Essay Pleidooi voor gematigdheid

Liberalisme onder vuur

In de geschiedenis zijn veel verdorven compromissen gesloten, maar meestal niet door liberalen. Want liberale tolerantie is niet hetzelfde als onverschilligheid, het compromis heeft zijn grenzen. Het beste antwoord op vermeende islamitische dreiging is vrijheid en verdraagzaamheid.

IN 1935 stond er veel op het spel. Hitler was in Duitsland aan de macht. Mussolini was al dertien jaar de Duce. In Spanje broeide een burgeroorlog. Stalin stond op het punt te beginnen met zijn bloedigste zuiveringen. Ondertussen organiseerden Louis Aragon, André Gide, Ilja Ehrenburg en andere intellectuelen een Internationaal Schrijverscongres in Parijs om ‘de cultuur te verdedigen’.

In de cultuur stond er ook heel wat op het spel, vooral in Parijs, waar Ehrenburg, een fervent communist, op straat door André Breton, de surrealistische schrijver, in elkaar werd geslagen omdat hij alle kunst die niet voor de massa was bestemd had afgekeurd. Links voerde de boventoon in Parijs, waar de cultuur vooral moest worden verdedigd tegen het oprukkende fascisme. Ehrenburg kreeg zijn wraak: Breton werd geroyeerd.

De Engelse romanschrijver E.M. Forster was een van de sprekers in het Palais de la Mutualité (net als Heinrich Mann, Isaac Babel, Bertolt Brecht, Boris Pasternak en Tristan Tzara) en hij kreeg snel genoeg van de opgezwollen marxistische retoriek. Forster herinnerde zich dat hij 'vele lofredes op de Sovjet-Unie moest uitzitten en de naam van Karl Marx keer op keer hoorde detoneren als een goed geplaatste springlading, direct gevolgd door ovaties die neerdaalden als stukjes van een instortende muur’.

Geen wonder dat zijn collega-intellectuelen niet echt enthousiast waren over zijn toespraak over het belang van vrije meningsuiting. Hij moet een vreemde, wat truttige indruk hebben gemaakt, in zijn tweed pak, en met zijn lofrede op de literatuur afgestoken in een bijna onverstaanbare stem. De socialisten zagen hem als een burgerlijke individualist, zonder enig gevoel voor de belangrijke worstelingen van zijn tijd. Zoals een hem sympathieke toeschouwer schreef: 'Het was alsof het publiek het idee had dat meneer Forster en zijn soortgenoten (…) al net zo uitgestorven waren als de dodo.'1

Forster was niet zomaar een oude trut. Zijn bezieling voor literaire vrijheid werd aangedreven door een sterk verlangen naar seksuele vrijheid, in zijn geval homoseksuele vrijheid. Maar hij was onmiskenbaar meer begaan met individuele vrijheid dan met een volksrevolutie. Hij was een liberaal. Of misschien is 'humanist’ een beter woord. 'Liberalisme’ betekent niet overal hetzelfde. In de Verenigde Staten wordt het geassocieerd met links. De klassieke Europese opvatting van liberalisme betekent precies het tegenovergestelde: economische laissez-faire, dus conservatief. In politieke zin stond Forster waarschijnlijk dichter bij het Amerikaanse idee van liberalisme dan bij de Europese opvatting. Maar zijn liberalisme, of humanisme, behelsde meer dan sociaal-democratie. Het was even goed een geesteshouding als een politiek programma, iets dat het best kan worden beschreven in drie woorden: (individuele) vrijheid, gematigdheid en verdraagzaamheid.

