Het lijkt goed te komen. Maar schijn bedriegt

Liberia’s littekens

De burgeroorlog is voorbij. Er is democratisch een president gekozen, een vrouw nog wel. En Charles Taylor is gearresteerd en wordt berecht, mogelijk door het Strafhof in Den Haag. Het lijkt goed te komen met Liberia. Maar schijn bedriegt. «Wapenhandel en huurlingen trekken zich van grenzen niets aan. Alle buurlanden van Liberia zitten op een tijdbom.»

LIBERIA – In Putu-Penoken, provincie Grand Gedeh, gebeurt ’s ochtends het volgende. Een minibus komt, laat wat passagiers uit, en gaat. Een tweede minibus komt, laat wat passagiers uit, en gaat. Een paar kinderen spelen met knikkers. Iemand sleept een staaldraad door het dorp. Ergens jengelt een radio. Het is ongenadig heet. Alle ochtenden in Putu-Penoken lijken op elkaar, behalve in de regentijd. Dan regent het. «Er is hier niets te doen, geen werk, niets», klaagt een jongeman van midden twintig die zich voorstelt als Harris. Voor werk moet hij naar de provinciehoofdstad, Zwedru, twee uur over een beroerde zandweg, of naar de nationale hoofdstad Monrovia, een reis die in de droge tijd minimaal twee dagen duurt en in de regentijd onmogelijk is.
Het zou steeds goed komen met Liberia. In 1847 werd het geboren, met vlag en ronkend volkslied maar zonder geld. De natie, opgericht door voormalige slaven uit de Verenigde Staten – de «Americo-Liberianen», werd uiteindelijk zelf slavenhandelaar. Het kostte Liberia in de jaren dertig van de vorige eeuw zijn plek in de Volkenbond. Maar het kreeg een nieuwe kans. In 1954 herbergde Liberia de grootste rubberplantage ter wereld en bleek het op een berg winbare ijzererts te zitten. Bovendien was het gezegend met een stabiele (lees: autocratische) regering, onder leiding van William Tubman, uitgerust met hoed, sigaar en pandjesjas. Maar de gouden tijden kwamen niet. Tubman bleef maar doorregeren, tot 1971. Negen jaar later werd de halfgeletterde sergeant Samuel Doe per staatsgreep president. De naam van zijn regering: Raad tot Verlossing van het Volk.

Er kwam geen verlossing. Wel oorlog, van 1989 tot 1997, gevolgd door het schrikbewind van de beruchte krijgsheer Charles Taylor. En nog meer oorlog, tot 2003, toen Taylor eindelijk vertrok. Maar nu zijn de meeste vechters ontwapend, is er een VN-vredesmacht en zijn er voorbeeldige verkiezingen geweest met een voorbeeldige winnares die het vertrouwen geniet van de hele wereld en wijde omstreken. President Ellen Johnson-Sirleaf gaf op 16 januari 2006 een fantastische inaugurele rede en de internationale gemeenschap applaudisseerde langdurig. «Eerste vrouwelijke president», gilden de kranten in Donorland.

Alweer moeten we geloven dat het nu dan echt goed komt met Liberia. De zware hypotheek die het verleden op die flonkerende toekomst heeft gelegd, is geruststellend buiten beeld gezet. Hoogste tijd voor een controle ter plaatse. Daarvoor moet je het binnenland in, bijvoorbeeld naar het zuidoosten van het land, de geboortestreek van Samuel Doe, een gebied met een ontwikkelingsachterstand van eeuwen, bolwerk van de oppositie en gelegen in een van de meest onstabiele regio’s van Afrika.

Net als elders in het binnenland zijn in Putu-Penoken de meeste huizen niet ouder dan tien jaar. De muren zijn van leem, de daken bedekt met bladeren. Vroeger was dat leem mooi baksteen en waren die bladeren een blinkend zinken dak. Tussen vroeger en nu zitten de oorlogen. In het zuidoosten vocht een romp van het Liberiaanse leger zich dood voor president Doe, tegen de oprukkende troepen van Charles Taylor, die met steun en toestemming van buurland Ivoorkust Liberia waren binnengetrokken. Halverwege de jaren negentig kreeg dezelfde streek bezoek van nieuwe milities: de lpc (Liberian Peace Council), een lokale factie, en in 2003 van model (Movement for Democracy in Liberia), gestuurd vanuit Ivoorkust. In het noorden en midden van Liberia opereerden groepen die Guinee had geformeerd met als doel Taylor weg te jagen, eerst ulimo (United Liberation Movement) en later lurd (Liberians United for Reconciliation and Democracy), dat verantwoordelijk was voor de dodelijke mortierregen op Monrovia, zomer 2003.

