Liberiaanse dilemma’s

De mensen wagen zich inmiddels weer op straat, maar de kind- soldaten spelen nog steeds hum gevaarlijke spelletjes Waren de onlusten in Liberia een zoveelste voorbeeld van redeloos Afrikaans geweld? Volgens hulpverlener Bart Witteveen had het niet zover hoeven te komen
door Rens Broekhuis en Max Arian BART WITTEVEEN is in 1959 in Liberia geboren. Hij woonde er tot zijn zeventiende en trekt er sindsdien steeds weer als hulpverlener naar toe, de laatste jaren in dienst van Artsen Zonder Grenzen en Save the Children. Witteveen houdt van het land, van de prachtige tropische oerwouden en ook van de mensen, die elkaar verschrikkelijke dingen kunnen aandoen, maar ook uitzonderlijk vriendelijk en open zijn, misschien doordat Liberia - door vrijgelaten Amerikaanse slaven gesticht en sinds 1847 formeel onafhankelijk - lange tijd in feite een Amerikaanse kolonie was. Maar de laatste zes jaar werd hij moedeloos van het steeds opnieuw oplaaiend geweld in het land, en vorige week is hij met bloedend hart uit Monrovia gevlucht.

We zien de beelden van schijnbaar zinloos geweld en zijn haast geneigd onze schouders op te halen. Etnische strijd, krijgsheren die elkaar naar het leven staan, honger, ziektes, een falende internationale gemeenschap; Somalië, Ruanda, Liberia; het lijkt een moderne Afrikaanse ziekte. Maar Witteveen ziet juist de internationale gemeenschap als de hoofdschuldige. Het Westen weigerde hulp te bieden toen het de situatie had kunnen stabiliseren. De Verenigde Naties bleven zich verschuilen achter Ecomog, de regionale ‘vredesmacht’ die door het naburige Nigeria wordt gedomineerd en die net zo goed een partij is geworden als de andere fracties.
HET LlBERIA van de jaren zestig en zeventig waarin Witteveen opgroeide, was zeker geen volmaakte samenleving. 'Het was’, zegt hij, 'een typische Afrikaanse eenpartijstaat, overgoten met een sausje democratie, maar in feite beheerst door één big man, William Tubman. Die heeft wel een zekere economische ontwikkeling tot stand gebracht, maar het was uiteindelijk toch een systeem van uitbuiting waarvan de buitenlandse ondernemingen en de Americo-Liberianen - de afstammelingen van de Amerikaanse slaven die het land midden negentiende eeuw hebben gesticht - profiteerden. De rubber werd ruw uitgevoerd, er was zelfs geen fietsenbandenfabriekje.
Toen Tubman werd opgevolgd door president William Tolbert, had die de pech dat de wereldeconomie er slecht aan toe was. De rubberprijs daalde en de prijzen van olie en rijst stegen. De onvrede van de bevolking uitte zich in grote rijstdemonstraties en dat leidde in 1980 tot de coup van een ambitieuze sergeant, meneer Doe, die Tolbert en zijn ministers vermoordde. De Koude oorlog woedde nog volop en Doe wist heel slim oost tegen West uit te spelen. Hij dreigde toenadering te zoeken tot China en Rusland, zodat Amerika hem snel erkende en gigantische hoeveelheden geld in het land pompte. De helft daarvan kwam in de vorm van militaire steun. Tot dan toe was het militaire apparaat van Liberia klein geweest. Etnische tegenstellingen speelden nauwelijks een rol. Er waren wel verschillende stammen, maar die waren verenigd in hun afkeer van de Americo-Liberianen. Nu trok Doe bewust zijn eigen stam, de Kraans, voor. Hij bouwde voort op een gewelddadige traditie in Liberia, waar geheime genootschappen rituele moorden plegen en na een overwinning de tegenstanders afmaken, bepaalde lichaamsdelen verwijderen en in extreme gevallen zelfs opeten. Toch behield Doe de steun van de Verenigde Staten.’
'CHARLES TAYLOR was eerst als zakenman bij het bewind van Doe betrokken. Hij bracht diens zwarte geld naar het buitenland en zorgde voor allerlei aankopen. In 1989 ging hij ervandoor met een miljoen dollar en vormde hij een rebellenleger waarmee hij vanuit Ivoorkust Liberia binnenviel. Taylor werd in korte tijd gigantisch populair bij de bevolking. Al snel beheerste hij het hele land, met uitzondering van de hoofdstad Monrovia. Hij bouwde de economie op en wist een zeker evenwicht tussen de verschillende stammen te bewaren. Als er verkiezingen zouden zijn gehouden, had hij die zeker gewonnen. Maar de Nigerianen staken daar een stokje voor. Die wilden geen succesvolle rebellenleider in West- Afrika. In Taylors oorspronkelijke leger zaten ook Nigerianen en Gambianen, rebellen die hij op zijn beurt had kunnen helpen. De macht van Taylor moest worden gebroken en daartoe werd de regionale vredesmacht Ecomog gevormd. Ecomog zorgde er om te beginnen voor dat president Doe, die in zijn paleis zat opgesloten, in de handen van een vroegere medestander van Taylor, Prince Johnson, belandde. Johnson kreeg de eer de vroegere dictator zeer wreed af te maken. De Nigerianen hebben dat heel bewust en slim gespeeld. ook de machtsstrijd tussen francofoon en anglofoon speelde daarbij een rol. President Tolbert had indertijd nauwe banden met het Franstalige Ivoorkust, Doe had banden met het Engelstalige Nigeria, Taylor werd weer door Ivoorkust gesteund.
