Althans, dat geloof ik, want al luisterend hield ik huis en dacht aan heel andere dingen. Daarom weet ik niet zeker of hij de versprekingen ook psychologiserend te lijf ging. Die neiging kreeg ik zelf bij een grandioze uitglijer in het NOS-Journaal. Hans van Manen werd gehuldigd en kreeg, sprak de commentator deftig, een ‘liber amoricum’ uitgereikt. De lachstuip die me overviel bewees de onbetrouwbaarheid van mijn zelfbeeld: vaak denk ik dat ik best een aardige gozer ben, maar iemand uitlachen omdat ze op de School voor Journalistiek geen Latijn onderwijzen, dat is toch niet netjes. Was die arme jongen nou nog voetbalvoorzitter geweest, zichzelf belachelijk makend door in zijn toespraak in onbegrip verdraaide sjieke uitdrukkingen toe te passen - maar nee, hij bedoelde braaf het vriendenboek te betitelen zoals dat nu eenmaal gebruikelijk is. Toen psychologiseerde ik dus even: ‘amor’, die balletjongens lusten er waarschijnlijk wel pap van en die goeie ouwe Van Manen zal zijn lier in velerlei opzichten nog lang niet aan de wilgen gehangen hebben. Zoiets? Bovendien, de ‘icum’-uitgang even vergetend, met ‘amor’ zit je toch ook niet ver van ‘vriendenboek’ af - bestempelen we ‘liber amoricum’ tot neologisme, dan zou ‘minnaarsboek’ een aardige vertaling zijn.
Vriendenboeken genoeg in de wereld, vooral tussen hooggeleerden uitgewisseld, maar, vroeg ik me af, zou iemand ter wereld wel eens zo een ‘liber amoricum’ van verzamelde vrijers en exen hebben gekregen? Zo ziet u weer hoe diep gedachten op zaterdagmorgen kunnen gaan.
En nu we het toch over bloot hebben: op de Amsterdamse stadskabel is eenmaal per week een jongeman in de weer wiens nauwelijks door enige logica geordende krom- en kreupelzinnen en dito redeneringen de aandacht maar niet af kunnen leiden van het feit dat hij ze uitspreekt in adamskostuum. Tegenover zijn camera-op-statief zit hij, ligt, staat, knielt, verdwijnt uit beeld om een muziekje op te zetten, komt terug, verdwijnt weer omdat het te zacht of te hard staat of omdat hij het uiteindelijk toch zonde vindt dat de aandacht erdoor wordt afgeleid van zijn woorden die hij kennelijk ervaart als godsgeschenk voor de kijker. Hij waant zich in naakte eenvoud goeroe, yogi, verlosser; zijn klep staat niet stil en ik heb alleen maar oog voor dat aandoenlijke piemeltje dat er ook niks aan kan doen dat die zak maar doorlult. Maar ik kom dan ook nooit op naaktcampings.