Alle groepen gebruikten dezelfde methoden: afpersing, protection rackets, plundering en vernieling. Moses Quayee, de burgemeester van Kanweaken (een uur rijden van Putu-Penoken, drie keer zo groot en met een bar en motel) heeft nog brieven van model waarin de bevolking werd gesommeerd eten te leveren. «We moesten rijst geven en bakolie en kippen en geld», zegt hij, gezeten in zijn geïmproviseerde kantoor schuin tegenover het staketsel van een uitgebrand gebouw waarin ooit de civiele administratie zetelde. «Verwoest door de lpc», meldt hij droog.

Tarty Brown, de inspecteur van politie in Grand Gedeh, houdt kantoor in het door Taylors troepen vernielde maar nu weer fraai herstelde provinciehuis in Zwedru. Het gebouw blijkt verder vrijwel leeg. Ethiopische vredestroepen hangen rond in de tuin. Brown is een «homeboy», een Krahn, net als Doe. De Krahns, zoals zoveel etnische groepen, zijn zelfbenoemde en veranderbare eenheden. Ze vormen de meerderheid in Grand Gedeh. Maar Brown is jong en hangt zijn politiek niet op aan dit soort toevallige loyaliteiten. «Ik heb politieke wetenschappen gestudeerd aan de Universiteit van Liberia. Ik was lid van de studentenbond, die protesteerde tegen Doe’s wanbeleid. En in de jaren tachtig was ik al een aanhanger van Ellen Johnson-Sirleaf.» Natuurlijk is Grand Gedeh niet vergeten dat dezelfde Ellen Johnson-Sirleaf geld inzamelde voor het verwoestende offensief van Charles Taylor, een daad waarvoor ze zich uitgebreid verontschuldigd heeft.

Was dat de reden dat men juist hier zo massaal – met meer dan negentig procent – koos voor haar concurrent George Weah, de voetballer die zo maar per ongeluk president van Liberia dreigde te worden? «Nee», zegt Brown, «negentig procent van de bevolking hier is analfabeet. Mensen gaan af op wat ze horen en zijn bovendien erg star in hun denken.» Grand Gedeh hield koppig vast aan de clichés: George Oppong Weah, de geadopteerde voetbalzoon van Doe, kampioen van de mensen die geen boeken lezen, in bezit van een inlandse stamboom. Hier stemde men, hoe je het ook wendt of keert, nog één keer postuum voor «onze president Doe». Het bleek onvoldoende. Ellen Johnson-Sirleaf won overtuigend. Maar ze heeft een berg zendingswerk te verrichten.

Een deel van dat werk kan ze laten doen. Donoren zijn bereid geld te pompen in de opbouw. Superintendent Brown en zijn collega van buurprovincie River Gee, Christian S. Chea, hebben een waslijst met wensen: herstel van bruggen, verbetering van abominabele wegen, een opgeschoonde salarisrol voor ambtenaren. «Medicijnen en laboratoria in de klinieken, boeken en bibliotheken in de scholen», besluit Chea energiek. Hij heeft bovendien een cultureel aardigheidje achter de hand. Het eresaluut aan president Johnson-Sirleaf op 16 januari werd gegeven door drums uit zijn provincie. Ze vervingen de gebruikelijke geweren. «De president was hier tijdens de campagne. We hebben haar een van onze heilige plaatsen laten zegenen. Dat is nog nooit eerder gebeurd. Ze was onder de indruk en we hopen dat ze het zich herinnert», zegt Chea. Eerder liet hij zich ontvallen dat hij jarenlang provincievoorzitter van Charles Taylors politieke partij was «om mijn mensen te beschermen». Opportunisme is voor de meeste politici in dit land eten en drinken.

