Lezers ontluiken

Wie hoopt dat zijn kind een lezer wordt, is al lang vóór de onthulling van de geheimen van ‘maan, roos, vis’ in de weer. Er zijn liedjes te zingen, versjes te zeggen en spelletjes te spelen. Er dient duidelijk gemaakt dat de bladzijden van een boek niet bedoeld zijn om te verscheuren of op te eten, maar om voorzichtig om te slaan, zodat zich nieuwe verrassingen kunnen aandienen. Al kletsend en keutelend wordt er zo gewerkt aan iets dat tegenwoordig gewichtig ‘ontluikende geletterdheid’ heet. Belangrijk onderdeel daarin is het samen kijken naar, benoemen van en praten over plaatjes. Dat kan met de reclamefolder van de Hema of de speelgoedwinkel, maar er dienen zich met dat doel ook mooi en slim gemaakte prentenboeken aan.

Zo'n boek is Wie. De bedenker Dirk Nielandt vraagt van de kleine lezers in spe dat ze heel goed kijken en al behoorlijk kunnen deduceren en combineren. Op de linkerbladzijde wordt een vraag gesteld: wie gaat naar school? Of: wie is bloot? Op de rechterpagina krioelen zeer uiteenlopende types door elkaar, waarvan er één echt naar school gaat, dan wel helemaal bloot is. In het laatste geval zien we een peuter in z'n hemdje op de po, een kind in zwempak, een totaal ingepakte eskimo, een negermeisje met een rokje, een dame in vleeskleurig mini-jurkje, een heer met zichtbare bilspleet boven zijn afzakkende shorts, een moddervette sumoworstelaar met schaamlap, een roze biggetje en een onmiskenbaar blote, zichtbaar plassende baby. Marjolein Pottie maakte grappige, karikaturaal getinte tekeningetjes met duidelijke details, waarover kind en volwassene eindeloos kunnen praten en van mening verschillen. Een stadium verder is het tekstloze prentenboek, waarin de opeenvolgende platen samen één verhaal vormen. Het is een in ons land weinig beoefend genre (Dick Bruna: Boek zonder woorden, Dieter Schubert: Monkie). De maker moet niet alleen illustrator zijn maar ook verteller, en zijn beeldend vermogen dient zo groot te zijn dat woorden overbodig worden. Blote beer van Daan Remmerts de Vries is dan ook een bewonderenswaardige prestatie. De gebeurtenissen zijn grappig en vertederend. Op pagina één komt een bruine beer aangewandeld met een miezerig meisjesfiguurtje op zijn rug. Bij het water trekt ze haar jurkje uit om te gaan zwemmen. Tot onze verbazing blijkt beer van achteren een rits te hebben, zodat hij zich van zijn vacht kan ontdoen om met roze reuzebillen te water te gaan. Helaas is de berejas later verdwenen. Hij wandelt op honderden mierepootjes een eind verderop en beer moet zich met groeiende blossen de hoon en schaterlach van het totale bos laten welgevallen. De ruim opgezette prenten zijn zorgvuldig gecomponeerd in een samenspel van tekening en papiercollage. Aan de hemel hangen bijvoorbeeld wolken van ouderwets roosjesbehang. Prachtig zijn de emoties verbeeld: de onbekommerde lol in het water, de schaamte van beer die in zijn enorme blootje rondsjokt met de poten voor zijn kruis en de van pret dubbelgeklapte pestdieren. Het lijkt me een soort geletterdheid, waarin je als volwassene met een klein mens op schoot graag een beetje mee ontluikt.