William Golding, Heer der vliegen

Leviathan op een Zuidzee-eiland

‹Lord of the Flies› is een commentaar in romanvorm, want William Golding schreef een parabel, geen traktaat. De moraal van het verhaal: zo ziet een beschaving eruit wanneer die gebaseerd is op angst en geweld.

Lord of the Flies, de roman van Nobelprijswinnaar William Golding (1911-1993), is van 1954, een halve eeuw oud dus, maar bij herlezing lijkt het boek er alleen maar beter op geworden, of laat ik zeggen: realistischer, al was het maar om het woord «actueler» te vermijden. Heer der vliegen heet het in het Nederlands; zojuist is een herziene herdruk van de uitgave uit 1960 verschenen, en het is misschien gunstig dat de vertaling sporen van die tijd vertoont. De titel heeft me altijd doen denken aan Val voor vliegengod van Lucebert, ook uit de jaren vijftig. Beide titels verwijzen naar Beëlzebub, de duivel die in het Boek der Koningen «heer der strontvliegen» (ba’al zébub) heet. Al meteen na 1945 verkeerde de wereld in vrees voor een nieuwe oorlog en dat zou ongetwijfeld een atoomoorlog worden — de roman is daarvan een echo.

Toen ik het verhaal in de jaren zestig las, was die angst nog gerommel achter de horizon. Hoe beklemmend ook, het zwarte sprookje had toch iets van een veredeld jongensboek; de verfilming door Peter Brook in 1963 versterkte dat. Het gaat ook over jongens op een onbewoond eiland in de Stille Zuidzee, Engelse koorknapen en een stoot kinderen van zes (die er na een dagje zon uitzien als «gewassen pruimen»); er is de rivaliteit tussen twee jeugdbendes, toegespitst op twee oudere jongens die de baas willen spelen. Zonder volwassen pottenkijkers is er op zo’n eiland alle ruimte om keet te maken. Het woord «keet» heeft een hoog jaren-vijftiggehalte, het betekent anarchie en chaos, maar in het onschuldige: de kwajongens willen lekker keet trappen en overstemmen de enkeling die de ongemakkelijke vraag stelt hoe ze ooit gered kunnen worden. De roman is indertijd als een realistisch verhaal gelezen, denk ik, als een gelijkenis: zie, zelfs gewone jongens worden, als het vernisje van opvoeding en beschaving afbladdert, door duistere machten bevangen.

Je kunt de roman nu anders lezen en het verhaal bevat aanwijzingen daartoe. De fabel van de waarheid als een koe — als mensen de vrije hand krijgen, worden ze gauw weer gevaarlijke wilden — wordt een parabel, grimmiger, maar ook ingewikkelder dan de moraal uit het boekje. Een eerste aanwijzing is dat de atoomoorlog niet meer dan één regeltje krijgt, een vage regieaanwijzing. De jongens zijn levend uit een vliegtuig gekomen, hoe wordt niet verteld, alleen dat het in een atoomoorlog is neergeschoten en brandend op het eiland is beland zonder meer sporen achter te laten dan een «gapende wond in het geboomte» — geen wrak, geen bemanning of volwassen passagiers. Ze kennen elkaar niet van vóór «de evacuatie», op een aantal koorknapen na, die meteen ook als troep komen opdraven: zij worden de jagers die voor eten zorgen, zij zijn het leger in deze mini maatschappij. Hoe gedetailleerd het verloop van hun vestiging ook beschreven wordt— zoals de jacht op varkens, het bouwen van hutten, het zich ongans eten aan fruit, verkenningstochten —, opmerkelijk is dat Golding geen enkele moeite doet het verhaal in een grotere context te plaatsen die de uitzonderingssituatie geloofwaardig zou maken. Hij besteedt die ruimte aan de subtiele verschuivingen in de rolverdeling, de machtsverhoudingen, de onomkeerbare kettingreactie die ontstaat door actie van de één, reactie van de ander en de homogeniserende invloed van de groep op al die verschillende individuen.