Net als nu werd in 1935 dit type liberalisme aangevallen vanuit zowel de linker- als de rechterhoek. Tegenwoordig, in de nasleep van de dood van het marxisme, vaker door rechts dan door links. Maar de aanvalslijnen lopen hetzelfde. Om te beginnen is, vanuit het radicale perspectief, gematigdheid - toujours pas de zèle - soft, krachteloos, en hopeloos ongeschikt voor de oorlog tegen het fascisme, de reconquista van het ware geloof, de proletarische revolutie, of wat al niet. Er zit voor het oog niets heroïsch aan gematigdheid of verdraagzaamheid, integendeel - ze zijn anti-heroïsch. Het liberale temperament is niet romantisch. En de nadruk op individuele vrijheid, in plaats van op collectieve vooruitgang of nationaal reveil, riekt naar burgerlijke zelfgenoegzaamheid, of zelfs egoïsme. Een radicaal doel vereist zelfopoffering. Van de typische bourgeois wordt gedacht dat hij te verslingerd is aan zijn comfort om wat dan ook op te offeren, zeker niet het eigen leven. Ik geloof dat het Heidegger was die de term komfortismus gebruikte, en daar bedoelde hij niets positiefs mee. In dezelfde geest uitte de Franse advocaat Jacques Vergès zijn walging van de sociaal-democratie, vanwege haar banaliteit en gebrek aan grandeur.2 Het streven om gelukkig te zijn, zei hij, is kenmerkend voor de burgerlijke sociaal-democratie, en dus verachtelijk. Vergès zelf is radicaal links maar werd in zijn opvattingen geïnspireerd door een van de extreem-rechtse moordenaars van Walther Rathenau, de Duitse minister van Buitenlandse Zaken tijdens de Weimar Republiek. De dader, een jonge marineofficier, zei: 'Ik strijd om mijn volk een bestemming te geven, niet om het gelukkig te maken.’ Dat is de antiliberale houding in een notendop.

Zoals Forsters toespraak in Parijs duidelijk maakte hoeft een pleidooi voor individuele vrijheid in wezen noch bourgeois, noch zelfgenoegzaam te zijn. De rol van de seksualiteit bijvoorbeeld. Forster benadrukte vaak het belang van plezier, de vrijheid om van het leven te genieten, lichamelijk zowel als spiritueel of intellectueel. Toen de Rolling Stones in 1990 optraden in Praag, nog geen jaar nadat de Fluwelen Revolutie een eind had gemaakt aan de communistische heerschappij, werd dat door Václav Havel en meer dan honderdduizend fans gevierd als een bevrijding - van puritanisme, van bureaucratische onderdrukking, van tirannie over de menselijke geest. Tom Stoppard liet zich door de gebeurtenis inspireren en schreef het prachtige toneelstuk Rock and Roll, dat hij in de vorm van een debat goot. Aan de ene kant stonden dissidenten als Havel zelf, die rockmuziek zagen als een essentieel instrument van bevrijding in een repressieve maatschappij: Mick Jagger en Frank Zappa die hun tong uitsteken tegen de Volkscommissarissen. Anderen zagen de zucht naar rockplaten (met risico het land in gesmokkeld) als een frivole vorm van individualisme, politiek nutteloos, een naïeve illusie. Alleen directe, politieke actie was serieus. Stoppards stuk weerspiegelde dus in feite de rol van Forster op het Schrijverscongres in Parijs. Maar de reden dat Havel zo veel belang hechtte aan rock-'n-roll was zijn vrijzinnige overtuiging, net zo sterk als die van Forster, dat de vrijheid om te genieten het net zo goed waard was om voor te vechten als de vrijheid van meningsuiting of de vrijheid van godsdienst. En hij was zeker bereid veel te offeren voor zijn strijd: Havel zat jaren in de gevangenis.

DE ANTILIBERALE ZAAK, zowel bij links als bij rechts, heeft nog twee aspecten, die tegenstrijdig zijn. Een veelgehoord argument luidt dat liberalen alles tolereren maar nergens echt in geloven. Geloof in plezier telt niet; dat is gewoon een vorm van komfortismus. Liberalen, zo wil de redenering, zijn zelfs bereid om intolerantie te tolereren. Omdat ze nergens genoeg in geloven om het te verdedigen, laat staan dat ze hun leven ervoor opofferen, geven ze sterkere tegenstanders de gelegenheid om de vrijheden te vernietigen die ze beweren te genieten. De barbaren zullen triomferen juist omdat ze wél ergens in geloven, in tegenstelling tot de decadente Romeinen. Dat argument wordt nu vaak gebezigd door zogenaamde strijders voor de westerse beschaving tegen de islamitische barbaren. De islam deugt niet in hun ogen omdat die intolerant zou zijn, het Westen haat, en vrouwen onderdrukt, maar liberalen zijn eigenlijk nog erger, vanwege hun laffe onverschilligheid, en hun luie voorkeur voor compromis en verzoening. Er schuilt vaak een tikkeltje jaloezie in deze polemiek: jaloezie op mensen die wel echt in iets geloven, alsof wij westerlingen ons zouden moeten onderwerpen aan een eigen absoluut geloof.

