Lezen buiten de paden

De bijlage Dichters & Denkers leest, buiten de paden, wat of hoe elders niet gelezen wordt. Haar norm is de concentratie van de blik, het oog voor het detail en aandacht voor wat elders buiten de canon valt. Ketters is ze evenzeer als anekdotisch, want ze weet zich niet bij voorbaat op de goede weg. Ze is nieuwsgierig, licht ontvlambaar – en ze dwaalt.

Een boek kun je lezen vanuit de breedte of vanuit het detail. In het eerste geval doemt achter een roman of bundel meteen het hele oeuvre van de schrijver op – gevolgd door zijn tijdsbeeld en de literaire milieus waarmee hij zich verbonden wist. In het tweede geval staat het boek op zich. Het is alsof de schrijver er iedere keer weer een debutant in is en elk aspect van het boek heeft voor zichzelf te spreken. Een recensent die zo leest, zou zijn stuk kunnen beginnen met de zin: ‘Hoofdstuk 8 uit dit boek is zo mooi en origineel geconstrueerd dat je de scène na lezing nog jaren moet kunnen navertellen.’ Of: ‘In deze verzameling boekencolumns staat een van Nick Hornby’s mooiere anekdotes.’ Waarna de anekdote volgt. De eerste manier van lezen en bespreken is geleerd. De recensent is een allesweter – of zou dat moeten zijn – omdat de wereld waarover hij oordeelt tot in de details samenhangt. Alleen vanuit een adelaarsstandpunt valt daarover iets te zeggen dat de moeite van het lezen en opschrijven waard is. Ieder boek staat oog in oog met de eeuwigheid en met het literaire universum.

Medium boek 20met 20gaten

Zo’n hegelianisme brengt een zware recensentenstijl met zich mee, die ruimte nodig heeft en de lezer daarin wegwijs maakt. In weerwil van de geest van de tijd verdient ze geen besmuiktheid, veeleer bewondering. Tenslotte is de kritiek er om de lezer te oriënteren in het literaire labyrint waarin hij zich verdwaald weet. En gidsen kan alleen die blik die niet alleen het hele doolhof overziet, maar op splitsingen en kruispunten ook kan oordelen op grond van kennis, smaak en besef van doel en oorsprong.

Daartegenover tekent zich een lichtere, impressionistischer wijze van lezen af, waarin het boek veeleer een strandvondst is. De bespreker neemt het boek op als een jutter, zonder voorafgaand idee van gebruik of betekenis. Hij vraagt zich af wat hij ervan maken kan, in de toevalligheid die het boek op zijn weg gebracht heeft en zich ter lezing aanbiedt: zonder voorwaarden vooraf en zonder speciale wetenschap. Hij laat zijn fantasie meeslepen door wat hij in zijn handen heeft: dit en anders niets.

Beide manieren van lezen hebben hun ernst, die er in het eerste geval direct aan valt af te lezen en zich in het tweede geval pas bij nader inzien toont. Want wat de ogenschijnlijke frivoliteit van de toevallige lezer meer dan die van de geleerde ernstig neemt is het boek zelf. Omdat het losgemaakt is uit het oeuvre waartoe het (misschien) behoort, valt alle betekenis die het heeft nu plotseling op hem terug. Het moet zich geheel en al op eigen kracht waarmaken en de lezer moet en kan zich louter openstellen voor zijn stem. Meer dan bij de geleerde komt het op lezen en vertrouwen aan.

Zo eist die toevalligheidslectuur een intensiteit en overgave die de gezeten lezer zich wat minder hoeft te getroosten. Hij wordt door kennis en overzicht toch wel gehouden op het juiste pad, dat hem grotendeels voor verrassingen behoedt. Zoals hij zich niet zo snel zal verliezen in bevlogen, achteraf misschien wegdwalende, ja zelfs onzinnige omzwervingen, zo zal hij door zijn gevestigde koers ook de onverwachte, alles omverwerpende inzichten ontlopen waarop de impressionistische lezer stuiten kan.

Die laatste neemt daarbij wel grote risico’s. Wat hij in zijn enthousiasme meent gevonden te hebben kan gemakkelijk een vergissing blijken. Het boek dat een meesterwerk leek stort bij tweede lezing alweer ineen; de schrijver die een nieuwe literaire stem aankondigde laat het bij nader inzien afweten; de nieuw-ontdekte piek in het literaire landschap blijkt een zandheuveltje, roemloos weggeëffend door een nieuwe vloed. Maar soms weet deze lezer iets op te pikken dat iedereen nog was ontgaan, op paden die werden gemeden of eenvoudigweg nog niet waren ontdekt – of iets dat wel ontdekt was maar achteloos was weggeworpen omdat de brede aandacht er zich te weinig op wist te spitsen.

