbezonnenheid had hij gemeend zijn sombere persoonlijkheid te kunnen opvrolijken met een leuk gek mens dat zijn gedichten nog bewonderde ook. Hij was halsoverkop met haar getrouwd en leek daar nu de rest van zijn leven voor te moeten boeten, want zijn vrouw was niet alleen leuk gek.
Eliot had haar na verloop van tijd als serieuze partner in de kunst terzijde geschoven, terwijl dat aanvankelijk de veelbelovende invulling van hun huwelijk had geleken. Zij had hem niet alleen als secretaresse geholpen, maar ook bij het dichten zelf. Zij verzon de titel voor The Waste Land en leverde allerlei bijdragen waardoor het lange gedicht luchtiger en lichter werd. Eliots hermetische werkwijze — Hermsen noemt hem een «dichtende dichter» — had de lange nagels van Vivien nodig «om de regels open te krabben». Door het belichten van Viviens grappigheid, haar lef, maar vooral haar onverstoorbare trouw, wordt zij in Tweeduister eerder op een schrijnende manier heroïsch dan belachelijk.
Virginia Woolf zou zich met betrekking tot Hermsens Vivien Eliot misschien hebben afgevraagd of zij «insane to the point of sanity» was of «sane to the point of insanity» en daar dan de titel mee verbinden. Door te zeggen dat de roman in het schemergebied van dat verschil — zo er al verschil is — zijn interessantste invulling krijgt. Vervolgens zou ze parafraserend gaan citeren door haar stem bij die van Hermsen te voegen om zo bepaalde scènes (het boek bestaat uit korte, scenische hoofdstukken) te kunnen samenvatten; in plaats van hier en daar een minder gelukkige beeldspraak als een pars pro toto voor de hele roman op te voeren.
Bijvoorbeeld de scène waarin Vivien haar bed naar de salon aan de voorkant van het huis heeft gesleept om Eliots sleutel in het slot beter te kunnen horen, zodat zij hem bij het geringste geluid onmiddellijk tegemoet kan hollen, zoals dat een goede echtgenote betaamt. Hij is dan al jaren niet meer thuis geweest, maar zal nu, denkt zij, beslist terugkomen, want ze heeft een advertentie in The Times laten zetten: «Will T.S. Eliot please return to his home 68 Clarence Gate Gardens which he abandoned Sept. 17th 1932». De brief van zijn advocaat over een scheiding heeft ze verscheurd. Dat moet een vergissing zijn. Alles zal goed komen nu hij weet dat hij welkom is.
En inderdaad, ze hoort voetstappen. Er wordt gebeld. Ze vliegt overeind, trekt haar peignoir aan, knijpt in haar wangen en doet open. Twee agenten zeggen schriftelijke toestemming te hebben enkele spullen van haar echtgenoot op te halen. Als zij weigert hen binnen te laten, lopen zij langs haar heen, rechtstreeks Eliots studeerkamer in. Vivien roept dat ze de politie zal bellen. De heren spreken haar kalmerend toe: «Alstublieft Mrs. Eliot, wij zijn de politie. Laat u ons nu rustig ons werk doen. Uw man heeft recht op zijn persoonlijke spullen.» «Ik kan wel horen dat u zijn werk niet gelezen hebt. Anders zou u wel weten dat het woord ‹persoonlijk› niet in zijn vocabulaire voorkomt. Mijn man streeft naar onpersoonlijkheid. Dus wat u zegt slaat nergens op.»




Of neem de boekpresentatie van Eliots essaybundel After Strange Gods. Het evenement is al begonnen als Vivien zich met hun hondje Polly in haar armen door de menigte wringt. Honden zijn weliswaar verboden, maar ze weet zeker dat Tom het geweldig zal vinden om Polly na al die jaren weer te zien. Tom heeft het donkergrijze pak aan dat zij nog in Parijs voor hem heeft laten maken. Zo attent dat hij dat uitgerekend vandaag heeft aangetrokken. Het publiek begint te lachen. Hij heeft blijkbaar iets grappigs gezegd. Hij is een voortreffelijk redenaar. Hij had op z’n minst dean in Cambridge moeten worden. Het is een schande dat hij daar nooit voor is gevraagd. Goed, hij had zijn proefschrift natuurlijk moeten afmaken. Maar het is nog niet te laat. Ze zal hem erbij helpen. Ze zal het allemaal voor hem uittypen, misschien zelfs de inleiding schrijven. Het zal weer zijn als vroeger. En dan gaan ze naar Cambridge of Oxford verhuizen. Ook veel beter voor Polly.