Grote delen van het binnenland zijn bedekt met jungle: ondoordringbaar, onontkoombaar. Het woud levert eten, hout voor meubels, bladeren voor de nooddaken na de oorlog en een schuilplaats tijdens de gevechten. Het lijkt onaangetast. Maar J. Grody Dorbor, geboren in Grand Gedeh, journalist en milieuactivist, kent de littekens. «Hier, een sleeproute voor de boomstammen. Daar, een weg voor de houthakkers.» Taylor betaalde zijn oorlog en later zijn patronagesysteem grotendeels met onbewerkt hardhout. Een indicatie van de misdragingen van de houtbedrijven: het Forestry Concession Review Report, gemaakt in 2005, adviseerde onmiddellijke annulering van alle zeventig onderzochte kapconcessies. Vrijwel geen enkel bedrijf opereerde legaal, 36 hielden zich niet aan de bestaande arbeidswetgeving en twaalf «droegen bij aan instabiliteit», wat betekende dat ze milities hadden of wapens verhandelden. De nieuwe regering heeft de aanbevelingen van de commissie begin februari uitgevoerd.

Symbool van de wanpraktijken bleken de operaties van de Nederlander Guus van Kouwenhoven, zakenvriend van Taylor en nu alweer bijna een jaar gast van de Nederlandse justitie. Hij had drie bedrijven met gigantische concessies: de Liberia Forest Development Corporation, de Royal Timber Corporation en de beruchtste van allemaal, de Oriental Timber Corporation (otc). De laatste trok diepe voren door het bos, bekend als «OTC Highways», gemakkelijk te zien vanuit de lucht. Nog niet is vastgesteld of de bedrijven van Van Kouwenhoven zich ook met de hout-voor-wapenhandel hebben bezig gehouden. Hijzelf ontkent in alle toonaarden. Maar het Forestry Concession Review Report zet alledrie zijn bedrijven stevig op de lijst van firma’s die bijdroegen aan de instabiliteit van de gebieden waar ze werkten.

Grody Dorbor wil dat zijn mensen iets over hun eigen bos te vertellen krijgen. «Ze moeten iets terugzien van al het geld dat er in de industrie verdiend wordt.» Dat heeft twee voordelen: er komt ontwikkeling in het zuidoosten en de lokale inwoners krijgen misschien enig vertrouwen in een regering die vooralsnog niet de hunne is.

Neem het volgende tafereel: op een lome zaterdagmorgen lopen een paar tienerjongens te lanterfanten op een van Zwedru’s schaarse verharde wegen. Eén heeft een stuk houtskool bij zich en zet drie grote letters op de straat: CDC: de partij van George Oppong Weah. Of staan die letters ergens anders voor? Nee, om de donder niet. En dan komt het, het volksgevoel in grote delen van dit reusachtige brok regenwoud, een gevoel dat zich niet laat smoren in een laag politiek correcte retoriek: «Oppong cheated-oh!!» Weah – en wij – zijn belazerd.

Voor dit soort jongens, Harris en zijn vrienden, moet je oppassen. Dat zijn de jonge mannen die het gevoel hebben dat het de wereld en hun eigen samenleving een rotzorg is wat er met hen gebeurt. Ze zijn op z’n best diplomaloos en werkloos, op z’n slechtst aan de drugs en crimineel. Ze kunnen zomaar een nieuwe oorlog ingetrokken worden. Bos, familiebanden, wapenhandel en huurlingen trekken zich van grenzen niets aan. Alle buurlanden van Liberia zitten op een tijdbom. Ivoorkust balanceert op de rand van een gewapende confrontatie. Guinee implodeert in wanorde en armoede. De leiders van Sierra Leone zinken hun land weer af in hetzelfde morele moeras dat de vorige oorlog mogelijk maakte. Volgens geruchten willen de volgelingen van Taylor «rotzooi» schoppen in Sierra Leone nu hun baas, na zijn arrestatie vorige week woensdag, zal worden afgeleverd bij het Speciale Hof in Freetown.

