Lezen in een schele wereld

Oek de Jong, De inktvis. Novellen, uitgeverij Meulenhoff, 151 blz., f27,50
IN DE JONGSTE aflevering van het literaire tijdschrift Tirade vaart Jaap Goedegebuure uit tegen zijn collega-critici. In hun besprekingen van De inktvis hebben ze Oek de Jong als een baksteen laten vallen.

Er heeft zich een nieuwe generatie besprekers aangediend, schrijft hij, ‘die zweert bij elegant gestileerd vertier en geen boodschap heeft aan ernst’. Goedegebuure richt zijn pijlen op onder anderen Arnold Heumakers en Janet Luis, over wie men veel kan beweren, maar toch niet dat zij 'zweren bij gestileerd vertier’. Bovendien past de sneer ook niet goed in Goedegebuure’s betoog waarin hij juist de lichtheid van Oek de Jongs literaire toon en zijn relativerende humor probeert te illustreren.
Maar misschien heeft hij gelijk wanneer hij zijn mederecensenten beticht van vooringenomenheid bij de besprekingen van De inktvis. Misschien heb ik zelf wel om die redenen een half jaar geleden de bundel - De inktvis bestaat uit twee novellen na eerste lezing laten liggen. Ik vond het vreemde vertellingen, waar ik niet mee uit de voeten kon. Enerzijds irriteerde me de zweverige devote sfeer, anderzijds viel me wel de zorgvuldigheid van de stijl op. Er was iets waar ik maar niet de vinger achter kon krijgen, een lichte afwijking, bij eerste lezing nauwelijks zicht- of voelbaar, alsof ik in een schele wereld zat te lezen. Nu Goedegebuure het voor de novellen heeft opgenomen, is dat een mooie gelegenheid om de proef eens op de som te nemen en maanden na mijn eerste lectuur van het boek te beginnen aan een herlezing.
IN DE PERIODE van begin september tot eind mei - leert mijn ervaring - verschijnen er wekelijks twee romans of novellen die de moeite van het bespreken waard zijn. De rest valt, soms al na het lezen van twintig bladzijden, af: overproduktie, niet in staat mij bij de les te houden. De keus welke van de twee boeken dan uiteindelijk zal worden gerecenseerd, hangt weliswaar niet altijd van het toeval af, maar ik sluit niet uit dat vooringenomenheid en betrokkenheid daarin een rol spelen. De inktvis kwam terecht op het stapeltje boeken waarvan ik meende dat ik er zeker de volgende week aandacht aan moest besteden, als ik wat meer tijd had en mijn gedachten over het boek wat meer waren uitgekristalliseerd. Maar allengs verdween het boek door de aanwas van nieuwe boeken uit het zicht.
Dat heeft stellig ook te maken gehad met mijn herinnering aan de roman Cirkel in het gras die Oek de Jong in 1985 publiceerde: ik vond dat boek indertijd een nogal zorgwekkend geval van Schongeist, waarin elke zin mij iets te nadrukkelijk zijn literaire waarde wilde bewijzen. Mijn vooringenomenheid tegenover de mystiek, met name de oosterse, als bron van inspiratie voor de literatuur zal ook een rol hebben gespeeld: kennelijk evenals mijn collega’s die De Jongs boek vlak na het uitkomen wel bespraken. In hun recensies refereren ze aan het opstel dat Oek de Jong had bijgedragen aan de bundel Hogere sferen, dat in dezelfde tijd als de novellen verscheen.
Goedegebuure legt in zijn polemiek een vinger op de zwakke plek van de besprekingen: 'De vraag wat nu eigen is aan de mystiek die in “De inktvis” aan bod komt, blijft onbeantwoord.’ Helaas wordt de zelfde vraag in Goedegebuure’s opstel ook onbevredigend uitgewerkt, al heeft zijn stuk mij in een (belangrijk) opzicht overtuigd: er is een dubbelzinnigheid in de mystiek in de novellen. Terecht merkt Goedegebuure op dat deze verkeerd zijn getypeerd als 'parabels’, als 'gelijkenissen’, maar of ze moeten worden opgevat als 'sprookjes’, zoals Goedegebuure meent, waag ik te betwijfelen.
DE NOVELLEN doen eerder denken aan een moderne versie van de beroemde heiligenlevens, zoals ze eertijds werden opgetekend in de legenda aurea. In de eerste novelle, 'De geit’, wordt het heiligenleven van Izaak beschreven, die, verstoten door zijn moeder, op zevenjarige leeftijd werd opgenomen in het klooster van de Vurige Broeders. Toen hij twaalf jaar oud was, werd hij naar Zuid-Beveland gestuurd, waar hij op een hoeve te werk werd gesteld en vriendschap sloot met een geit.