Het vreemde van die houding is dat de maquis voor de westerse beschaving vaak beweren dat ze vechten voor de waarden van de Verlichting, alsof die synoniem zouden zijn met de westerse beschaving. Maar zelfs als deze zelfgenoegzame visie op het Westen waar zou zijn, hecht veel Verlichtingsdenken juist grote waarde aan individualisme, scepsis, tolerantie en gematigdheid. Radicale versies van de Verlichting hebben misschien geleid tot de rechtvaardiging van de moord op priesters, en andere vormen van revolutionaire terreur, maar dit is, naar men zou hopen, niet wat speelt in de hoofden van de verdedigers van het Westen.

Een ander idee over liberale tolerantie is dat het een vorm zou zijn van bedrog. Liberalen pretenderen tolerant en gematigd te zijn, maar waar het ze in wezen om gaat is het beschermen van hun eigen elitaire belangen. Tolerantie is een vorm van arrogantie. Je tolereert, maar je bent niet bereid mensen of ideeën waarboven je je verheven voelt serieus te nemen. En gematigdheid is een goed doordachte truc om radicale kritiek op de status-quo te neutraliseren, of alles wat het komfortismus van de liberale elites zou kunnen bedreigen.

Die laatste opvatting is door de geschiedenis heen altijd door zowel linkse als rechtse radicalen gekoesterd. Op hun eigen manier probeerden fascisten én communisten klassenverschillen uit te roeien ter wille van absolute eenheid. Fascisten streden voor de eenheid van het ras of de natie, terwijl communisten droomden van het klassenloze arbeidersparadijs. Hoe dan ook is de humanist, of de liberaal, de bourgeois individualist, of de tolerante aanhanger van het pluralisme, de vijand. De linkse én de rechtse varianten van het antiliberalisme waren ook besmet door een stevige dosis antisemitisme, omdat joden, als een minderheid - of erger nog, een minderheid waarvan men dacht dat ze de elites had geïnfiltreerd - een belemmering vormden voor de eenheid. Voor de fascisten waren joden bolsjewieken, die de natie of het ras van binnenuit zouden vernietigen. Voor de communisten stonden ze gelijk aan kapitalistische parasieten, die zionistische complotten smeedden tegen de Sovjet-Unie, of tegen de eenheid van het wereldproletariaat.

De geschiedenis van het antiliberalisme maakt natuurlijk net zo goed deel uit van de Europese beschaving als de Verlichting. De wortels liggen in feite in de anti-Verlichting. Joseph de Maistre (1753-1821), een denker die met beide benen diep in de klassieke Europese beschaving stond, hekelde liberalen vanwege hun 'onverschilligheid vermomd als tolerantie’. Liberalen, protestanten, wetenschappers, eigenlijk iedereen die gelooft in de rede als een positieve menselijke eigenschap, is de vijand van de ideale staat van De Maistre, waarvan de volmaakte orde in stand wordt gehouden door het autoritaire bewind van Kerk en Monarchie. Alles wat de autoriteit, en dus de eenheid, bedreigt, moet worden uitgeroeid. De held van Maistre’s utopie, een soort nationaal concentratiekamp, is de beul, die de onplezierige maar essentiële taak heeft om de openbare orde te handhaven. In Maistre’s opvatting leidt vrij-denken altijd tot anarchie. De mens heeft de autoriteit van de Kerk en de bevelen van God net zo hard nodig als hij de beul nodig heeft. Het idee dat mensen moeten worden aangemoedigd om zelf na te denken is een bedreiging voor de samenleving. Tolerantie betekende voor hem, en voor alle antiliberalen, een gebrek aan geloof, vandaar het idee dat tolerantie onverschilligheid inhoudt. En gebrek aan geloof leidt de mensheid, meer dan wat ook, naar de verdoemenis.