Medium boeken 20praat

Dit avontuurlijke lezen zet alle kaarten op de toevalligheid en een bespreker die zich daardoor laat leiden staat in dat opzicht dicht bij de alledaagse lezer. Die laatste weet zich immers reddeloos verloren in een vloed van boeken waarin hij geen lijn of baken ziet. Daarom leest hij de literaire supplementen en misschien een tijdschrift. Die moeten hem oriëntatie geven – dit wel, dat niet – en dus beschikken over de geleerde blik die alles weegt en ordent. Breedheid en betrouwbaarheid is daarom het kenmerk van deze, nadrukkelijk onavontuurlijke supplementen. Ze bespreken bij voorkeur alles wat ertoe doet en weten uit te leggen waaróm het ertoe doet, met duidelijke en aanvaarde argumenten. Dukdalf en kanaal inéén, temmen zij de woeste literaire stroom en bieden ankerplaatsen.

Het impressionistische lezen houdt het eerder bij de smalheid. De enge blik en smalle wateren met snelle stromen zijn zijn element en daarom speelt het toeval hier zo’n grote rol. De lezer moet – net als de recensent – maar afwachten wat hij in handen krijgt en of zijn nauwe blik in wat hij vangt plots iets ziet oplichten. Hij ziet omdat het meeste hem ontgaat – maar weet dat het nu eenmaal niet anders kan omdat de wereld (anders dan de geleerde denkt) geen overzichtelijk gebouw is maar zelf uit toeval opgetrokken. Het enige wat hij daar tegenover kan stellen is de aandacht die het rondmalen daarvan bevrijdt van de onverschilligheid en daarin iets ontdekt dat schittert. Onverwacht licht er iets op dat ertoe doet, dat er zelfs even alles toe mag doen.

Daarom is deze lezer altijd een enthousiasteling. Hij kan alleen maar lezen omdat hij steeds weer gegrepen is: even voorlopig als totaal – met de toevalligheid die hem al snel weer naar een andere ontdekking zal trekken, waarover hij (als hij bespreker is) opnieuw zijn lezers in vuur en vlam zal willen zetten. Hij is geen gids maar een zoeker naar vondsten en steevast dwaalt hij af van het pad dat er voor hem toch al nauwelijks toe doet. En hij is gul: hij laat de anderen graag delen in datgene wat hij aangetroffen heeft. Hij wil zijn vonk zien overslaan – al is het maar een heel klein vonkje, zo weer uitgedoofd. Hij heeft heel even laten oplichten wat niemand nog gezien heeft.

Die manier van lezen – en vooral van recenseren – zou, tegenover de geleerde, de anekdotische kunnen heten. Niet omdat ze zo graag verhalen vertelt waarom te gniffelen of te dijenkletsen valt. Maar omdat ze zo dicht mogelijk aanschurkt bij de wisselvalligheid die zowel het leven als de literatuur kenmerkt en die opvonkt in het voorval. Voor één kort moment komen in het één of in de ander verschillende golfstroompjes bij elkaar en veroorzaken een effect.

Dat is de stof voor de anekdote: het levensvoorval of het terloops opgenomen boek. En dat effect wordt een verhaaltje – of in het geval van een bespreker een recensie. Het is a short account of an entertaining or interesting incident, zo citeert John Gross de woordenboek-definitie van de anekdote in zijn New Oxford Book of Literary Anecdotes, min of meer bij toeval in dit blad gerecenseerd door Sander Pleij en min of meer bij toeval door mij teruggevonden. Is dat nog wel draaglijk, zoveel toeval? En kan een lezer daar nog iets mee aanvangen? Moet hij zich door zoveel willekeurigheid nog wel laten gezeggen?

Een kleine biecht is op zijn plaats. De voorgaande alinea stelt het toeval wel erg samenhangend voor. In werkelijkheid schept zoveel uitdrukkelijk gewilde ongewisheid zelf haar eigen wet – en daarom was het geen toeval dat Dichters & Denkers een marginaal boek over literaire anekdotiek besprak. De slang bijt in haar eigen staart en maakt zichzelf weer rond. Een literaire bijlage die zo uitdrukkelijk haar kaarten zet op de eenmalige flonkering van literatuur (het éne boek dat oplicht, of de unieke ontmoeting tussen boek en lezer-recensent) heeft met de anekdote een natuurlijke band en weet zich aangetrokken door de ongewisheid daarvan, die zij delen als hun beider strenge wet.

Zo is de willekeur in deze bijlage geen toeval maar haar eigen norm. De smalle ruimte die haar overblijft naast de geleerde, brede stromen van de dagbladsupplementen – maar ook van de trimestrale bijlage Literatuur – dwingt haar niet alleen tot het zoeken van het bijzondere dat elders aan de blik ontsnapt. Ze vormt er ook haar eigen norm van en leest, buiten de paden, wat of hoe elders niet gelezen wordt. Niet het geleerde of het brede-algemene is haar norm, maar de concentratie van de blik, het oog voor het detail en aandacht voor wat elders buiten de canon valt. Ze zoekt niet het verantwoorde maar eerder het ongeziene en onzienlijke. Ketters is ze evenzeer als anekdotisch, want ze weet zich niet bij voorbaat op de goede weg. Ze is nieuwsgierig, licht ontvlambaar – en ze dwaalt.