Wij weten niets van hun lot

Lezersreacties

Wij weten niets van hun lot (1)

In hun essay over nivellering in de geschiedschrijving (in De Groene Amsterdammer van 13 december) schrijven Eveline Gans en Remco Ensel dat Bart van der Booms boek ‘Wij weten niets van hun lot’ past 'in een al langer bestaand landschap van nivellering’ van verschillen tussen daders, omstanders en slachtoffers, getoonzet door Chris van der Heijdens Grijs verleden. Zij adstrueren dit landschap met voorbeelden (latere boeken van Van der Heijden, pogingen tot 'verzoening’, het Waffen-SS'er-gedicht, et cetera), die ik overigens evenals de schrijvers uiterst kwalijk vind.

Maar zij slaan de plank volkomen mis als zij het boek van Van der Boom in deze trend van nivellering menen onder te kunnen brengen. Over Grijs verleden schrijft Van der Boom: 'Het gedrag van de Nederlander in bezettingstijd was een compromis (…) tussen verontwaardiging over onrecht, hoop dat het snel voorbij zou zijn, een verlammend gevoel van machteloosheid, aangewakkerd door een grote angst voor straf. Van der Heijden noemt dat compromis simpelweg grijs (…). Daardoor blijft in zijn weergave onzichtbaar, dat haat jegens de bezetter en zijn program kon samengaan met gehoorzaamheid; dat accomodatie iets anders is dan onverschilligheid, laat staan instemming’ ('Wij weten niets van hun lot’, blz. 386).

Het boek bevat menige passage waaruit juist een anti-nivelleringstendens spreekt.

'Hoewel niet-Joden geenszins onverschillig stonden tegen het onrecht de joden aangedaan, waren de deportaties voor hen niet levensbedreigend. De inschatting van Polen was voor hen ook geen kwestie van praktisch belang, anders dan voor de Joden. Die moesten immers op basis van die inschatting handelen: onder­duiken of niet? Waar bij niet-Joden altijd de verdenking blijft hangen dat het hele onderwerp hen niet interesseerde, is dat bij Joden uitgesloten’ (blz. 314).

Overigens noemt Van der Boom onwetendheid over het lot van de joden 'geen afdoende verklaring voor het gedrag van de Nederlander in bezettingstijd, maar ze is wel een noodzakelijke verklaring. Wie haar weglaat, moet de betrokkenen vrij extreme sentimenten toedichten: suïcidale berusting, vergaand zelfbedrog (van de kant van de joden - jb), door en door cynisch egoïsme, koele onverschilligheid, laakbare lafheid en zelfs een voorheen slapend maar op het fatale moment ontwakend antisemitisme (van de kant van de omstanders - jb)’ (blz. 415/6).
Jan Blok, Bergen (NH)

Wij weten niets van hun lot (2)

‘Ik wist van niets’, schrijft mijn oom Simon op 19 september 1942. Voor Bart van der Boom zou dat aanvullend bewijs kunnen zijn van het gebrek aan kennis over de holocaust. Het essay van Evelien Gans en Remco Ensel uit De Groene Amsterdammer van 12 december noemt hij in zijn blog van 14 december ‘beschamend en dom’. De reden daarvoor is dat Bart van der Boom zich in zijn goede bedoeling voelt aangetast.

Al eerder heb ik in De Groene Amsterdammer gezegd dat Van der Boom een uitstekend beeld heeft geschetst van hoe de deportatie verliep. Wat mij betreft mag hij dáárvoor gelauwerd worden. Ik heb echter grote kritiek op zijn onderzoeksmethode. Gans en Ensel zeggen daarover wel iets, maar zij laten de essentie van gerechtvaardigde wetenschappelijke twijfel weg. Daarmee lijkt het op drijfzand gebouwde kaartenhuis van Wij weten niets van hun lot nog steeds onaangetast. Helaas, dat is niet terecht.

