Lichaamstaal

Een van de naarste dingen om te lezen over Tonio, vereeuwigd in de gelijknamige requiemroman van zijn vader A.F.Th. van der Heijden, is als de vader na de zoon de badkamer betreedt om te gaan douchen en - tot zijn tevredenheid - in het doucheputje de sporen aantreft van zekere lichamelijke activiteit van zijn zoon. Misschien maak ik het wel erger door nu hier deze scène te memoreren, in een andere context, met andere woorden. Ik dacht heel primair: laat die jongen met rust. Er zit niet voor niets een slot op de deur van de badkamer.
Maar dat ik me deze en andere details zo goed herinner uit Tonio pleit natuurlijk dan toch weer voor de schrijver, en de letterlijke nietsontziendheid waarmee hij zijn zoon, zichzelf en zijn vrouw etaleert. De pijn, de liefde, de intimiteit.
Ik dacht eraan omdat ik mijn notitieboekje opensla en de pentekening zie die ik van mijn zoon maakte toen hij met zijn rug naar me toe lag te lezen in het belendende king-sizebed in de New Yorkse hotelkamer. We waren samen een paar dagen op pad, en in een ultieme poging iets te consolideren ging ik hem maar zonder dat hij het wist tekenen.
Ik kan helemaal niet tekenen.
En zeker niet als ik in bed lig.
Starend naar die onbeholpen lijnen zie ik wel weer de ronding van zijn schouders voor me, zijn ruwe ellebogen.
’s Middags waren we naar een expositie geweest in het MoMA. Talk to Me heette die. Na drie uur rondlopen waren we allebei uitgeput en konden we geen pap meer zeggen.
Ik lag in bed Look at Me van Jennifer Egan te lezen, de schrijfster die ik de volgende dag in Brooklyn zou gaan interviewen. Ik werd een beetje nerveus van het boek. Het belangrijkste personage is een vrouw met een scherp oog voor haar omgeving. Ze ziet voortdurend de schaduwgestaltes van de mensen die ze tegenover zich treft. Niet in een metafysische zin, dat zou saai zijn, maar gewoon, de B-kant. Presenteert iemand zichzelf als geroutineerd journaliste, zij ziet de paniekerige sombere versie, met haar ziekelijke hang naar haar zoon, de gaten in haar schoenzolen.
‘Heb je er last van als ik even ga strijken?’ vraag ik zachtjes.
M'n zoon schokschoudert vanonder de lakens. 'Kan jij dat dan?’
Hij weet niet anders dan dat strijkplank en -bout de instrumentaria van zijn oma zijn, en in ons huis alleen door haar voor de dag worden gehaald.
'Ik ga het proberen’, zeg ik. 'Ik wil morgen mijn witte blouse aan als ik dat interview doe.’
Zonder op te kijken van zijn boek vraagt hij of ik dan meteen ook zijn overhemd wil strijken. Alvast voor het verjaardagsdiner dat we hebben gepland bij Babbo, aan Waverly Place. Hij wordt overmorgen negentien.
Dingen zijn uiteindelijk altijd minder moeilijk dan ik dacht. En al doende snap ik opeens ook waarom mijn schoonmoeder altijd zo happig is op het strijken van de overhemden van haar kind. Het boutsgewijs navolgen van de mouwen, de rug, de stukjes stof tussen de knoopsgaten… Het is een vorm van zorgvuldig en extensief aaien.
Als ik de volgende ochtend wakker word, zie ik twee redelijk keurig gesteven overhemden gedrapeerd over de strijkbout die ik niet meer in elkaar geklapt kreeg. En is de badkamerdeur gesloten. Ik hoor de douche lopen.
Vandaag zullen we een groot deel van de dag ieder ons eigen gang gaan. Waarom ben ik altijd bang? Ik had een lieve papa, lieve mama. Waarom is de wereld voor mij een vijandige plek? Eenmaal op reis verander ik in een beest. Let wel: niet in een poema-achtige, maar in iets amoeberigs. Blind, stom, reddeloos. Als ik een taxichauffeur permanent in zijn telefoon in een voor mij onverstaanbare taal hoor praten, zoals bij aankomst in New York, denk ik niet dat hij met zijn vrouw aan het overleggen is over het verjaardagscadeau voor hun oudste dochter. Waar moeten ze zo dadelijk onze lichamen dumpen, dat is wat hij aan het bespreken is met zijn zwager.
'Wat denk jij nu als je dit zo hoort?’ vroeg ik nog aan mijn zoon.
'Dat we geen fooi hoeven te geven’, zei hij.
Hij verklaarde: 'Hij is duidelijk niet met zijn klanten bezig.’
Straks zal Egan me vertellen dat niet zij degene is met het scherpe oog, maar dat dat haar personage is. En dat zijzelf louter schrijft vanuit nieuwsgierigheid en empathie.
Ik wil niks weten, en ik haat iedereen.
'Lekker geslapen?’ vraag ik als mijn zoon de badkamer uit komt.
Praat niet tegen me. Kijk niet naar me.
In de dampige badkamer regeert zijn aftershave. Als ik de beslagen spiegel schoon wil vegen, zie ik met een schok dat er letters op de ruit oplichten.
Hij heeft een boodschap voor mij achtergelaten.
Maar wat wil hij me zeggen?
Het begint in ieder geval met een H. En de letter erna lijkt een slordige O, maar zou ook een E kunnen zijn. Horror? Help? Waarom niet gewoon opteren voor Hoera?