Commentaar: Vaste boekenprijs

Lezen in de hel

De dochter van de dichters Sylvia Plath en Ted Hughes, zelf ook dichter, meent dat haar stiefmoeder een deel van haar vaders erfenis onrechtmatig voor haar achterhoudt. Afgelopen zondag schreef ze in The Sunday Telegraph over het onrecht. Ze schreef niet: «Waar blijft mijn geld?» maar: «Als ik in een boekwinkel mijn vaders prachtige boeken zie liggen, voel ik me daarvan nu afgesloten.»

Dat moet vreselijk zijn. Hoe vreselijk, dat kan niemand nagaan, want het is een particulier lot — wie is er nu dochter van twee zulke grote dichters? Frieda’s opmerking is typisch voor de wereld van de literatuur, waar het zakelijk eigenbelang bij voortduring wordt gemengd in een amalgaam van emotionele, economische en artistieke argumenten.

Hetzelfde gebeurde bij de presentatie van het initiatiefwetsvoorstel van Femke Halsema (GroenLinks) en Boris Dittrich (D66), waarin de bestaande praktijk in de boekensector, met een vaste boekenprijs, is gecodificeerd. Zowel voor- als tegenstanders gaven er blijk van de betekenis van het boek als artistiek object niet te willen scheiden van de betekenis die het heeft als commercieel product. In de eerste betekenis is een boek te «prijzen» om compositie, stijl, overtuigingskracht, enzovoort, in de tweede betekenis niet. Inderdaad, net als bij een broodrooster, dat behalve als economisch product ook te prijzen valt om kleur, technologische kwalificaties, vormgeving of duurzaamheid. Dit weekblad meent dat er over boeken meer te zeggen valt dan over broodroosters, een opvatting waarvan de roze pagina’s achterin wekelijks getuigen. Maar dat geldt niet waar het dat andere aspect van het boek betreft: dat het een prijs heeft en in de boekhandel ligt.

Femke Halsema zegt: «Er is al te veel van onze sociale en culturele infrastructuur in Nederland in een economische sfeer geplaatst, en dat heeft Nederland niet rijker gemaakt.» Ook zij maskeert economische belangen in misleidende taal. Zo kan ze met «rijk» niet «geld» bedoelen, aangezien de overheidsuitgaven voor cultuur de laatste regeringsperioden alleen maar zijn gestegen. Om het theoretisch gelijk of het belang van de consument is het haar ook niet te doen. «Ons wetsvoorstel is gebaseerd op ervaringsfeiten, niet op wetenschappelijk onderzoek. We hebben nauw samengewerkt met uitgevers en boekverkopers en we hopen dat zij zich in deze wet kunnen vinden.»

Hoe ze zich ook voordoet, Halsema en Dittrich behartigen de belangen, niets meer en niets minder, van de boekhandelaren en uitgevers, zoals andere politici zich geroepen voelen de havensector of de landbouw te beschermen.

Gezien het huidige boekenaanbod en prijspijl is daar niet zoveel mis mee, in weerwil van wat de tegenstanders van een vaste boekenprijs beweren. Schrijver Rik Smits beweert zelfs dat beide kamerleden «een stukje van de weg naar de hel plaveien». Hij begrijpt kennelijk niet wat het wetsvoorstel doet en dat hij al decennia in die hel leeft. Een hel waarin je vooralsnog voor minder dan tien euro grote klassiekers en hedendaagse topromans naar huis mag nemen. Een hel die het waard lijkt bij wet te worden verankerd.