Dat is geen kleine of verkleinde wereld of een wereld van de kleintjes, maar de grote wereld op kleine schaal, in een notendop. In de oertoestand waarin het jonge volkje verkeert, doen de jongens wat volgens de mythe ook de eerste mensen hebben gedaan: er wordt een vertegenwoordiger gekozen en in ruil voor macht biedt deze zekerheid. Thomas Hobbes heeft in het begin van de moderne tijd het proces van macht en geweld tot staatstheorie verheven en het recht van de sterkste als natuurwet gesanctioneerd; al eerder had Machiavelli het als noodzakelijk kwaad van alle kanten beschreven. Zoals vaak is de titel een gebruiksaanwijzing, in dit geval dat het verhaal meer is dan een romantisch Zuidzee-avontuur. Zonder de roman geweld aan te doen, kun je Heer der vliegen lezen als een miniatuur-Leviathan, een twintigste-eeuws commentaar op de staats theorie van Hobbes, op diens projectie van een mythische oersamenleving. De moraal van het verhaal is dan niet: zie wat er gebeurt als mensen, zelfs kinderen, wilden worden zodra de beschaving wegvalt, maar omgekeerd: zo ziet een beschaving eruit wanneer die gebaseerd is op angst en geweld. Het is een commentaar in romanvorm, want Golding schreef een parabel, geen traktaat.

Een enkele keer, om de lezer niet net als de jongens in de handeling te laten opgaan en eraan te herinneren dat hier tegelijk een spel van een andere orde gaande is, laat Golding zijn personages in een taal denken die hun begrip te boven gaat. Een voorbeeld: «Daar was de aanlokkelijke wereld van jacht, strategie, opgewonden vrolijkheid; en aan de andere kant was de wereld van heimwee en verbijsterd gezond verstand.» In één zin wordt de tegenstelling tussen de twee leiders aangegeven. De macht die tot dan toe gedeeld wordt, maakt plaats voor alleenheerschappij van de sterkste die het monopolie over de machtsmiddelen verwerft, het geweld. De strijd tussen twee kampen die dan volgt is er een tussen twee mentaliteiten, een ongelijke strijd tussen rede en blind geweld, tussen civiel en militair gezag, met als resultaat een totalitaire samenleving die geen pardon kent voor welke buitenstaander dan ook. Dat zijn natuurlijk niet de woorden van de roman, althans niet letterlijk, maar de titel wijst in die richting.

Ik zal niet de enige zijn die na zoveel jaar gewoon niet meer wist waar de titel op sloeg, Lord of the Flies, wie of wat is die Lord? Heer van de vliegen is de naam van de bijbelse drekgod Beëlzebub; Leviathan is een andere duivel, die in het boek Job opduikt als een slang of krokodil, een monsterachtig waterdier, een Beest, maar in de demonologie staan ze in de hiërarchie van gevallen engelen op dezelfde hoogte. En al die benamingen komen in de roman voor. Eerst hebben de kleintjes het over een slangetje, een waterbeest, een beest in de jungle, en algauw wordt het spookbeeld groter en groter tot de angst alles en iedereen in zijn greep heeft. Halverwege het boek vindt er ’s nachts een luchtgevecht plaats, ver weg als een strijd tussen sterren, door niemand gezien, en stil daalt op een berg een parachutist neer. Het valscherm dat opbolt in de wind en het lijk dat door de koorden wordt bewogen, worden aangezien voor een enorm monster. Inmiddels is de strijd tussen de twee oudste jongens beslecht, waarbij de robuuste Jack listig gebruikmaakt van de angst om met zijn gewapende manschappen de absolute macht te veroveren. Hij vindt de jacht uit, de totem en het offerfeest. De vliegengod is de kop van een groot varken die Jack op een stok laat spietsen als offer dat het Beest, waarin hij zelf niet gelooft, op afstand moet houden. De kop, zwart van de strontvliegen, spreekt Simon toe, een jongen die tot geen van beide kampen behoort en het varken geluidloos hoort zeggen wat in zijn eigen hoofd klinkt, namelijk dat het beest in henzelf zit. Kort daarop wordt dezelfde Simon, een echte buitenstaander, in de vervoering van een dansfeest als een varken geslacht, en niet één jongen ontkomt aan de collectieve roes.