De methode-Van der Boom bestaat vooral uit pseudo-wetenschap. Je kunt er ongeveer alles mee bewijzen. Laat ik dat toelichten in een ‘bewijs’ dat de gewone dagboekenschrijver niet heeft geweten van de bevrijding van Nederland. Daarvoor moeten we eerst de bevrijding van Nederland definiëren als een maandenlang durende, complexe militaire operatie. Hiertegen kan toch niemand bezwaar maken? Die complexe militaire operatie vereiste de inzet van onder meer infanterie, artillerie, cavalerie en luchtmacht. En, vanzelfsprekend, een groot aantal manschappen, voertuigen, munitie, vuurmonden en wat er al niet nodig is om legereenheden te faciliteren. De door Van der Boom geraadpleegde dagboeken zeggen helaas niets over precieze aantallen. Sterker nog, woorden als artillerie en cavalerie komen er niet in voor. Bovendien: bevrijding wordt vooral ervaren als het wapperen van de Nederlandse driekleur. Kortom, écht geweten van de bevrijding heeft de gewone Nederlander niet. Men veronderstelde iets, men vermoedde iets, maar wéten, ho maar.

Zo kun je ook bewijzen dat de bevrijders blootsvoets naar Nederland zijn gekomen omdat er niet over hun schoeisel wordt gesproken (in tegenstelling tot het veelvuldig genoemde laarzengekletter van de Duitsers). Sterker nog, één dagboekschrijver heeft het over de relatieve stilte waarmee geallieerde soldaten door de stad trekken. En zegt ook niet iemand dat zij in tegenstelling tot de Duitsers géén helden op sokken waren? Die laatste mededeling doe ik omdat Van der Boom de titel van zijn boek zo letterlijk neemt. Het is toch niet zo vergezocht om ‘Wij weten niets van hun lot’ – het citaat van Etty Hillesum – te interpreteren als ‘Wij vrezen het ergste’. Van der Boom zal tegenwerpen dat ‘vrezen’ net zo min ‘weten’ veronderstelt. Hij heeft gelijk, maar daarin vecht hij tegen windmolens. Geen zinnig mens beweert dat wij – bijvoorbeeld op 19 september 1942 – konden weten dat er een industriële massamoord gaande was. Dat is ook niet relevant. Van der Boom voert voldoende feiten aan die aantonen dat wij een stevig vermoeden konden hebben van een verschrikkelijk lot.
Ron van Hasselt

Wij weten niets van hun lot (3)

Het was onverantwoord wat mijn ouders in de oorlog deden. Want ook ‘zij wisten van niets’. En toch namen ze joden in huis. In 1943 een jongen van zestien die na een tijdje weer vertrok omdat hij dacht kans te hebben het land uit te komen om via Spanje Engeland te bereiken. Eind 1944 kwam een Amsterdams echtpaar bij ons inwonen dat tot de bevrijding bleef.

Klein behuisd, een kind van twee en een van één en een derde op komst, dat was de situatie waarin mijn ouders verkeerden. En toch meenden ze niet te mogen weigeren toen hun gevraagd werd joden onderdak te willen geven. En zo was er joodse kraamhulp in huis toen ik begin februari 1945 werd geboren.

Bij ons in het dorp (in de Friese Wouden) woonden geen joden. Maar mijn ouders waren genoeg geïnformeerd om wat betreft het lot van de gedeporteerde joden het ergste te vrezen. Om ‘een stevig vermoeden te hebben’ dus dat ‘een verschrikkelijk lot’ hen wachtte (zie De Groene Amsterdammer van 10 januari). Want als ook kleine kinderen en bejaarden worden weggevoerd, weet je genoeg. En wie het zelf niet hadden gezien, wisten het wel van mensen in de regio die in eigen stad(je) of dorp er wel getuige van waren geweest.

Mijn ouders waren geen helden. Met Gods hulp vergaarden ze moed om te doen wat ze meenden te moeten doen. Erop vertrouwend dat hun omgeving hen niet zou verraden. Maar controle daarover hadden ze niet. Heiligen waren mijn ouders wel, want dat ben je al gauw als een heidense bende je land regeert en je daar niet compleet in meegaat.