Je kunt natuurlijk nog veel verder terug gaan dan naar Maistre’s contra-Verlichting om vergelijkbare voorbeelden te vinden van afkeer van de scepticus of de ongelovige. Ongeloof wordt sinds bijbelse tijden geassocieerd met materialisme, en dus met handel. Tolerantie is essentieel voor de handel. Als er geld te verdienen is, dan moet je je niet te veel bemoeien met de overtuigingen of gewoonten van anderen. Een van de dingen die Voltaire, als vluchteling voor de Kerk en Monarchie in Frankrijk, bewonderde aan Engeland was de relatief hoge status die kooplieden daar genoten. Voor hem waren commercie en wetenschap de voornaamste pijlers van een maatschappij die rustte op de rede en verlicht eigenbelang. Hij bewonderde de Londense effectenbeurs, waar, zoals hij het omschreef, joden, christenen en moslims zonder problemen zaken konden doen, en de enige ongelovige degene was die failliet ging. Karl Marx dacht daar natuurlijk anders over: hij beschreef de beurs als het symbool van alles wat verdorven was, en bovendien joods: 'Wat is de wereldse godsdienst van de Jood? Sjacheren. Wat is zijn wereldse God? Geld.’ Het was wellicht niet voor niets dat het communistische bewind van Tsjechoslowakije de Rolling Stones afkeurde, niet alleen als 'drugsverslaafden’, maar ook als een 'kapitalistische geldmachine’, wat onbetwistbaar waar was, maar een vreemde reden om hun muziek te verbieden.

De morele neutraliteit van zakelijke belangen is niet altijd een deugd: zakenmensen of regeringen die onbezorgd handelen met massamoordenaars en dictators worden terecht afgekeurd. Niettemin is het zo dat geld de banden verslapt van stam, ras of geloof, en daarom zijn de mensen die die banden willen beschermen, versterken of vernieuwen altijd sterk tegen de commercie gericht.

MINACHTING VOOR HANDEL speelde ook een sleutelrol in het Duitse nationalisme van de vroege twintigste eeuw. De beroemdste antiliberale tekst is Händler und Helden van de socioloog Werner Sombart (1863-1941). Sombart legt uit dat zakenlieden gematigdheid, recht en voorzichtigheid koesteren en andere dingen die 'garant staan voor een vreedzaam samenleven van kooplieden’.3 Dat vindt hij verachtelijk, typisch voor gedegenereerde landen als Engeland, de Verenigde Staten en Frankrijk, waar, om keizer Wilhelm II te citeren, burgerschap kon worden verkocht voor een shilling door 'een Basuto-neger’. Daartegenover staat de held, de man van actie, die niet wordt gehinderd door twijfel of reflectie, en al helemaal niet door een halfzachte neiging tot gematigdheid. Hij wordt geleid door zijn instinct en zijn geloof. Dat type held, typisch Duits in de ogen van Sombart en andere mensen die dachten als hij, is het tegendeel van het liberale ideaal van de vrije individu. In de heroïsche maatschappij is er geen ruimte voor individuele autonomie. De helden, in dit idee van de volmaakte orde, lijken op de fascistische sculpturen van Arno Breker, of die socialistisch-realistische reuzen van steen: een en al spierballen en machtsvertoon, met een fanatieke blik in de ogen, hard maar zonder een individueel karakter, als soldaten die doormarcheren naar een ver maar voor hen duidelijk doel: de rassenzuivere maatschappij, de communistische utopie.

Heroïek kan zeker opwindend zijn. Antiliberalen klagen graag over de banaliteit, de middelmatigheid, de saaiheid van het liberalisme. Liberalisme ontbeert een gemeenschappelijke droom, een idee van grandeur. Het heeft geen goed verhaal. Daar is wel wat tegenin te brengen. Ten eerste: moed hoeft niet te betekenen dat het individu opgaat in een krijgshaftige massa, of de triomf van het instinct over het denken. Mensen die hun leven riskeerden om te strijden voor de burgerrechten van zwarte Amerikanen, bijvoorbeeld, of voor vrijheid onder het communisme, pasten zelden binnen Sombarts beeld van de held, maar heldhaftig waren ze wel.

