Lichamen als boeken

Peter Verhelst, Het spierenalfabet. Uitgeverij Prometheus, 184 blz., f29,90
ONGEVEER een jaar geleden verscheen bij uitgeverij Sun het fascinerende boek Het onvergankelijke vlees (La carne impassibile, 1983) van Piero Camporesi. De schrijver voert daarin de lezer terug naar de late middeleeuwen en de tijd van de Contrareformatie. In die tijd had het lichaam het moeilijk: het viel nauwelijks te beschermen tegen besmettelijke ziekten, honger, dorst en slechte voeding. Camporesi’s boek zit dan ook vol met rotting en gisting. Die gedeeltelijke verrotting tijdens het leven liep vooruit op het totale vergaan onder de grond, zoals bekend vooral het werk van wormen.

Men leefde in de overtuiging dat de dood het leven genereerde, maar dat geloof stelde kennelijk onvoldoende gerust. Want tot in de achttiende eeuw werd het zekere voor het onzekere genomen en het leven zo lang mogelijk gerekt met allerlei middelen en ingredienten die nu vooral onze weerzin wekken: lijkenvocht, aftreksels van botten, uit mummies bereide balsem of uit mensenbloed gebrouwen levenselixers. Voortdurend is het lichaam voorwerp van excorcismen, purificaties en therapeutische ceremonies en oefent het een overweldigende aantrekkingskracht uit op de collectieve beeldwereld.
Bij Camporesi tuimelen de uitersten voortdurend over elkaar heen. In het boek duizelt het van de elkaar tegensprekende beelden: verstikkende angst voor de dood contrasteert met dwangmatige pogingen daaraan te ontkomen, strenge vastenpraktijken staan tegenover barokke overdaad, onthechting en onmatigheid, genot en kwelling, goddelijke gelukzaligheid en duivelse magie, vervoering en walging concurreren met elkaar.
Camporesi lijkt gebiologeerd door de obsessies waaraan een voor-industrieel tijdperk zich overgaf. Via oude traktaten, hagiografieen, dichtwerk, verhalen en historische getuigenissen volgt hij het spoor terug en leidt hij de lezer binnen in een labyrint van dromen en neurosen, waar kookkunst en geneeskunst, occultisme en theologie dezelfde taal spreken.
AAN DIT boek moest ik regelmatig denken bij het lezen van Het spierenalfabet, de tweede roman van Peter Verhelst. Ook daarin is het lichaam met al zijn in- en uitgangen, uitstulpingen en spierbundels, voedsel- en bloedbanen alom aanwezig, evenals de pogingen het onvergankelijk te maken. Illustraties van lichaamsdelen, botten en spierbundels sieren de tekst op. De grammmatica van lichaamstaal die in de titel wordt gesuggereerd, voegt zich naar de regels van het vrijen, schransen en vasten.
Het lichaam wordt geliefkoosd, afgetraind en per computer gereactiveerd in de drie figuren Inez, Lore en Rene die samen met de ik het verhaal gestalte geven. Alle vier jagen ze een eigen verbeelding van het lichaam. De hoofdpersoon doet dat misschien nog wel het minst. Ruwweg gekarakteriseerd zou je bij Inez het trefwoord lust kunnen plaatsen, bij Lore disciplinering en bij Rene zoiets als fantasmagorie.
Verhelst laat zijn personages met elkaar omgaan en botsen, dingen van elkaar overnemen en afwijzen in een context van een kunstig of kunstmatig bestaan en de kunst van het verdwijnen. Het verhaal lijkt soms springerig maar is op de keper beschouwd eerder mathematisch van constructie, het zit vol poetische beelden, is bizar, cryptisch, soms zinnelijk, dan weer afstandelijk of opzichtig gekunsteld geschreven. In de tegenstellingen die in de romanfiguren en de structuur van het boek worden uitgespeeld, weerspiegelen zich de uitersten die illusie en werkelijkheid heten, leven en kunst.