Toen het boek Grijs verleden van Chris van der Heijden verscheen was er op tv een discussie tussen de auteur en Ed van Thijn, zoals nu het boek van Bart van der Boom ‘Wij weten niets van hun lot’ nogal wat discussie geeft. Van der Heijden meende Van Thijn erop te moeten wijzen dat de mens van nature slap is. Van Thijn wilde dit zonder meer beaamd hebben. Tegennatuurlijkheid redde dus het leven van joden. En die uitzonderlijkheid, zo meende daarom Van Thijn, desavoueert Van der Heijden met zijn boek. Wetenschap betaamt dat niet. Want ze schoffeert niet, maar sauveert.
Fokke van der Heide, Zwolle

Wij weten niets van hun lot (4)

De Groene Amsterdammer is de afgelopen weken het strijdtoneel geworden van de felle discussie tussen Evelien Gans en Bart van der Boom over zijn boek ‘Wij weten niets van hun lot’. Daarin wil hij aan de hand van dagboeken aantonen dat de gewone Nederlander te weinig wist van de holocaust en daarmee de ‘twijfel van verzet’ begrijpelijk maken. Onduidelijk was immers welke strategie het best zou werken om joden te redden. Gans verwijt Van der Boom met deze feiten ons morele falen weg te poetsen door moedwillig het verschil tussen daders en slachtoffers te ‘nivelleren’, terwijl Van der Boom haar beschuldigt van onwetenschappelijke desinteresse. Kortom, een mooi potje moddergooien voor historici, niet met een historische maar een morele waarheid als inzet: waren wij goed of fout. Dit lijkt me meer voer voor filosofen.

Het uiteindelijke morele oordeel is immers niet alleen afhankelijk van de feiten maar ook het gevolg van de morele uitgangspunten die daarbij worden gehanteerd. Bart van der Boom komt uit de utilitaristische school die ervan uitgaat dat handelen – zoals het leveren van verzet om medeburgers te redden – een afweging is van kosten en baten: hoeveel gevaar en nut levert hulp aan medeburgers op. Deze burger gaat uit van kennis van feiten, bij voorkeur zo hard mogelijk, het onderwerp van zijn boek. Onzekerheid over de uitkomsten verkleint zijn handelingsperspectief en maakt hem dus passiever.

Evelien Gans voert de morele toets van geschiedenis op meer kantiaanse wijze uit: behandel een ander zoals u zelf ook behandeld wilt worden, een plichtencultuur. Daarin is elk gebrek aan hulp aan joden, ongeacht de (exacte) kennis van de holocaust, onaanvaardbaar. Het afvoeren van joden – algemeen bekend en zichtbaar – is dan al voldoende reden om in actie te komen.

Vanuit een plichtenmoraal is de houding van de gewone Nederlander dus laakbaar, maar voor een utilitarist is hij begrijpelijk en dus verdedigbaar. Ik vrees dan ook dat een moreel oordeel over de houding van de gewone Nederlander tijdens de Tweede Wereldoorlog niet kan worden geveld op basis van uitsluitend de feiten, maar vooral het gevolg is van ons morele vertrekpunt. Van der Boom ziet in dezelfde mensen vooral verstandige landgenoten die Gans als bangeriken zonder ruggengraat beschouwt. Voor een filosoof is het denkbaar dat het Nederlandse volk niet alleen te weinig wist om praktisch adequaat te handelen maar tegelijkertijd ook moreel gezien onvoldoende was toegerust om een onverwachte ontwikkeling als de jodenvervolging te kunnen voorkomen. Meer kennis had dan mogelijk ook weinig uitgemaakt, maar dat is alleen te bewijzen door de geschiedenis te herhalen. We kunnen de gewone Nederlander dus zowel begrijpen als verachten. ‘Wij weten niets van hun lot’ levert daarvoor voldoende stof.

Peter van der Boom, student filosofie

Wij weten niets van hun lot (5)

Het essay van prof. Evelien Gans en dr. Remco Ensel in De Groene van 13 december 2012 heb ik met grote belangstelling gelezen. Het boek van dr. van der Boom heb ik niet gelezen. Dat ervaar ik nauwelijks als een bezwaar omdat in het essay de kwesties waar het om gaat duidelijk aan de orde komen.

Eerst iets over mijzelf. Ik ben geboren in 1930, zoon van een joodse vader en een christenmoeder. De oorlogstijd herinner ik mij nog heel goed. Wij woonden in Den Haag.
Het antwoord op de vraag 'wat wisten wij’ (ik vereenzelvig mij hier met joden en niet-joden) in die tijd van de vreselijke dingen die de joden nog te wachten stonden is: niets. Als beweerd wordt dat er al wat bekend was over de vernietigingskampen is dat niet in overeenstemming met de werkelijkheid van die tijd. Wij dachten natuurlijk wel dat het met de joden slecht zou aflopen, maar hoe en waar was absoluut onbekend. Alles wat wij nu weten is van na de oorlog.
Op grond van wat joodse vluchtelingen in 1939 hadden verteld (de feiten hierover zijn voldoende gedocumenteerd) wist men van het bestaan van concentratiekampen, hoofdzakelijk in Duitsland, maar veel meer niet.