Wat de cultuur betreft is de Romantische kunst over de Sturm und Drang van grote helden niet meteen superieur aan kunst die de subtiele schoonheid van het alledaagse leven uitdrukt. Natuurlijk, er zijn Romantische meesterwerken over de eb en vloed van grootse veldslagen, of reddingsvlotten op een kolkende zee, of de verwoesting van steden. Maar veel van dat soort kunst is uiterst middelmatig. En de kunst over het alledaagse kan ten diepste ontroerend zijn. Het tegenovergestelde van heroïsche kunst is het werk van Vermeer en de zeventiende-eeuwse Hollandse meesters, die een eenvoudige melkkan in een burgerlijke keuken konden transformeren tot een voorwerp van buitengewone schoonheid.

Nu staat de sfeer van Vermeers schilderijen ver van de dionysische opwinding van rock-'n-roll. De Rolling Stones blinken niet bepaald uit door hun gematigdheid. Maar het dionysische en het apollinische sluiten elkaar niet uit. Beide drukken individuele vrijheid uit, en een liefde voor het leven. Dionysische kunst kan ook een vorm van gehumaniseerde religie zijn, de goden met voeten in de aardse klei. Dat zou kunnen verklaren waarom juist mensen in totalitaire landen zich aangetrokken voelen tot zowel zeventiende-eeuwse Nederlandse kunst als rock-'n-roll. De Poolse dichter Zbigniew Herbert - in de verste verte geen nuffige burgerman - omschreef de sfeer van gematigdheid, persoonlijke vrijheid en tolerantie die sprak uit de kunst van de Gouden Eeuw, toen 'de geest van Erasmus’ heerste, als het hoogtepunt van de beschaving. Tzvetan Todorov, een Franse denker opgegroeid in het communistische Bulgarije, zei over de schilder Pieter de Hoogh dat 'hij het absolute tot leven brengt in het alledaagse leven, zonder zijn toevlucht te hoeven zoeken tot het bovennatuurlijke en het ongrijpbare’.4

Kunst die de nadruk legt op heroïek in totalitaire of militaristische samenlevingen doet het tegenovergestelde: ze beeldt mensen af als goden, hun blik gericht op het ongrijpbare. Dat soort idolatrie is overigens de reden waarom er een taboe rustte op de artistieke representatie van mensen in sommige religies, met name de joodse en de islamitische. Alleen God mag worden aanbeden en hij is onzichtbaar. Dat heeft uiteraard net zo weinig te maken met humanisme als de Romantische verering van de intuïtieve heldendaad.

De liberale houding moet middelmatig noch saai zijn. En sommigen van degenen die haar hebben verdedigd in een situatie van brute repressie, zoals Havel en Herbert, hebben in feite meer moed getoond dan de strijders die mensen als Werner Sombart zo na aan het hart lagen, niet in het minst omdat hun strijd meestal eenzaam is. Zij hebben zelf na moeten denken, in tegenstelling tot de intuïtieve helden van de politieke Romantici. Liberale tolerantie is niet hetzelfde als onverschilligheid. Het compromis, hoewel het in de politiek bijna altijd wenselijk is, heeft zijn grenzen, zelfs voor liberalen. De burgerrechtenbeweging in het Alabama van de jaren zestig was een goed voorbeeld. De Israëlische filosoof Avishai Margalit stelde, in zijn boek On Compromises and Rotten Compromises5, dat slavernij zo wreed en onmenselijk is dat de weigering van de Amerikaanse founding fathers om haar af te schaffen zou moeten gelden als een rotten compromise, een verdorven compromis, dus absoluut onaanvaardbaar. Er zijn principes waarover zelfs de meest tolerante liberalen geen compromissen moeten sluiten. Geïnstitutionaliseerde onmenselijkheid, in de definitie van Margalit, is altijd onaanvaardbaar.