Het barst van de geruchten over rekruteerders die namens volgelingen van Taylor en/of de Ivoriaanse regering van Laurent Gbagbo bezig zijn Liberiaanse vechtersbazen te ronselen. Maar de oogst is mager. «We hebben één ronselaar gearresteerd», meldt brigadegeneraal Seyoum Magos, de Ethiopische commandant van de zuidoost-sector van unmil, de VN-missie in Liberia, in zijn gerieflijke kantoor in Zwedru. «We horen dat er meer gevallen zijn, maar we hebben geen bewijs.» In Kanweaken heeft de oude voorname politieman Ezekiel W.N. Gbeasea zo zijn eigen gedachten over de vermeende ronselpraktijken. Hij houdt kantoor in een gehuurde winkelruimte. Zijn dossiers bewaart hij in een gat in het plafond. «Rekrutering ben ik nog niet tegengekomen. We zeggen tegen onze kinderen dat we dit niet meer willen. Maar ja, je zult er bij hebben die toch willen vechten en die houd je niet tegen.»

In Harper houdt de jungle op en begint de vrije ruimte van de oceaan, de aanvoerroute van de beschaving, althans in de ogen van de Americo-Liberianen. De oude leidende klasse van Liberia heeft hier een heldhaftige poging tot elegantie gedaan, in tegenstelling tot het ongeneeslijk lelijke Monrovia. Harper is gebouwd op een landtong tussen de oceaan en een zeearm. Er stonden ooit meer kerken dan in Bunschoten-Spakenburg. Statige huizen had je er ook, het grootste was van de familie Tubman, leverancier van Liberia’s langst regerende staatshoofd.

«Wij hadden allemaal mooie houten vloeren in onze huizen», vertelt Marlita Gardner, een beroemde inwoonster van Harper. «Maar de rebellen gooiden brandbommen naar binnen.» Ze zag de vernielzuchtige vechtersbazen vooral als een stel arme misleide kinderen. «Onze groep» – ze staat erop dat de naam wordt genoemd: Women in Progress for Community Services – «onze groep was de enige die hier de vluchtelingen hielp toen alle internationale hulpverleners weggelopen waren. Dat was in 2003. We reden naar Monrovia voor bevoorrading. Natuurlijk kwamen we dan rebellen tegen, maar we zeiden altijd tegen ze: «Onze God is sterker dan die Afrikaanse magie van jullie.» Ze klaagt over de inmiddels teruggekeerde buitenlandse hulpverleners in Harper. «Zo’n ex-vechter krijgt ineens dertig dollar per maand van de internationale gemeenschap. Dat is meer dan een politie-inspecteur! Superarrogant worden ze ervan. Nu hoor ik mensen zeggen: ‹Als ik dat geweten had, had ik ook met de oorlog meegedaan.› Wat moet er gebeuren met de slachtoffers? Moeten die dan allemaal maar prostituee of crimineel worden?»

Zo bezien krijgen strijders een dubbele beloning: plunderbuit en donorgeld. «Ach, Harper was zo mooi», verzucht Gardner, slenterend over de straten die nu in puin liggen. «Je kunt nog zien dat we overal versieringen maakten: bomen, perkjes, bloembakken.» Ze geeft een rondleiding door haar Episcopalische Kerk. Het gebouw uit 1851 heeft de schoonheid van een oude dorpskerk. Maar de glas-in-loodramen zijn ingeslagen, het altaar is vernield en het orgel is weg. «Ze deden hun behoefte op de banken.» Afzender: binnenland. Er zijn genoeg aanwijzingen dat die «beschaafde» Americo-Liberianen meer van de «wilde» Afrikanen uit het binnenland hadden overgenomen dan ze zelf wilden toegeven. In de jaren zeventig woedde in datzelfde elegante Harper een groot schandaal rond hoge bestuurders die verdacht werden van het eten van menselijke organen.

Na zoveel jaren occultisme, corruptie, nepotisme, oorlog, geweld en plundering moet Liberia het hebben van jongens als Daniel. Hij weet alles van vissen en gaat heel graag naar school. Wat leert hij daar? «Onze docent vertelt ons dat de blanken Liberia zijn komen redden en dat ze het beste met de mensen voor hebben.»

Over Guus van Kouwenhoven hebben we het maar niet gehad.