Lezen voor je leven

Lezen doe je niet om de tijd te doden, maar om intenser te leven. Een essay over bibliotherapie, anti-gletscherboeken en Martha Nussbaum. De lezer als burger: Over literatuur en ethiek. Onder redactie van Thijs Jansen, Frans Ruiter en Jemeljan Hakemulder. Uitg. Kok Agora, 272 blz., f49,90 Raster 69: Over lezen. Uitg. De Bezige Bij, f25,-
ZOMAAR EEN ZATERDAGAVOND in juni. Sonja Barend bezoekt Louisa State, een internaat in Baarn waar kinderen voor dertigduizend gulden per jaar geschikt worden gemaakt voor de maatschappij. De gemiddelde leeftijd van de geinterviewden lijkt vijftien. Allemaal aardige kinderen zo te zien. Ze dragen nog beugels. Je bent benieuwd waar zij hun tanden in gaan zetten als dat gebit eenmaal is gereguleerd.

Sonja vraagt het. Iedereen kiest voor het gespreide bedje. Met als apotheose het meisje dat te kennen gaf in private banking te gaan. Dat leek haar wel leuk. Daar had ze haar vader wel eens over horen praten. ‘Wat is dat?’ vroeg Sonja. 'Dat je hele rijke mensen helpt die niet weten wat zij met hun geld moeten doen.’
Zomaar een maandagmorgen in juni. De vlakke stem van de nieuwslezer meldt dat het vervuilde olieplatform van Shell in de Atlantische oceaan tot zinken zal worden gebracht. Tweede bericht: in Terneuzen wordt gestaakt als protest tegen de gedwongen ontslagen omdat Philips weer eens een plek in de wereld heeft gevonden waar de arbeidskrachten goedkoper zijn.
Daarom zitten die kinderen op Louisa State. Omdat hun vaders voor dat soort bedrijven werken. Omdat hun vaders carriere afhankelijk is van landen waar het onderwijs niet deugt. Zodat zij er zoveel geld kunnen verdienen dat ze hun kinderen voor dertigduizend gulden per jaar van zich kunnen laten vervreemden. Kunnen dumpen, zoals de geinterviewden het zelf noemden. Nee, de Louisa State- pupillen zouden later hun kinderen nooit op een internaat doen. Maar als hun enige ambitie in de voetsporen van paps ligt, zou het daar toch wel eens op uit kunnen draaien.
Hoe die vicieuze cirkel te doorbreken? Misschien zou een leesexperiment voor enige geestverruiming kunnen zorgen. Je zou ze allemaal een dummy moeten geven. Wat volgens Kamagurka het ideale boek is voor iedereen die niet van lezen houdt. In die dummy zou een leesdagboek moeten worden bijgehouden. Ja, moeten - er moet zoveel, dus waarom dat niet geprobeerd? Daarin wordt opgeschreven wat ze denken bij de literatuur die ze voor school moeten lezen. Ze zouden kunnen beginnen met stukjes over te schrijven die ze mooi, grappig of belangrijk vinden. Het gaat juist niet om het gebruikelijke commentaar uit uittrekselboeken. Het gaat om gedachten die al lezende worden losgemaakt. Een soort dagelijkse bibliotherapie. Tenslotte beklaagde bijna iedereen zich over het gebrek aan een emotionele uitlaat.
Want het waren natuurlijk allemaal arme David Copperfieldjes die daar in de weelderige serre van die riante villa zaten. Met als levensgroot verschil dat ze het reddende gezelschap van boeken niet hadden ontdekt. Sommigen waren duidelijk net zo eenzaam als Holden Caulfield in J. D. Salingers The Catcher in the Rye. Die zat ook op een school waar hij voor veel geld tot een 'splendid, clear-thinking young man’ zou worden omgevormd. Maar evenals David Copperfield had hij ten minste de troost van boeken. 'What really knocks me out is a book that, when you’re all done reading it, you wish the author that wrote it was a terrific friend of yours and you could call him up on the phone whenever you felt like it.’
SIMON VESTDIJK SCHREEF in een van zijn essays dat Proust voor hem had gedaan wat geen psychiater voor elkaar had kunnen krijgen. Mario Vargas Llosa zegt zijn leven aan Madame Bovary te danken te hebben. Wittgenstein werd in een moeilijke periode door een boek van Tolstoj in leven gehouden. Nu valt er van schrijvers als Proust, Flaubert en Tolstoj op middelbare scholen natuurlijk niet veel te verwachten. Het probleem van een geschikte canon voor adolescenten is zo oud als het literatuuronderwijs zelf. Maar in het geval van Louisa State zou om te beginnen eens aan Kurt Vonnegut kunnen worden gedacht. De kans is zelfs niet uitgesloten dat iemand bij hem het gevoel krijgt een terrific friend te hebben ontdekt. Zoals Vonnegut dat zelf had met Kafka, en die weer met Kierkegaard en ga zo maar door.