Hij schetst twee beelden van politiek, de economische en de religieuze. De economische vorm van politiek is, als alle zakelijke transacties, flexibel, staat open voor onderhandeling en compromissen. Het gaat voornamelijk om belangen, vaak, maar niet altijd, materiële belangen. Er zijn regels en wetten, maar het instrument van dit type politiek is onderhandeling, zoals in commerciële transacties. De religieuze soort is anders. Daar gaat het om ideeën van het heilige, letterlijk in het geval van feitelijke religieuze praktijken, of overdrachtelijk in de zin van absolute principes waarover geen compromissen kunnen worden gesloten.

Een voorbeeld van politiek van het heilige is het halsstarrige conflict over heilige plaatsen in Jeruzalem. Noch een vrome moslim, noch een devote jood is in staat om in goed vertrouwen te onderhandelen over de Tempelberg (voor joden), of de Heilige Tempel (voor moslims), omdat een centimeter terrein toegeven betekent dat het heilige wordt gecompromitteerd. En als het heilige wordt gecompromitteerd, verwatert de zuiverheid van het geloof. Als seculiere liberalen - of humanisten - geen absolute principes hadden, gezien hun scepsis over geopenbaarde waarheid of het heilige, zou dat inhouden dat ze overal compromissen over zouden sluiten om hun materiële of individuele belangen te behartigen.

Maar vrijzinnige liberalen hebben natuurlijk wel absolute principes, en dus in die zin ook een religieuze vorm van politiek. De slavernij is al genoemd. Een ander voorbeeld is de oorlog met nazi-Duitsland. Hitlers politiek - zelfs voordat de massamoord op de joden in gang werd gezet - was al zo'n ingrijpende aanslag op de menselijke beschaving - een volmaakt voorbeeld van geïnstitutionaliseerde onmenselijkheid - dat in 1940 elke overeenkomst met hem een verdorven compromis zou zijn geweest. Winston Churchill begreep dat, terwijl anderszins fatsoenlijke mensen als Neville Chamberlain en Lord Halifax, die het op een akkoordje wilden gooien, het niet door hadden.

Over Engeland, of het Engelse 'ras’, was Churchill een romanticus, een man van de daad, een held en geen handelaar. Wat betreft het Britse imperium en koloniale volken was hij verre van liberaal. Desondanks was Churchills gebruik van religieuze politiek, als het ware, om de vrijheid van Engeland en zijn bondgenoten te verdedigen, liberaal. Zijn idee van Engeland, onder al zijn ferme taal en romantisch proza, was er nog steeds een van een samenleving gebaseerd op tolerantie, gematigdheid en individuele vrijheid. En het waren zijn liberale aanhangers, niet de communisten, laat staan radicaal rechts, die als eersten beseften dat een compromis met de nazi’s geen optie was.

Verdorven compromissen werden gesloten voor de Tweede Wereldoorlog (het Ribbentrop-Molotovpact), en ook erna, maar dat werd meestal niet gedaan door liberalen. Een berucht voorbeeld van een intellectueel verdorven compromis was de weigering van Jean-Paul Sartre, om puur ideologische redenen, om de geïnstitutionaliseerde onmenselijkheid van Stalin te bekritiseren, ook al wist hij daar alles van. Hij wilde geen enkele concessie doen aan tegenstanders van het communisme: 'Het was niet onze taak om te schrijven over de goelag.’ En opnieuw, net als in 1940, waren het vaak liberalen, zoals Raymond Aron en Albert Camus, die zich, toen de gruwelen van communistische dictaturen bekend werden, principiëler toonden. Begin jaren zeventig, toen het maoïsme nog steeds menige westerse intellectueel in zijn ban had, was het de liberale sinoloog Simon Leys die het zwaar te verduren kreeg in Parijs en elders omdat hij de aandacht had gevestigd op Mao’s gruweldaden.