Opvallend genoeg legt een zestiende-eeuwse Antwerpse bankier - een inwoner van de tijd die Camporesi bestudeerde - de eerste steen voor de geschiedenis die in de roman wordt opgedist. Andreus Hieronymus wil hij worden genoemd, een naam die hij zich heeft aangemeten na een Italie-reis. Hij was vader van zeven dochters die aan de zwarte dood stierven. Voor hen heeft hij zeven beelden laten oprichten in een ondergrondse bibliotheek, in het boek beschreven als een immens mausoleum, maar door de hoofdpersoon een crypte genoemd. De beelden stellen de vrije kunsten voor, maar op een ingenieuze manier vertegenwoordigen ze eveneens de zeven hoofdzonden en de eeuwige verdoemenis waarmee die worden besraft.
Ze blijken tenslotte nog een ander geheim te bevatten in pakjes die als coordinaten gelezen kunnen worden en die, eenmaal met elkaar verbonden, als een soort sterrenbeeld het lichaam in kaart brengen van de schedel via de navel (‘een naar binnen gegroeide tepel’) naar de testikels. In de ruimte staat verder een computer waarop door een geheimzinnige figuur allerlei gegevens over de zon worden ingevoerd en wel zodanig dat ze een proces lijken te beschrijven waarin het licht uiteindelijk verandert in duisternis. Getallensymboliek, transmutaties, zwart licht, zonden, het zijn slechts enkele voorbeelden van de vele verwijzingen naar de alchemie en christelijke symboliek die door de tekst zijn gevlochten.
In deze omgeving nu catalogiseert en rubriceert de hoofdpersoon allerhande door de bankier nagelaten wiegedrukken en manuscripten. Hij is de opvolger van Rene, die dit baantje heeft moeten opgeven. Als jongetje was hij al verzot op boeken en encyclopedieen. Met name een anatomisch boek trok zijn aandacht want daarin ontdekte hij 'vreemde verbanden tussen lichaamsdelen en de wereld’. Werkend in zijn onderwereld overdenkt hij dat 'lichamen zijn als boeken: langzaam, letter voor letter, worden ze leeg gegeten door de boekenwurmen die ze koesteren en voeden met hun eigen vlees’.
ZIJN werkzaamheden verricht hij onder het toeziend oog van Inez, een mannenverslindster die van de liefde haar levenskunst heeft gemaakt. Ze heeft een perfect catalogiseersysteem uitgewerkt waarin ze verschillende types van minnaars onderbrengt. Ze weet maar al te goed dat een wellustig leven niet zonder drank en spijzen kan. Waar gegeten wordt, wordt in meer dan een opzicht verslonden.
Rene is verlamd geraakt en geinfantiliseerd door een trombose in de hersenen, zijn 'weke computer’. Voor hem is die andere computer, die met de harde schijf, een verlengstuk geworden van zijn grotendeels geneutraliseerde lichaam. Dat kunstmatig bestaan genereert het idee om met een superieur computersysteem een cybernetisch lichaam te realiseren, een soort Ubermensch. Zo gauw hij gerevalideerd genoeg is om twee van zijn vingers te gebruiken, start hij onmiddellijk met zijn hartstocht, het Totalitaire Grote Computerprogramma, een mutant waarin mens en machine samenvallen.
Lore tenslotte is een spicht met suicidale neigingen waaraan de hoofdpersoon nogal verslingerd raakt. Ze is een broodmager uit overtuiging: ze doet niet anders dan haar lichaam met behulp van bovenmenselijke krachtsinspanningen in de vorm van trainingen en strenge dieten tot een anti-lichaam maken, waaruit zowel het vrouwelijke als het mannelijke is verdwenen. Haar grote passie is de dans, haar ultieme opvoering heeft ze op videoband staan. Tegen de achtergrond van een absorberend duister waardoor haar lichaam vrijwel onzichtbaar wordt, beeldt ze daarop met lichtgevende handschoenen haar laatste woord uit: 'delete’. Op die manier wist ze haar leven uit. Haar verdwijnen vindt vrijwel gelijktijdig plaats met de dood van Rene die haar boodschap decodeerde. Een zwarte laatste pagina van het boek ten slotte spreekt een in memoriam uit in priemgetallen.
Het is een ingenieuze roman, geschreven vanuit een geheel eigen verbeeldingswereld die soms wel wat al te gekunsteld aandoet. Er had wat mij betreft wat meer vertellersinstinct in het boek mogen gisten.