Vonnegut is grappig zonder oppervlakkig te zijn en gebruikt science fiction om dezelfde reden als de Grieken met goden werkten: om met meer afstand iets over ons menszijn te kunnen zeggen. Zoals Marcel Proust op zoek was naar de verloren tijd, zo gaat de roman Jailbird over de vraag of de toekomst nog wel een toekomst heeft. Op de planeet Vicurna raakte de tijd op omdat wetenschappers methoden hadden gevonden om tijd uit de grond, de oceanen en de atmosfeer te winnen - als brandstof voor de verwarming van huizen en speedboten. Ze waren zo in de ban van dit wetenschappelijk tijdverdrijf dat ze op het laatst veel te veel hadden en de tijd in grote afvalbakken lag weg te rotten. De patriottische tijdvuren waren het ergst. Vaders en moeders tilden hun kinderen hoog op en ze juichten en kraaiden van de pret terwijl de brand werd gestoken in miljoenen jaren toekomst. Toen de kinderen groot waren, bleek er nog maar een paar weken tijd over te zijn.
Vonneguts werk is een waarschuwing tegen de immer voortwoekerende technologie. En tegen de ontwikkeling dat de rijken steeds rijker worden en de armen steeds armer. En dat beide groepen steeds dommer worden. De armen worden dom gehouden en de rijken houden zich van de domme. Vonnegut hoopt met zijn boeken tegen beter weten in bij te dragen aan een nieuw ethisch bewustzijn. Wat iets anders is dan een door boycot afgedwongen moraal. Naar aanleiding van zijn roman Slaughterhouse Five heeft hij gezegd dat hij ook wel wist dat een anti- oorlogboek net zo weinig zin had als een anti-gletsjerboek. Maar dat hij het toch van zichzelf moest schrijven.
In De lezer als burger, het beste boek tot nu toe uit de hoek van de literatuurwetenschap met als doel een groter publiek te bereiken, inventariseert Lea Dasberg het onderzoek naar het boek als opvoeder. Het opzienbarendst is het resultaat van twee groepen jonge lezers die naar hun reacties op De Marokkaan en de kat van tante Da van Henk Barnard werd gevraagd. Het boek gaat over kinderen die bij het zoeken naar een poes een Marokkaan in een schuur ontdekken. Er ontstaat een vriendschap tussen de man en de kinderen. Uiteindelijk weten ze zelfs een verblijfsvergunning voor hem te regelen.
Iedereen die aan het onderzoek meedeed, vond het boek leuk. De ene groep kinderen kwam uit de Pijp in Amsterdam, de andere uit een dorp in het Gooi. Beide groepen vonden de Marokkaan erg aardig. Er bleek pas verschil toen gevraagd werd hoe de kinderen in het algemeen over de Marokkanen in ons land dachten. De Gooise kinderen vonden dat ze zielig waren en dezelfde rechten hadden als wij. Maar de Pijp barstte los in alle xenofobe stereotypen die maar te bedenken zijn, schrijft Dasberg. 'Hier sprak de thuisopvoeding, het boek was vergeten.’ Naast ouders, school, vriendjes, vriendinnetjes en televisie is lectuur de opvoeder die 'het minste aantal uren invloed op hen kan uitoefenen’.
Of het nu gaat om de politiek correcte antwoorden van de Gooise kinderen, de xenofobe reacties van de Amsterdammertjes, of de verontrustende ambities van de Baarnse kinderen bij Sonja - de ouders blijken het belangrijkst, zelfs als ze er niet zijn. Als je moeder toevallig Martha Nussbaum heet heb je meer kans dan andere kinderen om op je veertiende David Copperfield van Dickens te lezen. Martha Nussbaum is een Amerikaanse filosofe die net als haar collega Richard Rorty gelooft in de ethische dimensie van literatuur. Voor kinderen en voor volwassenen. Want die moeten natuurlijk ook regelmatig van gedachten veranderen. Net als bij Rorty is het 'gesprek’ ook bij Nussbaum een sleutelbegrip. Lezen staat gelijk aan een waardevolle manier van in gesprek zijn. Met jezelf en anderen.
EEN VAN DE ESSAYS in haar bundel Love’s Knowledge heet 'Reading for Life’. Die titel dekt de lading van alles wat ze heeft geschreven. 'Hoe moeten wij leven?’ is de onomwonden vraag die al haar artikelen en boeken voedt. Grote ethische vragen mogen weer. Grote antwoorden niet. Elk antwoord is contextgebonden. Daarom kan de wijsgerige ethiek in Nussbaums ogen niet zonder literatuur. En de literatuur niet zonder het leven. Die wisselwerking, daar gaat het haar om.