Op zich een simpel verhaal, maar één zin kan een perspectief van eeuwen openen. Op de laatste pagina — er woedt een brand die het eiland finaal kaal zal schroeien; zo slaat de vreedzame natuur terug — stapt een marine officier uit een landingsboot. «‹Is het oorlog of zo bij jullie?› vraagt hij. Ralph knikt.» Bedremmeld stapt een roodharig jongetje naar voren — meer dan tweehonderd pagina’s lang zagen we hem als een dictator in wording en veilig achter een masker groeien in zijn rol, en dan duikt hij daar op, schijnbaar op ware grootte, een jongetje, althans in de ogen van een vechtjas die even uit de echte oorlog is gestapt. Hij heeft snel door dat het hier menens is, maar vergist zich toch in de orde van grootte. «‹Jaja. Verrekte kranig werk. Net als Koraaleiland.›»

Die vergelijking opent inderdaad een perspectief van eeuwen. Koraaleiland uit 1857 van R.M. Ballantyne was toen nog een jeugdboek dat iedereen kende: drie jongens weten zich na een schipbreuk goed te redden, op het eind bekeren ze zelfs de wilden op hun eiland. Golding gaf zijn twee hoofdpersonen dezelfde voornamen als in Koraaleiland, maar van die idylle is Heer der vliegen de parodie: de jongens worden zelf wilden. Ballantyne schreef zijn glorieuze verhaal op het moment dat het Britse imperium zijn hoogtijdagen beleefde, de roman was zelf weer een vervolg op Robinson Crusoe, dat begin achttiende eeuw niet minder dan een handleiding was voor een wereldrijk dat het koloniseren nog moest leren. Weer een eeuw later schreef Golding zijn vervolg toen de hele wereld in vlammen dreigde op te gaan. Einde sprookje, aan de lezer om de andere eindjes aan elkaar te knopen.

William Golding

Heer der vliegen

Vertaald door H.U. Jessurun d’Oliveira

uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep

224 blz., € 14,95

Heimito von Doderer

Ieder mens een moordenaar

Van de Oostenrijkse schrijver Heimito von Doderer (1896-1966) is zeker recent bijzonder weinig vertaald, hoewel sommigen zijn romans en verhalen tot het niveau van een Musil of Broch rekenen. Deze roman is van 1938 en zoals in veel literatuur uit de jaren dertig hangt er de sfeer van gedoemde levens. Dat is zelfs het thema. De jeugd van de hoofdpersoon en zijn vlotte carrière in een textielfabriek zijn de episodes in een al voorgeschreven leven. Het overkomt hem, hij wil ook vooral niet opvallen, alleen op heldere momenten is hij toeschouwer van het eigen kleurloze bestaan. Totdat zijn nieuwsgierigheid naar de gewelddadige dood van de zuster van zijn vrouw zijn leven gaat beheersen. Als hij dan ontdekt hoe het ongeluk ooit samenviel met een moment in zijn eigen leven,gaat hij over op een ander spoor, waarvoor hij altijd bang is geweest. Ook de schrijver volgt gedistantieerd hoe een levensloop van buitenaf bepaald wordt. Bevrijding is meer toeval dan streven, erg geloofwaardig is het optimistische einde dan ook niet.

Uit het Duits (1938) vertaald door Nelleke van Maaren.

Uitg. Atlas, 399 blz., € 27,50

Joeri Dombrowski,

De faculteit van de onnodige kennis

Dombrowski (1909-1978) heeft zelf drie keer een langdurige cursus aan «de faculteit van de onnodige kennis» mogen volgen, in de gevangenis en in het ijskoude noordoosten. Die faculteit was het Recht, dat wil zeggen het recht van Stalin. Dat het in de roman gaat om twee betrokkenen bij een archeologische expeditie in Kazachstan is onbelangrijk, want eenmaal in de machinerie van verdachtmakingen en beschuldigingen worden allen verwisselbare pionnen. Iemand wordt opgepakt, dus zal er wel een reden zijn, desnoods wordt die verzonnen, al of niet met medewerking van het slachtoffer. Binnen de onnavolgbare logica van het stalinisme heeft de leider altijd gelijk en is iemand die verhoord wordt altijd wel aan iets schuldig, zoniet direct dan indirect, zelfs het onnozelste gesprek kan worden ontrafeld als schakel in een onafzienbare samenzwering. Over dat rollenspel van onderzoeker en verdachte gaat het, in eindeloze gesprekken die in de cel en in het gewone leven worden voortgezet. Een vraag die de roman ongewild oproept, is hoe aan dat alles en iedereen infecterende paranoïde systeem ooit een einde kon komen.

