Liberiaanse president doet weer normaal

Monrovia – Ze is het ngo-staatshoofd bij uitstek. Ellen Johnson-Sirleaf, president van Liberia sinds 2006, is al sinds jaar en dag de lieveling van alle politiek correctie kringen in het Westen. Want vrouw, dus goed.

Maar in Liberia is de liefde al lang bekoeld en het is wederzijds. Eerder dit jaar vertelde ze haar landgenoten dat ngo’s zich gedroegen alsof ze de baas waren. ‘Ze ondermijnen onze nationale soevereiniteit’, verklaarde ze.

Het begon al in 2010 toen Johnson-Sirleaf bekendmaakte een tweede termijn te willen, ondanks eerdere beloften. Dat viel bij menigeen verkeerd. ‘Denkt ze soms dat Liberia haar persoonlijke project is?’ brieste een journalist in de hoofdstad Monrovia tijdens de laatste verkiezingscampagne. ‘Ja’, luidde daarop het glasheldere antwoord. De stad hing vol met posters die dit zeiden: beste Liberianen, álles hebben jullie aan mij te danken.

Voor een deel klopt dat. De economie groeit, overheidsinkomens zijn toegenomen, investeringen komen binnen, maar het inkomen van de meeste Liberianen stagneert en de werkloosheid is onverminderd hoog: tachtig procent. Bewonderaars vergeten wat al te gemakkelijk Johnson-Sirleafs rotsvaste vertrouwen in de zegeningen van de vrije markt.

Na haar herverkiezing kwamen de controverses. De eerste was de aanstelling van haar zoon als directeur van de nationale oliemaatschappij. ‘Nepotisme!’ riepen media en maatschappelijke organisaties in koor. ‘Deskundig’, was haar antwoord. Robert Sirleaf vertrok in september 2013. Vervolgens sloeg milieuorganisatie Save My Future groot alarm: de regering bleek bijna de helft van het bos in Liberia weg te geven via een onduidelijk vergunningenstelsel. Kwalijke herinneringen aan ex-president en kapkoning Charles Taylor. Een deel van de vergunningen is ingetrokken. Pijnlijk was de breuk met mede-Nobelprijs voor de vrede-winnares Leymah Gbowee, die haar verweet te weinig tegen de corruptie te doen. Het staatshoofd reageerde hooghartig: ‘Ze is te jong om te weten wat we allemaal hebben gedaan voor de vrede in Liberia.’ Nogal gewaagd van een voormalig fondswerver voor Charles Taylor die het rapport van haar eigen Waarheids- en Verzoeningscommissie in een la heeft gestopt.

Natuurlijk mag het ngo-wereldje gerust de hand in eigen boezem steken. Na de oorlog werd Liberia overspoeld met clubjes die volstrekt hun gang konden gaan; er was geen overheid. Maar liefst duizend van hen zijn gebleven. De president wil nu dat ze zich registreren en vertellen wat ze uitspoken. Dat is geen frontale aanval, zoals sommigen willen doen geloven. Dat heet: normalisatie. Net zoals het einde van de love-in.