Er stijgt applaus op. Tom wordt naar een tafeltje geleid waar hij zal signeren. Er vormt zich een lange rij bewonderaars. Vivien peinst er niet over zich daarachter aan te sluiten. Ze is tenslotte zijn echtgenote. Ze zet het spartelende hondje op de grond. Het rent direct vrolijk kwispelend op zijn baasje af, springt tegen hem op en likt zijn handen. Eindelijk staat ook Vivien weer oog in oog met haar man. Ze voelt zich licht in haar hoofd, alsof ze zojuist een paar glazen champagne achterover heeft geslagen. Ze pakt drie exemplaren van After Strange Gods van de stapel. Zijn gezicht staat verkrampt. Boven zijn linkerwenkbrauw zwelt een ader op. Snel zet hij zijn handtekening in de drie boeken, blaast de inkt droog en geeft ze zonder haar aan te kijken terug. Dan staat hij abrupt op en loopt naar de uitgang van de zaal. Uit de rij wachtende dames stijgt een murmelend rumoer op. Alle ogen zijn op Vivien gericht. Ze kijkt naar zijn handtekening. De letters dansen voor haar ogen. Ze ziet flitsen van vroeger, het was allemaal zo fantastisch begonnen. Ze hoort zijn stem weer de eerste regels uit het gedicht Prufrock citeren: «Let us go then, you and I.» Haar hoofd staat op barsten, tranen vullen de holtes van haar gezicht. Ze zet een paar passen. Ze moet zich inspannen om rechtop te blijven lopen. Met opgeheven hoofd schrijdt ze langs de satijnen jurken, de gekrulde snorren, de mompelende monden. Ze voelt zich langzaam opgaan in haar rol. Het opkomen en het afgaan zijn het belangrijkst, denkt ze. Wat daartussen ligt is overbodig. Ze is een beroemde danseres die zojuist haar laatste voorstelling heeft gegeven en nu voor het ademloze publiek van het podium verdwijnt. Ze voelt dat ze alles met hen kan doen. Ze kan ze aan het lachen maken, ze kan ze laten huilen. Ze hoeft haar armen maar op te tillen of er zal een rimpeling door de zaal golven. Maar dat doet ze niet. Rustig en met opgeheven hoofd loopt ze de laatste meters naar de deur. Als ze over de drempel stapt en de gang op loopt, vergeet het publiek te klappen.
Heeft Elsbeth Etty Tweeduister wel helemaal gelezen? Je kunt alleen al op basis van deze scène moeilijk volhouden dat er «he-le-maal niets» gebeurt in de roman. Of dat het boek «met de beste wil van de wereld» niet meeslepend kan worden genoemd. Terwijl welwillendheid nu juist totaal ontbreekt in haar recensie.
De woolfiaanse criticus is ook niet zonder kritiek. Na opgemerkt te hebben dat de laatste zin uit bovenstaande scène misschien wel de mooiste uit het hele boek is, zou zij zich vervolgens gedwongen zien op te merken dat de schrijfster dit niveau helaas niet overal volhoudt. En hoe jammer het is dat de puntigheid van de dialogen (waar Hermsen goed in is) vaak teniet wordt gedaan door toevoegingen als: «zegt zij sarcastisch» of: «bromt Leonard». Dat Leonard Woolf vrijwel altijd bromt, stoort zelfs bijzonder. Het is net zo irritant als het feit dat hij in de roman regelmatig Leo wordt genoemd. Dan waan je je toch in de eerste plaats in de wereld van Joop ter Heul.
Zo werd Virginia Woolf ook alleen door haar vader Ginny genoemd en was de notoir homoseksuele biograaf Lytton Strachey niet getrouwd met Dora Carrington. Maar dat soort slordigheden is veel minder erg dan de «realistische» stijl waarmee de meeste scènes worden ingekleurd. Daarvoor hebben modernisten als Woolf en Eliot hun baanbrekende werk niet verzet. Het wordt daardoor wel een boek dat je in een ruk uitleest. Wat je van Woolf en Eliot niet kunt zeggen. In de meeste romans van Virginia Woolf gebeurt namelijk echt he-le-maal niets. Die zijn bedoeld om langzaam en nadenkend te lezen. Gelukkig voor Joke Hermsen zijn er meer mensen die boeken willen verslinden.