Uit het Russisch vertaald door Aai Prins en Gerard Rasch.

Uitg. Meulenhoff, 490 blz., € 27,50

Daniel Hecht

Poppenspel

Vorige week vertelde de auteur op deze pagina’s dat hij zichzelf als de grootste poppenspeler ziet. En inderdaad, een gewone romanschrijver is Daniel Hecht niet. Gedragsmanipulatie, en dat als onderdeel van een regeringsprogramma, beproefd in de Vietnam-oorlog — mannen gedrild om deserteurs uit de weg te ruimen —, welke gewone romanschrijver durft dat aan? Want wie in de literatuur naar grote onderwerpen zoekt, vindt die het meest uitgesproken in de subgenres: een tijdlang wemelde het in kinderboeken van de maatschappelijke problemen, maar vlak ook de streek- en kasteelroman niet uit. Ondertussen betoont al enige tijd de thriller zich een waardig erfgenaam van de negentiende-eeuwse roman, vooral van het naturalistische soort.

Uit het Amerikaans vertaald door Robert

Vernooy.

Uitg. Luitingh-Sijthoff, 383 blz., € 18,95

Diego De Silva

Moordkinderen

Diego de Silva (1964) werkt als advocaat in Salerno en put uit eigen ervaring. Hoofd persoon Rosario maakt deel uit van een los-vaste jeugdbende en blijkt een snelle leerling op de criminele leerschool: heeft hij eerst nog moeite om een hond af te maken, weldra voert hij koelbloedig de opdracht uit als hij een man in een tunnel doodschiet. Pas halverwege het boek kom je erachter dat hij pas elf is. Hij is door de camorra in Napels al duchtig getraind in gehoorzaamheid — én gevoelloosheid. Niets raakt hem, tenzij zijn razernij wordt gewekt door belediging, vernedering of teleurstelling. Wat de jongen tot dit leven bestemt, blijft, net als de motieven, in het vage: het milieu alleen is geen verklaring. Het is vervelend voor zo’n boek, maar als je net Heer der vliegen hebt gelezen, dat ook over gewelddadige kinderen gaat, is het verschil duidelijk tussen een sociologische case study en een grote roman.

Uit het Italiaans vertaald door Tom de Keyzer.

Uitg. Serena Libri, 187 blz., € 17,50

Susan Sontag

Waar de nadruk ligt

Susan Sontag is vooral bekend geworden door enkele essays uit de jaren zestig, boeken over fotografie en over de ziekte als metafoor. In deze dikke bundel heeft ze opstellen uit de afgelopen twintig jaar verzameld. Op zich is het niet erg dat het gelegenheidsstukken zijn: inleidingen bij vertalingen en tentoonstellingen, stukken in tijdschriften, catalogi en programmaboekjes. Het is wel bepalend voor de blik die zij op al die gebieden werpt. Hier is niet iemand op zoek naar iets dat ze per se wil weten, in films, foto’s, romans of dans, maar zij laat de onderwerpen die op haar af komen de revue passeren en keurt ze vanuit een absoluut idee over Kunst. De terugblik op haar jaren zestig getuigt niet van inzicht in veranderingen, en het beeld van haar eigen schrijfkunst is nogal geëxalteerd. En dan is er nog de politieke wereld: sinds Sontag in Sarajevo in 1993 een stuk van Beckett regisseerde, wijst zij iedereen terecht die de oorlog niet heeft meegemaakt. Ook op dat vlak is zij ervaringsdeskundige bij uitstek. Waar de nadruk ligt?

Uit het Amerikaans vertaald door Heleen ten Holt en Christien Jonkheer.

Uitg. De Bezige Bij, 412 blz., € 29,50