MEDIA

Lichaamstaal

Uit een recent onderzoek onder meer dan duizend mannen en vrouwen die vorig jaar op het Tahrirplein van Caïro stonden, blijkt dat bijna de helft van hen van een fysieke persoon vernam dat er geprotesteerd werd. Dat is een interessant gegeven, omdat het tot op zekere hoogte haaks staat op de gedachte dat het vooral de sociale media zijn geweest die de Arabische lente tot stand brachten.

Het is juist, zo blijkt uit hetzelfde onderzoek (Journal of Communication, april 2012), dat bijna alle aanwezigen (92 procent) over een mobieltje beschikten en dat ongeveer de helft een Facebook-pagina had, maar deze media waren eerder bijkomstig dan primair, ‘superimposed on existing social ties between friends, families and neighbors’ zoals de onderzoekers schrijven. Het is verre van de eerste keer dat iets dergelijks wordt geconstateerd. Beroemd in dit verband werd het onderzoek dat in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw werd uitgevoerd onder leiding van Paul Lazarsfeld en Elihu Katz. Uitgangspunt ervan was de herverkiezing van Roosevelt in 1940 en de enquête hierover onder 2400 stemgerechtigden in Erie County, Ohio. Hieruit bleek dat de invloed van de massamedia – radio, geschreven pers – niet rechtstreeks maar indirect was want verliep via zogenoemde opinieleiders. De conclusie uit het onderzoek was dan ook dat persoonlijke invloed belangrijker is dan die van de media. Dit inzicht werd en wordt te meer als revolutionair beschouwd omdat het haaks staat op de destijds dominante en sinds de komst van de televisie nog dominantere overtuiging dat het publiek in handen van de massa­media een willige speelbal is. Dat is dus niet het geval. Media zijn secundair, persoonlijke invloed is primair.

Zonder van het Amerikaanse onderzoek op de hoogte te (kunnen) zijn, kwam de uitgever van Van Gorcum, H.J. Prakke, halverwege de jaren vijftig tot eenzelfde conclusie. Hij verrichtte een klein onderzoek naar, aldus de ondertitel van zijn studie, ‘de rol van de pers in de geestelijke achtergronden van sociale veranderingen’ en concludeerde op basis van een door enkele honderden personen ingevulde vragenlijst dat de betekenis van enerzijds familie en vrienden en anderzijds eigen ervaring (reizen, boeken) veel groter was dan die van de pers. Deze werd eerder gewantrouwd dan vertrouwd.

Het begrip vertrouwen (‘trust’) dook ook weer op naar aanleiding van het beroemde en steeds weer vermelde (eerste) debat in 1960 tussen Nixon en Kennedy – het eerste politieke debat ook dat op televisie werd uitgezonden en alleen al om die reden massaal bekeken werd. Nixon was moe, herstellend van een verblijf in het ziekenhuis, uitgeput door de campagne. Bovendien weigerde hij make-up. Om die redenen zag hij er grauw en onbetrouwbaar uit. Kennedy daarentegen oogde vitaal en vrolijk, ook was hij stevig gepoederd, glad geschoren en goed gekleed. The man you need dus. Althans dat concludeerde een meerderheid van de televisiekijkers, met als gevolg dat Kennedy’s achterstand in enkele uren omgebogen werd in een voorsprong. De radioluisteraars hadden een geheel ander oordeel over het debat. Volgens hen was juist Nixons optreden sterker geweest. Zij gingen af op argumenten – en wellicht op stemgeluid en woordgebruik. Televisiekijkers daarentegen zagen de hele mens. Met zijn lichaamstaal boezemde Kennedy vertrouwen in. Hij oogde, ja voelde als een vriend.

Televisie, zo weten we sinds een jaar of tien, was slechts een eerste stap in de richting van ‘totale’ communicatie. De volgende stap werd gezet door het internet, in het bijzonder door alle mogelijkheden om via woord, beeld en geluid met elkaar te communiceren en aldus de schijn van samenzijn te suggereren. Hiermee heeft het communicatiecircuit een bijna volledige cirkel beschreven en zijn we, zo lijkt het althans, zo goed als terug bij af. In het oude Athene was democratie gebaseerd op rechtstreeks contact. Dat was mogelijk omdat de politiek zich afspeelde in een kleine ruimte en onder een beperkt aantal mensen. Schaal­vergroting heeft in de loop van eeuwen de afstand tussen staat en natie, machthebbers en burgers, gekozenen en kiezers almaar groter gemaakt, op den duur zelfs zo groot dat ‘Den Haag’ welhaast een abstractie werd. De radio gaf die abstractie eerst een stem, de tv gaf haar vervolgens een gezicht. Maar zij boden slechts eenrichtingsverkeer: van de gekozenen naar de kiezer. Internet maakt het mogelijk dat het verkeer twee kanten op gaat en brengt direct contact tot stand. Althans zo lijkt het. Maar zoals ook blijkt uit dat recente onderzoek naar de Egyptische gebeurtenissen van vorig jaar is dat toch schijn of eigenlijk een paradox. Want bij contact via een medium ontbreekt altijd de onbeschrijflijke en onzichtbare kracht die de ware lichaamstaal kenmerkt: omgeving, geur, sfeer. Media zijn en blijven altijd middelen. Ze zullen en kunnen het origineel nooit vervangen.