DE STRIJD OVER HET VERMEENDE islamitische gevaar is nu bijna even intens geworden als de debatten in de jaren dertig over het fascisme, of die in de jaren vijftig over het communisme. Er worden ook welbewust parallellen getrokken. Het begrip 'islamofascisme’ wordt vaak gebezigd door mensen die 9/11 zien in termen van 1933, of 1938, of zelfs (Pearl Harbor) 1941. En mensen die gematigdheid en tolerantie propageren en menen dat we moslims moeten accepteren als medeburgers, worden weggezet als 'verzoeners’ en 'collaborateurs’, alsof ze de Chamberlains en Halifaxen van vandaag waren, terwijl Geert Wilders, Ayaan Hirsi Ali, Newt Gingrich, Pamela Geller en Sarah Palin vervuld waren van de buldog-spirit van Winston Churchill. Het plan, dat werd goedgekeurd door de burgemeester van New York, om een islamitisch cultureel centrum te bouwen in de buurt van Ground Zero, geleid door een gematigde soefi-imam die de aanslagen van 11 september afkeurde, werd door Newt Gingrich vergeleken met het oprichten van een nazi-monument naast een holocaustmuseum.

Gezien de oude animositeit van radicalen, van alle politieke extremen, jegens liberalen verbaast het niet dat Gingrich en zijn soortgenoten zich kunnen koesteren in de intellectuele steun van mensen die vroeger golden als links of progressief. Over het 'moslimprobleem’ zijn links en rechts het vaak eens. Zoals de voormalig linkse journalist Christopher Hitchens onlangs tegen me zei: 'De fascisten zijn de enigen die de islamitische dreiging voor Europa hebben begrepen.’

Nogmaals: er staat wel degelijk iets op het spel. De moorddadige aanslagen op de Twin Towers in New York, op forenzentreinen in Madrid, een discotheek in Bali, op Theo van Gogh, op de Londense metro en nog meer, werden gepleegd in naam van de islam. Er zijn overal ter wereld revolutionaire ideologen bereid te doden en te sterven voor een islamistische utopie. En het duurt niet lang meer voordat Iran, dat mikt op dominantie in het Midden-Oosten, een kernbom kan maken.

Niets van dat alles kan, of moet, worden gebagatelliseerd. Zelfs een klein aantal terroristen kan ongekende schade aanrichten. Maar is het waar dat liberalen, die oproepen tot gematigdheid, individuele vrijheid en tolerantie, niet in staat zijn dat probleem het hoofd te bieden? Is er een radicalere vorm van heroïek nodig? Is de bedreiging van de islam voor westerse vrijheden bijvoorbeeld zo ernstig dat de individuele vrijheid om een sluier te dragen zou moeten worden opgeofferd voor de vermeende eenheid van maatschappelijke en culturele waarden van het Westen? Betekent de tolerantie voor religieuze orthodoxie een overgave aan een nieuwe vorm van fascisme? Zijn diegenen die voor tolerantie en gematigdheid pleiten inderdaad 'nuttige idioten’ die onze vijanden helpen om westerse waarden, de vruchten van de Verlichting of het Westen tout court te vernietigen?

Ik denk dat een liberale benadering van de islam en het islamisme de beste is, om tactische zowel als morele redenen. In tactische zin zou het een ramp zijn om de problemen waar moslims het Westen voor plaatsen te zien als een 'botsing van beschavingen’. De enige manier om de gewelddadige extremisten, voor wie hun religie een revolutionair ideaal is, te bestrijden is om moslimburgers die de wet respecteren - verreweg de meesten - aan de kant van de liberale democratie te houden. Als we met Ayaan Hirsi Ali geloven dat we in staat van 'oorlog met de islam’ verkeren, dan dwingen we potentiële bondgenoten in een hoek en creëren onder vervreemde moslims meer sympathie voor de extremisten. Bovendien moet ieders recht op vrijheid van denken en expressie worden verdedigd, en dat omvat ook het recht om te denken op manieren die ons tegenstaan. De grens moet worden getrokken waar de wet wordt geschonden. De Franse islamdeskundige Olivier Roy heeft betoogd dat burgers in pluralistische samenlevingen niet dezelfde waarden aanhangen, en dat ook niet hoeven te doen, maar zich wel aan dezelfde wetten moeten houden. Eerwraak, zelfs als die wordt gerechtvaardigd door culturele of religieuze mores, kan niet worden getolereerd. Net zo min als het aanzetten tot geweld. Maar de wens om de bouw van een islamitisch cultureel centrum nabij Ground Zero te verbieden, en de vreedzame soefi-moslims die het willen bouwen te vergelijken met nazi’s is zowel een aanval op de vrijheid als onverstandig. Het helpt zeker niet om onze vrijheid te verdedigen tegen extremisten. Het tegendeel is waar.