Het zou me niet verbazen als Oek de Jong bij het schrijven van zijn titelnovelle 'De inktvis’ minder zijn kennis van de (oosterse) mystiek als wel de herinnering aan een geschrift van een beroemd voorganger in zijn achterhoofd heeft gehad: de herinnering aan Flauberts 'Faust’: 'De verzoeking van de heilige Antonius’. Het is niet zo dat de visser Damiano in 'De inktvis’ en Flauberts 'Antonius’ zo veel gelijke trekken vertonen (daarvoor is de laatste te zeer een geletterd man die alle kennis van de godsdiensten door zijn hoofd laat gaan), maar in beide gevallen dienen de hoofdpersonen als een projectie van het schrijverschap dat met het kluizenaarschap wordt vergeleken. De schrijver reist tijdens zijn schrijven door een eindeloze verlatenheid. Oek de Jong vertelt het verhaal over een visser in Cefalu, stad aan de noordkust van Sicilie", hij vertelt stilzwijgend en niet zonder spotlust van het heiligenleven van een schrijver die de woestijn en de verlatenheid opzoekt om zich te bevrijden van de demonen, van de immense onrust die ze veroorzaken.
HEILIGEN, bestaan die nog wel in deze moderne tijd, kunnen ze nog wel bestaan? En moet je niet een kluizenaar worden als je je als schrijver niet wilt uitleveren aan het mediacircus, dat zo langzamerhand een conditio sine qua non van het schrijverschap is geworden? Geen van deze vragen komt expliciet aan de orde in de novelle, maar ik las ze tussen de regels door. Damiano, de visser die tot een kluizenaarsbestaan heeft besloten, krijgt in de titelnovelle gestalte in de vorm van een groteske, waarin de typische trekken van de heremiet worden uitvergroot: hij bewerkt zichzelf met een steen, strooit aarde op zijn hoofd, werkt zich op tot een blinde razernij, verbergt zich in het struikgewas en weent.
In de verlatenheid van een nachtelijke zee krijgt hij een visioen. Hij voert een dans uit met een inktvis, die in zijn netten verstrikt is geraakt. De lillende vleesblubber van de tentakels gulpt over zijn gezicht en hij danst, 'steunend van walging en genot’. Hij beklimt de Rots, maakt een tocht naar een afgelegen plek en bouwt er hutten ter ere van zijn schutspatronen en wacht er op een teken. Dat teken komt in de gedaante van een vormeloze vrouw Peppa, die in hem het verlangen naar aanraking en nabijheid oproept. Hij verzeilt op zijn reis vol beproevingen in het Klooster van de Schuwe Vrouwen, waar hij aan nieuwe verzoekingen zal blootstaan.
Deze groteske beschrijvingen van het kluizenaarsbestaan hebben een (serieuze) keerzijde die moet worden gezocht in de uiterst nauwkeurge beschrijvingen van details, van de beleving van een nabijheid, die paradoxaal genoeg een idee van verte oproept. In de evocaties van deze 'auratische’ ervaring - dat wil zeggen van de gewaarwording van zo'n opperste nabijheid als een eindeloze verte - wordt dan iets voelbaar van de mystieke ervaring die Oek de Jong in zijn titelnovelle op het oog heeft.
Als voorbeeld van zo'n gewaarwording citeer ik hier de passage waar Damiano zich herinnert hoe een ezel met achter zich een boer hem eens in een hellende donkere steeg passeerde. Damiano liep de steeg af en hij 'had zich bij het naderen van de ezel ruggelings tegen de muur van een huis gedrukt om het dier te laten passeren. Maar de steeg was te smal: hij raakte beklemd tussen de muur en de bossen mais. Prompt stond de ezel stil. Een ogenblik gebeurde er niets. De vracht mais drukte tegen de zijkant van zijn hoofd, tegen zijn borst en zijn buik. Hij hoorde de ezel ademhalen, rook de jute, voelde de druk op zijn lichaam, en voor een ogenblik was hij van zijn rusteloosheid verlost. Maar toen klonk de stem van de boer, slaperig, hij verontschuldigde zich, spoorde de ezel aan en tikte met zijn stok tegen de achterpoten. Het beest zette zich schrap, rekte zijn hals en ging weer voorwaarts. Jute schuurde langs zijn wang. Hij vervolgde zijn weg, langzaam, helemaal vervuld van deze ene armzalige aanraking, de nabijheid van een naar adem snakkende ezel en een slaperige boer.’
Voorzover in de novelle van Oek de Jong sprake is van mystiek, dan heeft die niet zozeer te maken met de religieuze vormen ervan - die worden hier heel subtiel gei"roniseerd - maar met geintensiveerde zintuiglijke ervaring, waarvoor de woorden ontbreken, zich aandienend op 'een ogenblik dat er niets gebeurt’. Deze dubbelheid van de ironisering van de rituelen waaraan Damiano zich overgeeft, en de gedetailleerde beschrijvingen van details, beschermen de novelle tegen de kitsch en de bloedeloze ernst - gevaren die bij een dergelijk gegeven op de loer liggen.
Het is terecht dat Goedegebuure in zijn Tirade-opstel een correctie heeft aangebracht op het al te negatieve beeld dat in de kritiek van de novellen is geschetst. Toch is het niet zo dat ik na tweede lectuur laaiend enthousiast ben. Wel ben ik gei"ntrigeerd door de lichte bevreemding die deze twee novellen bij mij veroorzaken. De novellen verdienen het - zeker in vergelijking met de grote hoeveelheid overbodige boeken - niet om ongelezen in de kast te verdwijnen.