Levensstijl

Een literaire stijl moet ook een manier van leven tonen.

Als voorbeeld aan mijn studenten geef ik altijd Oscar Wilde.

Zijn stijl is verzorgd, een tikkeltje overdreven hier en daar, vol humor (‘wit’) en wanneer je de eerste twee hoofdstukken leest van The Picture of Dorian Gray, dan raak je, net als Dorian, onder de indruk van de cynische filosofieën van Lord Henry.

Stel daar de bonkige, ruwe, maar eveneens prachtige stijl van Bukowski eens tegenover. Op zijn manier een romanticus, maar met een duidelijk ander parfum.

Oscar Wilde gedroeg zich, volgens de overleveringen, graag als een dandy. Bukowski vond het prettig te verkeren in bordelen en gelegenheden waar je op paarden kon gokken. Dat léés je. Niet alleen aan de onderwerpen, maar aan zinsbouw, woordgebruik, ritme, de afwisseling van dialogen en monologen.

Van grote schrijvers hou je niet alleen van de manier van schrijven, maar ook van hun manier van leven, zelfs als je de wijze waarop zij hebben geleefd en gedacht afwijst.

Ik heb dat met Céline, Reve, Genet, Hermans.

Reve is het eenvoudigste voorbeeld. Ik bewonder hem mateloos, maar ben niet katholiek, kan me niet verplaatsen in zijn sadomasochisme, ik ben ook niet homoseksueel, maar op een of andere manier boeit misschien wel het min of meer sektarische daarvan mij mateloos. Ik zie in zijn zinnen inderdaad het ‘gevecht met de engel’; iemand die de ironie gebruikt om het leven aan te kunnen, om de wirwar van katholieke gedachten een plek te geven die strijdig zijn met zijn ratio en het maatschappelijke oordeel in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw over zijn homoseksualiteit.

Ik herinner me een avond met wijlen de krank­zinnige en vergeten auteur A. Moonen

De vraag waarom ik die stijl zo aantrekkelijk vind, kan ik moeilijk beantwoorden. Maar het ‘humanistische’ ervan spreekt mij aan. Omdat ik zo ben opgevoed.

Interessant is het daarom ook eens te kijken naar schrijvers waar ik minder van hou. Ik heb dat met de door velen bewonderde Dostojevski. Ik kom er niet goed doorheen. Ik heb het ook met Camus versus Sartre. Ik heb echt veel van beiden gelezen, en ik weet dat Camus een beter mens is dan Sartre, maar ik schiet door de literaire verhalen van Jean-Paul en heb moeite met Albert. Ook als ‘denker’ is Camus vermoedelijk hoogstaander dan Sartre. Maar hoewel ik grote stukken van Sartre’s Het zijn en het niet onbegrijpelijk vind, lees ik hem toch liever dan Camus. Ik kan het niet verklaren. (Het existentialisme wordt tegenwoordig niet meer serieus genomen, maar ik vind het nog steeds een uitstekende filosofie. Net zoals het marxisme voor mij een verrukkelijke, esthetisch welgevormde manier van het wereldnieuws verklaren biedt, terwijl ik het meeste van het marxisme afwijs en ik – in de woorden van mijn dochter – een ‘afschuwelijke rechtse deur’ ben.)

Met Sartre wil ik altijd in het café zitten, met Camus af en toe. En dat komt door zijn stijl.

Ik lees tegenwoordig weer eens recensies en dan voel ik mij oud.

Ik vind daarin niet meer de informatie waar ik iets aan heb. Er worden voorbeelden gegeven van slechte zinnen die ik goed vind, en omgekeerd. Ik wilde bijvoorbeeld absoluut dat boekenweekgeschenk van Dimitri Verhulst hebben, maar zijn stijl deed me denken aan een veel te lang orgelconcert waarbij ik te dicht bij het orgel zat. Maar mijn omgeving vindt zijn zinnen die als draaikolken voor mijn ogen dansen geweldig.

Ik herinner me een avond met wijlen de krankzinnige en vergeten auteur A. Moonen. Hij zat vol regels waaraan een verhaal, een zin moest voldoen: geen dialogen, geen bijvoeglijke naamwoorden, geen metaforen, niet dit, niet dat – hij had zoveel regels verzonnen dat alleen hij daaraan kon voldoen. Ik las die gewrongen zinnen graag.

Er bestaat eigenlijk geen slechte stijl, er bestaan alleen slechte en goede lezers.