Zo begint zij een essay dat 'Love and the Moral Point of View’ heet, met de zin: 'The summer my daughter fell in love with James Steerforth, she was fourteen and I was forty.’ Dat is een ongebruikelijk opening voor een filosofische verhandeling. James Steerforth is een personage in David Copperfield. Nussbaum maakte in 1987 met haar dochter een rondreis door Engeland en kwam door haar dochters verliefdheid in het afschuwelijke Yarmouth terecht, 'to inspect, so to speak, the scene of the crime’.
Voor zover Nussbaum zich dat aan het begin van haar essay herinnert, was het Dickens’ bedoeling James Steerforth als moreel verwerpelijk voor te stellen. Ze besluit de roman ter plekke te herlezen. In het begin houdt haar vooroordeel stand. Steerforth is iemand waarvoor je je dochter moet waarschuwen. 'Maar toen op een middag, terwijl ik op het strand van Yarmouth in de vroege julizon zat, met mijn rug naar de lelijke casino’s, de goedkope hotels en de blauw en roze geverfde huizen, dwaalden mijn ogen van de bladzijden naar de gulle uitgestrektheid van de donkerblauwe zee die me leek te wenken, ik voelde de wind in mijn gezicht en een soort opwinding in mijn hart, een sensueel genot dat met een nieuw besef van alle dingen om mij heen te maken had, wat weer kwam door wat ik las en dan vooral door de aanwezigheid van Steerforth, door zijn aantrekkingskracht.’
Zo brengt Martha Nussbaum het abstracte filosofische denken op smaak. Het blijft niet zo smeuig, maar het morele punt dat zij hier maakt, is dat zij het boek anders leest onder invloed van haar dochter. Het epifanische moment dat daaruit voortvloeit is een verzadigingspunt van affecties. Het is als het ware de gezonde variant van een multiple personality syndrome. Geen stoornis maar een feestelijk meervoudig bewustzijn. In plaats van dissociatie en gespletenheid is er sprake van associatie en een ontmoeting van alle persoonlijkheden waarvan zij op dat moment vervuld is. Nussbaum is tegelijkertijd zichzelf, zij is Dickens (de geciteerde alinea is in zijn stijl geschreven), zij is haar dochter en ze vereenzelvigt zich met de aan verliefdheid grenzende vriendschap tussen David Copperfield en James Steerforth.
LEZEN IS HIER DUIDELIJK een daad, niet iets passiefs. Het is geen vlucht uit de werkelijkheid maar zet aan tot met nieuwe ogen kijken. Het is wat de filosoof Paul van Tongeren in De lezer als burger een 'ontdekkende activiteit’ noemt, met een sterk 'gebeurlijk’ karakter. Het unieke van literatuur is misschien wel dat het de belofte van dit soort momenten inhoudt. Van Tongeren noemt de betekenissen die in literatuur besloten liggen 'middelen van verstaan’ die even belangrijk zijn als middelen van bestaan. 'De literatuur biedt ons de mogelijkheid waar te nemen wat we normaal gesproken niet zien.’ Of zoals Nussbaum het in Love’s Knowledge verwoordt: 'to live a fuller and richer life’ dan we op ons eigen houtje kunnen verwezenlijken.
Daardoor bestaat het gevaar dat boeken belangrijker worden dan mensen. George Steiner, even overtuigd van de verstrekkende waarde van lezen, zei vorig jaar in Filosofie Magazine geen antwoord te hebben op die schizofrene positie van literatuuronderwijs. 'Als je de hele dag met studenten aan King Lear werkt en je komt ’s avonds thuis, dan is de schreeuw in de straat van iemand die wordt aangevallen of verkracht volledig onwerkelijk vergeleken bij de schreeuw van Cordelia. Hoe kunnen we leven met Cordelia en tegelijkertijd de schreeuw in de straat horen, zelfs scherper horen, zodat we wat kunnen doen. Ik heb daar geen antwoord op, niemand heeft enig antwoord.’
Cesare Pavese had daar een hele andere mening over. 'Boeken zijn geen mensen, het zijn middelen om bij mensen te komen. Wie van ze houdt en niet van mensen, behoort tot de oppervlakkigen of tot de verdoemden.’ Zo streng is Martha Nussbaum niet, maar ze denkt er wel ongeveer zo over. Ze schuift het wantrouwen ten aanzien van literatuur resoluut ter zijde om er haar vertrouwen voor in de plaats te stellen. Omdat we niet aan de gang kunnen blijven met het afzagen van de tak waarop wij zelf zitten. We moeten nu maar eens leren vallen. 'Learning to Fall’ heeft met moedig leven en onze onvermijdelijke kwetsbaarheid te maken. Daarom moet het met aandacht gebeuren, kind of slow, zodat je in dezelfde beweging als het ware weer kunt opstaan.
