Toneel

Levenslange opsluiting in een poppenhuis

Toneel Theatertreffen (3)

Zo zag ik ze nog nooit, de zusjes Prosorov uit Anton Tsjechovs voorlaatste toneelstuk Drie zusters (1902). Zo bleek, zo ongelovig over hun diepste wens om met broer Andrej naar Moskou terug te keren, zo opgesloten – levenslang in een poppenhuis, zonodig met dwangverpleging.

De speelruimte is van meet af aan wit, een sanatorium, hel licht van buiten, maar zonder ontsnapping naar ‘een’ buiten, er is geen buiten. Nou ja, één kleine deur in de achterwand. In het derde bedrijf wordt die onneembaar gebarricadeerd. Vormgever (tevens regisseur) Andreas Kriegenburg (1963), voegt aan dit sanatorium per bedrijf een element toe. Het cadeaulijstje van de jarige jongste Irina uit de eerste akte, is in het tweede bedrijf langs de wanden verduizendvoudigd.

In het derde bedrijf – er woedt een felle brand in het provinciestadje van de Prozorovs – ligt tegen de achterwand een enorme berg wit wasgoed, giften voor de slachtoffers, vluchtplaats ook voor wie even niet gezien wil worden – die trekt gewoon een wit laken over het hoofd. De wenslijstjes aan de wanden hangen in het vierde bedrijf aan zelfgemaakte ballonnen, gratis supermarkttassen gevuld met helium, de briefjes zijn aan de grond vastgeplakt, vliegen of zelfs maar eventjes opstijgen wil hier niets meer, wensen is hier bij voorkeur niet gewenst.

De mannen fungeren vrijwel uitsluitend als fantoombeelden van de zussen, rare spoken zijn dat geworden, met bijna mechanisch geprevelde teksten die iedere betekenis verliezen vanaf het moment dat ze hun mond verlaten. Nogal wat van Tsjechovs subtiele dramaturgie gaat hier verloren. Het is niet anders. Kriegenburg laat ons kijken via de ogen van de zussen.

De voorstelling opent met een monoloog van de oudste, Olga, die binnen een kwartier het complete stuk in haar eentje bij elkaar schreeuwt, met de radeloze ondertoon dat het in dit gekkenhuis ook best wel een beetje gezellig kan zijn. Irina, de jongste, valt in het tweede bedrijf voortdurend van haar stoel en botst hard maar vergeefs tegen de wanden. Masja, de middelste, de meest energieke, is drie uur lang doende te vluchten voor ‘haar’ mannen: de echtgenoot Koelygin, een repeterende breuk van echtelijke trouw, en de minnaar Versjinin, een egoïstisch raaskallende nepfilosoof.

Als alles té heftig wordt, als de wanhoop het dreigt te winnen van de beheersing, dan zetten de personages maskers op, maskers die zo ongelooflijk lelijk zijn dat ze er weer mooi van worden, poppen met waterhoofden en afgeknepen stemmen. Het ensemble verandert op die momenten ook in een triest orkestje, een band van de Balkan, in de muziek klinkt de weemoed die zich niet meer in woorden laat vangen.

Vorig najaar waren die poppenkoppen er ook al, in Kriegenburgs verbluffende Richard III bij het Ro Theater, geselecteerd voor het komende Theaterfestival in september. Maar daar waren die koppen nog een vergruizeld Disney-citaat. Hier verwijzen de poppen uitsluitend naar zichzelf, naar echo’s van beeldend kunstenaars als Anselm Kiefer en Tadeusz Kantor.

In een vraaggesprek vlak voor de première van Drei Schwestern in München bekende Andreas Kriegenburg het regisseren van Tsjechov de zwaarste en moeilijkste opgave te vinden die een toneelmaker op zijn weg kan tegenkomen. ‘Als je te heftig over zijn nuances en subtiliteiten heen gaat kliederen, dreig je hem te vernielen. Aan het eind sta je alleen op het toneel, met al je tekorten als regisseur.’ Dát heeft Kriegenburg hier niet laten gebeuren. Hij heeft een zeer ongemakkelijke en verontrustende voorstelling gemaakt uit Tsjechovs partituur. Op het onverdraaglijke af. De kijker moet hard werken. Hij krijgt er veel, zeer veel voor terug.

Drei Schwestern_, Münchner Kammerspiele, www.muenchner-kammerspiele.de_