In de oorlogstijd was iedereen bang voor represailles van de bezetter, want als je je verzette kon je te maken krijgen met gevangenneming, ondervraging, marteling, gevangenkamp in Nederland of Duitsland, of executie.
Wilde je de oorlog overleven, dan moest je vooral niet opvallen, je neutraal houden, niet boven het maaiveld uitkomen en wachten tot het allemaal voorbij zou zijn. In mijn vaders kringen werd dan ook gezegd 'deisje, niks bedibberen’, wat betekent 'houd je koest en bemoei je nergens mee’ - een sneer naar DNB (Rost van Tonningen). Al had ik als kind niet zo heel veel te vrezen, toch voelde ik die angst ook en ervoer dat ik waarschijnlijk niet moediger was dan de meeste mensen.
Afgezien van nog andere factoren was die angst op zichzelf al reden genoeg om je niet te verzetten tegen het vervolgen van joden. Het was gewoon te gevaarlijk.
Al vanaf het begin van de oorlog toen de Duitsers begonnen met het stelselmatig isoleren van de joden van de samenleving stonden de joden er alleen voor, door iedereen in de steek gelaten. Dat is zo gebleven tot het einde van de oorlog.

Alles wat ik hier schrijf geldt niet voor de relatief kleine groep mensen die zich tegen de Duitsers, in welke vorm dan ook verzetten en/of joden hebben geholpen. Voor hen heb ik groot respect.
De bevolking zag natuurlijk heel goed wat er gebeurde, keurde het niet goed, maar moest machteloos toekijken. Daar komt nog bij dat tijdens de oorlog de houding van grote delen van het volk ten opzichte van joden, dezelfde was als die van voor de oorlog - joden vormden een aparte groep in de samenleving, zijn altijd vreemden gebleven en waren weinig geliefd. Op z'n gunstigst werden zij (door de eeuwen heen) getolereerd, maar zeker niet echt geaccepteerd.
Die anti-joodse houding speelde een grote rol tijdens de bezetting, niet openlijk maar onderhuids.
Aan de ene kant was er de onmacht zoals boven beschreven, aan de andere kant vormde de vervolging van de joden een soort legitimatie voor de eigen houding 'zie je wel, wij hadden het toch niet helemaal bij het verkeerde eind’.
Ik stond erbij toen buren van zojuist weggevoerde joden op de stoep voor hun portiek stonden na te praten. Zij waren zeker aangeslagen door wat zij net hadden gezien. Zegt de een 'hun verdiende loon’ en een ander 'eindelijk krijgen ze hun trekken thuis’. Dit is exemplarisch voor wat ik hier bedoel.

Keken wij letterlijk gesproken niet de andere kant op, figuurlijk gesproken wel. Het nazigeweld trof immers die andere groep in de samenleving, waar wij niet alles mee hadden en ons moeilijk mee konden identificeren.
Dat werd anders toen in '43/44 de deportaties praktisch waren voltooid en de aandacht van de Duitsers zich verhevigd richtte op pastoors en dominees en op verzetsmensen in het algemeen. Toen kwam er iets over de bevolking in de geest van 'nu moeten we uitkijken, wij zouden ook wel eens aan de beurt kunnen komen’.
Bij dit alles moet men niet vergeten dat de bevolking in de strijd om de dagelijkse overleving in steeds nijpender omstandigheden kwam te verkeren.

Sommige familieleden van mijn vader kwamen bij ons langs om afscheid te nemen, meestal de dag voor zij op transport moesten. Uit de gesprekken die toen gevoerd zijn weet ik met zekerheid dat deze mensen absoluut geen idee hadden van wat hun te wachten stond. Zij dachten dat ze naar concentratiekampen in Duitsland of nog verder gestuurd zouden worden om keiharde dwangarbeid te verrichten. Nou dat konden ze wel.
Maar diep in hun hart vreesden zij het allerergste. Murw geslagen als ze al waren, probeerden ze toch nog een lichtpuntje te zien.

