Groen

Licht

Ik schreef hier eerder iets over mensen op de Oostelijke Haveneilanden in Amsterdam die, terwijl dat niet gepland was, ervoor zorgden dat er bomen langs de kades gepoot werden, want ze hadden ‘behoefte aan groen’. Ik vond dat bizar, wees op water en lucht, die samen licht maken, en zo natuur zijn. Vorige week zaterdag ging ik met de libellentelman een dagje wintergasten kijken, op de Zuidpier bij IJmuiden. We zagen paarse strandlopers, oeverpiepers en steenlopers, vogels die normaal gesproken op de toendra wonen en hier de winter doorkomen. Steenlopers zijn heel gemoedelijke, amicale vogeltjes en vooral zij pikten volop aan door sportvissers afgekeurde en dus achteloos weggesmeten scharretjes. Zo af en toe stak een zeehond zijn kop uit het volkomen vlakke zeewater en keek nieuwsgierig rond. De zon scheen. De libellentelman zei: ‘Vijftien jaar geleden werd zo’n zeehond hier onmiddellijk gevangen en naar Pieterburen overgebracht. Niemand die eraan dacht dat die beesten zich hier misschien wel wilden gaan vestigen.’
Ondanks de vogels, sportvissers en de telescoop van de libellentelman was ik voornamelijk bezig met het licht dat ik hierboven al noemde. De zon scheen dan wel, ook was het erg koud, je zou zomaar kunnen denken dat het december was. Maar dat kon je niet denken door het licht. Ik ontdekte vorige week zaterdag, op die Zuidpier, dat de seizoenen, en dan vooral de overgang van winter in voorjaar, niet zozeer bepaald worden door sneeuwbuien, temperatuur of onverwachte warmte, maar door licht. Hoe snerpend koud het in bijvoorbeeld april ook is, je ziet, weet, voelt dat het voorjaar is. Daar heb je helemaal geen uitbottend groen of meisjes in korte rokjes voor nodig.
Onderweg naar het huis van de libellentelman zagen we een oude boer in het land staan. Fonkelnieuwe klompen aan zijn voeten, een vlijmscherp gewette spade in de handen. Hij stond bij een molshoop te wachten. Simpelweg onbeweeglijk te wachten. Tijdens het warme eten sprong een van de twee heidewachtels van de libellentelman bij me op schoot. Hij snoof en nieste, gebruikte mij als springplank naar de etenstafel. Ik was blij.