DE INVLOED VAN MARTHA Nussbaum is enorm. Niet alleen in Amerika. In De lezer als burger komt zij vrijwel in elk artikel ter sprake. Het boek is doortrokken van haar neo-aristotelische manier van denken. Het 'goede leven’ en 'vriendschap als perspectief’ zijn alom aanwezig. Ook hier gaat het in elk stuk om lezen voor je leven. Om te leren oordelen en veroordelen, maar vooral om je oordeel op te schorten of te herzien. Door vertrouwen, openheid, wederzijdsheid en generositeit kan de morele impotentie van het postmodernisme worden overwonnen. Alleen zo kunnen we met de duizelingwekkende waarheden waar dit denken ons van heeft doordrongen, leren leven.
Lezen is een intensieve vorm van luisteren. Daar schort het nogal eens aan, net als aan inlevingsvermogen. Literatuuronderwijs is daarom op alle niveaus een noodzaak. Onderzoek naar de verstrekkende invloed van literatuur is nog maar net begonnen. Op de letterenfaculteit zou niet moeten worden bezuinigd; er zou juist in moeten worden geinvesteerd. Het overheidsgeld moet niet naar een vijfde baan bij Schiphol maar naar de plek waar vaardigheden worden ontwikkeld die ertoe bijdragen dat meer mensen in de toekomst over mentale Air Miles kunnen beschikken. Daar wordt de hele wereld beter van.
De boeken van Nussbaum en De lezer als burger zijn misschien anti-gletsjerboeken, maar je voelt dat ze moesten worden geschreven. 'Hoe leggen we de minister uit wat de schrijver Gerrit Krol bedoelde toen hij schreef dat je toch wel eigenlijk elke dag met een stok in je ziel moet roeren en dit doet door middel van kunst’, schreef Willem van Toorn enige jaren geleden in De Gids. De lezer als burger probeert dat uit te leggen. Net als het voorlaatste nummer van Raster, dat ook al helemaal over lezen gaat.
Je zou bijna van een nieuw paradigma kunnen spreken. Het woord 'lezen’ slaat als metafoor op een ongekende manier de vleugels uit. Rasters Over lezen-nummer heeft van alles met overleven te maken. Het nummer staat boordevol hartververwarmende uitspraken die je, als je een leesdagboek bijhield, allemaal zou willen overschrijven. Want wat is het mooi als Margriet de Moor over het boek zegt dat het je eenzaamheid streelt. En je waardigheid. De lezer luistert namelijk niet alleen naar het boek, het omgekeerde is ook het geval. Daarom kan Kees Fens in zijn bijdrage schrijven: 'Het boek leest de lezer.’
Ook de stukken in Raster willen laten zien dat lezen iets is dat je niet doet om de tijd te doden maar om intenser te leven. Dat je boeken niet moet verslinden, maar langzaam lezen, opkijken, peinzen, staren, vergelijken.
Langsamkeit is een kwaliteit die volgens de Duitse filosoof Peter Sloterdijk op dit moment het meest aan de wereld ontbreekt. De Duitse uitgever Michael Kruger heeft het in Raster over literatuur als vertragingsmiddel. Margriet de Moor over de 'gelukzalige traagheid’ van de roman. Omdat lezen, als het goed is, leesdenken is. 'Dank zij het boek verdwaal ik al lezend in mijn eigen hoofd’, schrijft Arnold Heumakers.
Waarom klinkt er bij al die mensen die over lezen schrijven, iets door alsof zij weten hoe ze moeten leven? In Italo Calvino’s boek De onzichtbare steden zegt iemand: 'De hel van de levenden is niet iets wat zal zijn; als er een is, dan is het de hel die hier al is, de hel die wij dag in dag uit bewonen, die we vormen door onze samenleving. Er zijn twee manieren om er niet onder te lijden. De eerste valt velen makkelijk: de hel aanvaarden en er deel van gaan uitmaken tot je op het punt bent gekomen dat je hem niet meer ziet. De tweede is riskant en vereist ononderbroken aandacht en studie: zoeken en weten te herkennen wie en wat er, te midden van de hel, geen hel is, en dat laten voortduren, en er ruimte aan geven.’
Het is alsof al die beroepslezers voor de tweede optie hebben gekozen. Misschien komt dat wel omdat ze al hun hele leven in bibliotherapie zijn.