Toen er in 1992 verkiezingen zouden worden gehouden, die Taylor zeker had gewonnen, creëerden en financierden de Nigerianen nieuwe rebellengroepen, voor een deel bestaande uit Kraans die na de val van Doe naar Sierra Leone waren gevlucht. Taylor is een uiterst charismatisch man, vroeger had ik zeker bewondering voor hem, maar de laatste jaren zie ik dat hij ook ten koste van alles zijn doel wil bereiken en daarvoor net zulke harde maatregelen gebruikt als de andere krijgsheren. Het was anders geweest als hij in 1991 president was geworden, dan hadden we nu al deze ellende niet gehad, of als in 1992 de verkiezingen niet waren afgelast, zogenaamd vanwege de onrust in het land.
Toch leek er vorig jaar, toen de strijdende partijen het akkoord van Abuja sloten, een oplossing gevonden te zijn. Nigeria leek zich erbij te hebben neergelegd dat ze Taylor niet weg zouden krijgen, dus werd hij in de interim-regering opgenomen. Toen had de internationale gemeenschap een gok moeten maken en een substantiële investering moeten doen in het vredesproces en de ontwapening van de milities. Maar waarschijnlijk hadden te veel mensen profijt van de oorlog. De hardhoutexporteurs bijvoorbeeld, die ongehinderd hun gang konden gaan, en de Libanese handelaars. Na de val van de Muur heeft Liberia zijn strategisch belang verloren voor het Westen, daardoor kon er een vacuüm ontstaan waarin je dit soort taferelen te zien krijgt.
En Ecomog kan z'n gang gaan. Er zijn twee problemen met zo'n regionale vredesmacht. Het land dat het leidt, Nigeria, heeft te veel belang bij het probleem en de soldaten worden slecht betaald. Zij voorzien in hun onderhoud door deals te sluiten met de diamantmijnen, de houthakkers en de rubberwinners, of door plunderingen. Er gaan containers vol naar Nigeria. In 1994 werd door Ecomog een heel bataljon naar het rijke diamantgebied bij Tubmanburg, in het westen, gestuurd. Daar zijn ze teruggeslagen door Roosevelt Johnson, degene met wie ze nu ruzie hebben. Het was een grote vernedering voor Ecomog en dat wilden ze hem nu betaald zetten. Er werd een arrestatiebevel uitgevaardigd en toen Johnson zich niet wilde overgeven, braken de gevechten in Monrovia uit.
Het is een ingewikkelde situatie, want nu steunen de Nigerianen Charles Taylor tegen deze Roosevelt Johnson. Maar het kan nog veel ingewikkelder worden, want al deze milities zijn in precaire combinaties gegroepeerd die ook weer uit elkaar kunnen vallen. Zo blijft het geweld eeuwig doorgaan en ik verlies langzamerhand de hoop op een concrete oplossing. De enige uitweg is dat één groep de overmacht krijgt. Welke dat is is niet eens zo belangrijk, maar puur pragmatisch gezien kan dat het beste Charles Taylor zijn. Die heeft het land nog het meeste te bieden.’
'ONDANKS ALLES ga ik toch weer terug. Save the Children heeft een kantoor in het aangrenzende Ivoorkust, daarvandaan moet ik maar afwachten hoe het zich ontwikkelt en hoe we het land weer in kunnen. Het frustrerende is dat wij weten dat Taylor en de anderen weten dat wij als zij uitgevochten zijn, toch weer klaar staan met onze hulpverleningsprogramma’s. We kunnen onmogelijk zeggen dat we niet meer helpen, het lijden van de gewone mensen gaat immers door. Hoogstens kunnen we proberen onze programma’s aan te passen aan wat er nu is gebeurd. Niet meer zulke ambitieuze programma’s met zulke grote aantallen voertuigen en niet meer onze programma’s zo centraliseren op één punt, maar verspreiden over het land, zodat je niet meer in één klap alles kwijt kunt zijn. Maar als iemand zegt dat we de oorlog zo helpen verlengen, dan kunnen we daar niet onderuit. Wij zijn ook een factor in de strijd, er wordt gebruik van ons gemaakt.’