In het begin van de deportatietijd kwamen mijn neef en zijn vriendin op bezoek. Zij spraken over de vraag of zij in de huidige omstandigheden, waarin zij alles al hadden verloren en met een deportatie in het vooruitzicht, nog zouden trouwen, want 'dan hebben wij elkaar tenminste nog’. Zo is het gebeurd, hoorden wij later. Zij hebben Auschwitz overleefd.

Tante Marie kwam afscheid nemen. Zij zat in de vensterbank naar buiten te kijken, zong voor ons een liedje, een liedje dat in die tijd populair was. Het was een wanhoopsdaad, dat wisten wij allemaal. Maar dat konden we niet tegen elkaar zeggen, want er moest nog hoop blijven.
Een oom kwam langs. Hij zou de volgende dag op transport gaan. Mijn vader was even niet thuis. Bij het weggaan stond mijn moeder boven aan de trap. Na een paar treden keerde hij zich om en greep mijn moeder onder de rok. Ik hoor haar zeggen 'Joop dat je daar nú aan denkt’, waarna mijn oom met gebogen hoofd zonder een woord snel het huis verliet.
Hoewel ik hevig ontdaan was, begreep ik als kind al dat dit een daad was van een wanhopige, een veroordeelde, die wist dat repercussies niet meer mogelijk waren.

Over de onderduik worden veel onjuiste dingen beweerd. In naoorlogse beschouwingen lijkt het soms wel of velen stonden te wachten op joodse onderduikers. Niets is minder waar. Onderduikers in je huis nemen bracht voor de onderduikgever grote risico’s mee. Wie joden beschermde was een vijand van de nazi’s. Het was heel, heel moeilijk om een betrouwbaar adres te vinden, waarvan je wist dat de mensen aan de goede kant stonden.
Heel veel joden (vooral uit de grote steden) waren straatarm en hadden vaak grote gezinnen. Zij konden geen kant op. Voor hen was onderduiken onmogelijk. Wie geschikte contacten had in niet-joodse kringen had meer kans. Had je nog geld of sieraden, dan hielp dat ook. Ik bedoel hier niet te zeggen dat iedere onderduikgever hier op uit was - velen hebben uit puur menslievende motieven gehandeld. Onderduikers moest je ook te eten geven. Maar onderduikers kregen geen bonnen voor voedsel en kwamen dus geheel ten laste van het gezin waar zij verbleven. Soms kwamen er bonnen via de ondergrondse en, zolang er nog voedsel was, hielp dat enorm.
Het gebeurde ook dat, zodra geld en goederen op waren, de joden alsnog werden verraden. Verraders waren er genoeg, overal.
Onderduikers opnemen was geen sinecure, zeker niet in de grote steden waar veel mensen kleinbehuisd waren, kinderen hadden en een kleine beurs. Alles moest in het diepste geheim en niemand wist hoe lang het allemaal zou duren. Dat bracht hele grote spanningen teweeg.
In het eerste of tweede oorlogsjaar - ik herinner het mij niet goed - hadden wij enige tijd een tante in huis (kleine bovenwoning met vijf kinderen), in afwachting van een geschikt onderduikadres. Al na een paar weken hadden mijn moeder en zij de grootste ruzies, meestal over triviale zaken zoals hoe je het best een aangebakken juspan kan schoonmaken.
Na de oorlog kon je onderduikgevers horen zeggen 'ik zou het nooit nog eens doen’. Ver na de oorlog zei een joodse kennis die zelf ondergedoken was geweest: 'Ik zou niet weten wat ik zelf in die omstandigheden zou hebben gedaan.’

Nu een ander punt uit de discussie: zou het wat hebben uitgemaakt als het volk wel had geweten van de vernietigingskampen? Op grond van wat ik beschreven heb durf ik te zeggen: nee, helemaal niet. Want die feitelijke omstandigheden zouden dezelfde gebleven zijn. De gestelde vraag is een naoorlogse constructie bedoeld om ons geweten te sussen. Dat is geschiedvervalsing.

De weinige joden die na de oorlog terugkwamen kregen geen gul onthaal. Er was onbegrip en een houding van 'zijn jullie er weer, we dachten net dat we van jullie af waren’. Wat de joden hadden meegemaakt is nooit helemaal door de achterblijvers begrepen. De ervaringsafstand was eenvoudigweg té groot. Zoals altijd hebben wij van het verleden niet geleerd. Ironisch genoeg hebben zij die het meest hebben meegemaakt het meest geleerd.