Radicale populisten, in Europa zowel als de Verenigde Staten, beweren dat orthodoxe moslims onze westerse waarden bedreigen, niet alleen omdat ze andere ideeën hebben over sociaal en seksueel gedrag, maar omdat ze de vrijheid van meningsuiting belagen. Die aanvallen zouden worden gesteund en gestimuleerd door de 'linkse kerk’, die intolerantie tolereert, en te laf is om de strijd met moslims aan te gaan. Vrijheid voor de antimoslimpopulisten betekent voornamelijk dat men vrij moet zijn om de islam naar hartelust te beschimpen. Elke terughoudendheid in dit opzicht wordt direct afgekeurd als een vorm van verzoening met het boze.

Het is waar dat moslims, net als vele andere gelovigen, soms overspannen reageren wanneer ongelovigen hun geloof aanvallen of belachelijk maken. Het intimideren van islamcritici is overduidelijk een bedreiging voor de vrijheid van meningsuiting. Ook hier biedt de wet een uitkomst. Doodsbedreigingen en andere vormen van gewelddadige intimidatie zijn tegen de wet en moeten bestraft worden. Maar zolang mensen geen geweld gebruiken, of dreigen met geweld om hun ideeën op te dringen, moeten ze worden getolereerd. Houdt dat in dat vrijheid van meningsuiting betekent vrijheid om te beledigen? Wettelijk gezien, met name onder het Eerste Amendement van de Amerikaanse grondwet, is het antwoord ja. In Europa ligt het iets anders, waar het bewust beledigen van mensen op grond van geloof in veel landen verboden is. Het liberale antwoord zou gecompliceerder moeten zijn. Aangezien tolerantie samengaat met gematigdheid en met individuele vrijheid is een zekere mate van terughoudendheid soms essentieel om een beschaafde samenleving in stand te houden. Mensen mogen wettelijk het recht hebben om te zeggen dat alle joden woekeraars zijn, en dat alle zwarten blanke vrouwen willen verkrachten, maar in een beschaafde maatschappij doet men dat niet.

Toujours pas de zèle is daarom nog steeds het beste devies, vooral in een tijd waarin steeds vaker en kwaadaardiger haat wordt gespuid. De erfenis van Forster verdient nog steeds de voorkeur boven de erfenis van Ehrenburg. Wat voor dreigingen er ook nog van het radicale islamisme mogen komen, uit binnen- of buitenland, een oproep tot 'oorlog met de islam’, en andere quasi-heroïsche gebaren zullen de gevolgen alleen maar erger maken. De meest effectieve verdedigers van de liberale democratie waren altijd, en zijn nog steeds, het slag van liberalen die vrijheid, gematigdheid en tolerantie hoog houden.


  1. Frances Stonor Saunders, Meetings of Minds, BBC 3, 28 november 2004; 2. Zie zijn Le salaud lumineux, M. Lafon, Parijs, 1990; 3. Zie The War Against the West door Aurel Kolnai, Gollanz, Londen, 1938; 4. Duties and Delights: The Life of a Go-Between, Seagull Books, 2008, p. 292;

  2. Princeton University Press, 2010


Ian Buruma is Henry R. Luce Professor of Democracy, Human Rights & Journalism aan Bard College in New York. Hij publiceert met regelmaat over politiek, cultuur en religie in onder andere The New Yorker, The New York Times, The Financial Times en The Guardian. Zijn boek God op zijn plaats: Het kruispunt van religie en democratie verscheen in april bij uitgeverij Atlas

Vertaling Rob van Erkelens