Maurits Sanders

Wegkijken
Wij weten niets van hun lot (6)

In reactie op de discussie rond het boek van Bart van der Boom Wij weten niets van hun lot schreef Guus Meershoek in de Groene van 31 januari jl. een helder artikel over de taak van een historicus. Aan de hand van het boek van Van der Boom komt hij tot de slotsom dat voor een historisch inzicht over een gebeurtenis in het verleden de belangrijkste betrokken partijen moeten worden gedefinieerd en in een onderling samenhangend verband moeten worden gebracht. Van der Boom zou dat onvoldoende hebben gedaan.

Aan die taak zou ik nog een opdracht willen toevoegen, namelijk het geven van een antwoord op de vraag: is er een band tussen het verkregen historisch inzicht en de praktijk van het hedendaagse bestaan? Niet dat een historicus verplicht zou moeten worden deze vraag te beantwoorden. Aan het schrijven van een verhaal (een historie) is de plicht tot maatschappelijke relevantie niet verbonden. Maar als een verhaal van een historicus tot zulke emotionele botsingen leidt als dat van Van der Boom, dan kun je de vraag stellen of het geven van een verband met het hedendaagse bestaan niet gerechtvaardigd is.

Van der Boom en zijn opponenten zouden een dergelijk verband kunnen samenvatten met het begrip “wegkijken”. Als een groep joden tijdens de 2de wereldoorlog wordt afgevoerd, zullen veel mensen elkaar hebben aangekeken, er zachtjes schande van hebben gesproken en overgegaan zijn tot de orde van de dag. Ze keken weg. Als een ziekenbroeder van de GG en GD een bedlegerige jood naar de trein bracht, keek hij ook weg. Het was zijn beroep, zijn bron van inkomsten en hij wilde graag zijn gezin blijven onderhouden. Hij wilde geen last. De vraag waar Van der Boom en zijn opponenten echter in blijven steken is: is dit wegkijken in de context van de 2de wereldoorlog verwijtbaar of niet. Van der Boom zegt van niet. Zijn opponenten zeggen dat ze daar hun vraagtekens bij zetten.

Ik denk dat er aan deze vraag een vraag vooraf gaat: kunnen we in de huidige tijd aan onszelf vormen van wegkijken terugvinden en als we die vormen vinden wat gebeurt er dan met ons; hoe rechtvaardigen we ons wegkijken?

In de publieke ruimte word ik regelmatig geconfronteerd met mijn “wegkijken”. Het begint met het lege koffiebekertje dat naast de prullenbak ligt; het is niet mijn bekertje. Ik voel enig ongemak, maar ik raap het niet op. Vervolgens zie ik twee mensen slaande ruzie maken over een fiets. Ik zou deze mensen graag tot rede willen brengen, maar ik voel me verlamd. De intuïtie hoe dit aan te pakken is er niet. De spanning van de ruzie slaat op mij over. Ik vlucht en kijk weg. Op You Tube zie ik de afloop, spreek er schande van en ga over tot de orde van de dag. Tegen mijn vrouw zeg ik: “De volgende keer grijp ik in.” Maar ik weet dat die volgende keer niet komt.

Het moment dat ik niet wegkijk, bepaal ik niet zelf. Dat wordt bepaald door “de voorzienigheid”, zoals waarschijnlijk met die jongen in Eindhoven is gebeurd. Hij ziet een groep jongens tegen een fiets schoppen en roept spontaan: “Moet dat nou!”. Daarop heeft de groep zichzelf ter plekke geautoriseerd om deze jongen in elkaar te slaan. Als zo'n groep halfslachtig autorisatie krijgt van de overheid, zoals dit in de jaren ´30 met de SA het geval was, dan wordt het niet-wegkijken voor de voorbijganger lastiger gemaakt. Toch is ook hiertegen actie mogelijk, zoals de Februaristaking heeft bewezen. Maar die actie was net zo spontaan als die van de jongen in Eindhoven. Kortom, wegkijken of niet-wegkijken gebeurt in een oogwenk - eigenlijk buiten jezelf om - en het is de vraag of je daar als historicus iets mee kunt. Je kunt het verhaal noteren, maar of het historisch inzicht geeft is de vraag. Alleen een nauwkeurige studie van de uitwerking van beleid van autoriteiten op menselijk gedrag levert historisch inzicht op.

_Rien Heukelom, Amsterdam

_